Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Sint Benedictus
BenedictusRegel

IntraText CT - Text

  • Hoofdstuk 5 OVER DE GEHOORZAAMHEID
Previous - Next

Click here to hide the links to concordance

Hoofdstuk 5 OVER DE GEHOORZAAMHEID

 

1   De eerste trap van nederigheid is gehoorzaamheid zonder dralen.

2   Zij moet eigen zijn aan hen die niets méér ter harte gaat dan Christus.

3   Omwille van de heilige dienstbaarheid die zij publiek beloofd hebben, of ook uit vrees voor de hel of uit verlangen naar de heerlijkheid van het eeuwig leven

4   weten zij van geen uitstel, zodra de overste iets beveelt, alsof God zelf het bevel gegeven had.

5   Over hen zegt de Heer: "Op het eerste gehoor heeft hij Mij gehoorzaamd".

6   En tot de leraars zegt Hij in dezelfde zin: "Wie u hoort, hoort Mij".

7   Zij die deze instelling bezitten, verlaten dan ook terstond hun eigen bezigheden en doen afstand van hun eigen wil;

8   onmiddellijk leggen zij alles uit handen, laten hun werk, ook als het niet af is, liggen en geven op staande voet en metterdaad gehoorzaam gevolg aan het woord van hem, die hun iets beveelt.

9   Als het ware in één ogenblik volgen de beide dingen met de snelheid die voortkomt uit de vreze Gods onmiddellijk op elkaar: het bevel dat de meester uitspreekt en het werk dat de leerling volbrengt.

10            Het is het verlangen om voort te trekken naar het eeuwig leven dat hen aandrijft.

11            Daarom kiezen zij de smalle weg waarvan de Heer zegt: "Smal is de weg die naar het leven voert".

12            Zij leven dan ook niet naar eigen inzicht en gehoorzamen niet aan hun eigen verlangens en begeerten, maar laten zich leiden door het oordeel en de bevelen van een ander: zij leven in kloosters en verlangen onder een abt te staan.

13            Ongetwijfeld richten juist zij zich naar dat woord van de Heer, waar Hij zegt: "Ik ben niet mijn eigen wil komen doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft".

14            Maar deze gehoorzaamheid zal eerst dan welgevallig zijn aan God en aangenaam aan de mensen, wanneer het bevolene niet uit angst, niet traag, niet onverschillig of met gemopper of tegenspraak wordt uitgevoerd.

15            De gehoorzaamheid immers, die aan de oversten wordt bewezen, wordt aan God zelf bewezen, want Hij heeft gezegd: "Wie u hoort, hoort Mij".

16            Ook moeten de leerlingen blijmoedig weten te gehoorzamen, omdat "God houdt van een blijde gever".

17            Als daarentegen een leerling met tegenzin gehoorzaamt, en niet alleen met de mond, maar zelfs alleen maar in zijn hart tegenspreekt,

18            dan zal, ook al doet hij wat bevolen is, dit toch niet aangenaam zijn aan God, die zijn ontevreden hart doorschouwt.

19            Voor zo'n daad ontvangt hij geen beloning, maar loopt hij integendeel de straf op van de mopperaars, tenzij hij het weer goed maakt en zich betert.

 

 




Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by Èulogos SpA - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License