Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Sint Benedictus
BenedictusRegel

IntraText CT - Text

  • Hoofdstuk 31 WELKE HOEDANIGHEDEN DE KELLENAAR VAN HET KLOOSTER MOET BEZITTEN
Previous - Next

Click here to hide the links to concordance

Hoofdstuk 31 WELKE HOEDANIGHEDEN DE KELLENAAR VAN HET KLOOSTER MOET BEZITTEN

 

1   Als kellenaar van het klooster wordt iemand uit de gemeente gekozen, die wijs is, rijp van karakter, sober en matig, niet verwaand, niet wispelturig, niet bars, niet traag en niet verkwistend,

2   maar godvrezend; hij moet als een vader zijn voor de gehele gemeente.

3   Hij draagt zorg voor alles,

4   maar doet niets buiten de opdracht van zijn abt om.

5   Hij houdt zich aan wat hem bevolen wordt.

6   Hij mag de broeders niet grieven.

7   Zou een broeder hem iets onredelijks komen vragen, dan moet hij hem niet grieven door hem vanuit de hoogte te behandelen, maar nederig weigere hij met opgave van redenen wat ten onrechte gevraagd werd.

8   Hij wake over zijn ziel, steeds het woord van de Apostel indachtig, dat "wie zijn taak goed volbrengt, zich een goede plaats verwerft".

9   Bijzonder veel zorg moet hij besteden aan de zieken, de kinderen, de gasten en de armen, wel wetend, dat hij over hen allen rekenschap zal moeten afleggen op de dag van het oordeel.

10            Alle gerei en bezit van het klooster moet hij beschouwen als vaatwerk dat aan de altaardienst gewijd is.

11            Niets mene hij te mogen verwaarlozen.

12            Hij mag niet gierig zijn, maar ook geen verkwister die het bezit van het klooster verspilt; alles daarentegen moet hij doen met gevoel voor maat en in overeenstemming met de opdracht van de abt.

13            Hij moet vooral nederig weten te zijn; en als hij iemand niets geven kan, moet hij hem minstens een vriendelijk antwoord aanreiken,

14            zoals er geschreven staat: "Een goed woord is meer waard dan de beste gave".

15            Alles waarmee de abt hem belast heeft, is aan zijn zorg toevertrouwd; maar hij mag zich niet inlaten met zaken, die hem verboden zijn.

16            Hij verstrekt de broeders hun vastgestelde rantsoenen zonder een spoor van hooghartigheid en zonder vertraging om hun geen reden tot ontevredenheid te geven, indachtig de straf die volgens een woord van God hij verdient "die reden tot ontevredenheid geeft aan een der kleinen".

17            Als de gemeente talrijk is, krijgt hij hulp, zodat ook hijzelf met die bijstand gelijkmoedig de taak kan vervullen, die hem is toevertrouwd.

18            Op de daartoe geschikte tijd wordt verstrekt wat verstrekt moet worden en gevraagd wat gevraagd moet worden,

19            opdat niemand in het huis van God zijn gemoedsrust verliest of gegriefd wordt.

 

 




Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by Èulogos SpA - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License