Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Guy de Maupassant
De gezusters Rondoli

IntraText CT - Text

  • II
Previous - Next

Click here to hide the links to concordance

II


    Wij namen op een donderdagavond de sneltrein, het was 26 juni. Er gaat bijna niemand rond die tijd naar het zuiden, wij waren de enigen in de wagon, en allebei in een pesthumeur, geërgerd Parijs te moeten verlaten, spijt te hebben gezwicht voor dat reisidee, het zo frisse Marly betreurend, de zo mooie Seine, haar zo lieflijke oevers, de heerlijke dagen van ronddobberen in een bootje, de mooie avonden van luieren aan de waterkant, in afwachting van het vallen van de nacht.
    Paul nestelde zich in zijn hoekje en verklaarde, zodra de trein begon te rijden: 'Het is gewoon stom om daarheen te gaan.'
    Omdat het te laat was om nog van mening te veranderen, antwoordde ik: 'Dan had je niet mee moeten gaan.'
    Hij antwoordde niet. Maar ik kreeg zin om te lachen als ik naar hem keek, zo ziedend leek hij. Hij leek werkelijk op een eekhoorn. Ieder van ons behoudt in zijn trekken, onder de menselijke omlijning, een diersoort, als het stempel van zijn oorspronkelijk ras. Hoeveel mensen hebben geen smoelen als buldoggen, koppen van bokken, konijnen, vossen, paarden, ossen! Paul is een mens geworden eekhoorn. Hij heeft de kwieke oogjes van dat diertje, zijn rosse haar, zijn puntige neus, zijn fijne, soepele en beweeglijke lijfje, en dan ook nog een raadselachtige gelijkenis in zijn hele manier van doen. Hoe moet ik het omschrijven? Een overeenkomst in gebaren, in bewegingen, in houding, zodat je zou zeggen dat dat nog herinnering was.
    Ten slotte zakten we allebei weg in die holle slaap in een trein, onderbroken door vreselijke krampen in armen en de nek en het plotseling stilhouden van de trein.
    Het ontwaken kwam toen wij langs de Rhône reden. Al gauw deed het aanhoudend sjirpen van cicaden dat door de portieren binnen drong, dat sjirpen dat de stem van de warme aarde lijkt, het vrolijke lied van de Provence, ons in het gezicht, in hart en ziel het zuiden voelen, de verbrande grond proeven, het stenige en lichte vaderland van de gekromde olijfboom met zijn grijsgroene blad.
    De trein stopte nog eens en een beambte begon langs het konvooi te rennen waarbij hij een welluidend Valence liet horen, een echt Valence, met het accent, het hele accent, een Valence ten slotte dat ons eens te meer die smaak van de Provence deed proven, die het krassend geluid van de cicaden bij ons al had opgeroepen.
    Tot aan Marseille gebeurde er niets nieuws.
    We gingen eten in een buffet.
    Toen we weer in onze wagon stapten, had zich daar een vrouw geïnstalleerd.
    Paul wierp mij een verrukte blik toe en in een onwillekeurig gebaar krulde hij zijn korte snor, lichtte toen enigszins de hoed en ging met zijn vijf gespreide vingers als met een kam door zijn in de reisnacht verwarde haren. Toen ging hij tegenover de onbekende zitten.
    Telkens als ik onderweg of in de stad een nieuw gezicht zie, bekruipt mij de obsessie te willen raden welke ziel, wat voor intelligentie, wat voor karakter achter die trekken schuilgaan.
    Het was een jonge vrouw, piepjong en knap, onmiskenbaar een meisje uit het zuiden. Ze had prachtige ogen, bewonderenswaardige, golvend zwarte haren, licht krullend, zo dicht, zo gezond en zo lang dat ze zwaar leken, dat ze alleen al bij het aanschouwen lieten voelen hoe ze op het hoofd moesten wegen. Zwierig en met een zekere slechte zuidelijke smaak gekleed, leek ze wat alledaags. De regelmatige trekken van haar gezicht hadden niet die bekoorlijkheid, die afwerking van verfijnde mensen, die lichte tederheid die aristocratenzonen bij hun geboorte meekrijgen en die als het ware het erfelijk merkteken is van wat minder dik bloed.
    Ze droeg armbanden die te breed waren om van goud te zijn, oorbellen met doorzichtige stenen, te groot om diamanten te zijn, en ze had over haar hele persoon iets onbepaald volks. Je kon raden dat ze te hard zou praten, dat ze om de haverklap met overdreven gebaren zou gaan zitten schreeuwen.
    De trein vertrok.
    Ze bleef roerloos op haar plek zitten, haar blikken strak voor zich in een dreigende houding van woeste vrouw. Ze had ons niet eens een blik waardig gekeurd.
    Paul begon met mij te praten, zei dingen die gericht waren op uitwerking, gaf het gesprek met opzet zo gestalte, dat het de aandacht moest trekken, zoals kooplui hun uitverkoren voorwerpen om begeerte te wekken tentoonspreiden.
    Maar ze leek het allemaal niet te horen.
    'Toulon! Over tien minuten vertrekken we weer! Buffet!' riep de beambte.
    Paul gaf mij een teken om uit te stappen en zodra we op het perron stonden sprak hij: 'Wat is dat volgens jou voor vrouw?'
    Ik begon te lachen en zei: 'Dat weet ik niet. Het kan me ook niks schelen.'
    Hij was nogal opgehitst: 'Ze is hartstikke knap en jong, wat een lekker dier. En wat een ogen! Maar ze lijkt me niet bijster tevreden. Ze heeft vast zorgen, ze let nergens op.'
    Ik mompelde: 'Jij vangt bot.'
    Maar hij werd boos en zei: 'Ik zit helemaal niet te vissen, beste jongen, ik vind die vrouw heel knap, dat is alles. Zouden we haar niet aan kunnen spreken? Maar wat moet ik dan tegen haar zeggen? Weet jij niks? Heb jij een idee wat voor vrouw dat is?'
    'Volstrekt niet. Maar ik zou zeggen een derderangs actrice die na een amoureus uitstapje teruggaat naar het gezelschap.'
    Dat leek hem te ergeren, alsof ik iets kwetsends had gezegd, en hij vervolgde: 'Waar zie je dat aan? Ik vind juist dat ze er heel netjes uitziet.'
    Ik antwoordde: 'Maar kijk dan naar die armbanden, beste jongen, en naar die oorbellen, en het toilet. Het zou me ook niet verbazen als ze danseres was, of misschien zelfs kunstrijdster, maar eerder danseres. Ze heeft iets over zich dat naar theater zweemt.'
    Dat denkbeeld zat hem duidelijk dwars: 'Ze is veel te jong, beste jongen, ze is amper twintig.'
    'Man, er zijn echt dingen die je voor je twintigste kunt leren, hoor, en dansen en declameren horen daarbij, om maar niet te spreken van nog enkele andere die ze misschien wel uitsluitend beoefent.'
    
    'Reizigers voor de sneltrein naar Nice en Ventimiglia, instappen!' riep de beambte.
    We moesten weer in de trein. Onze buurvrouw zat een sinaasappel te eten. Het was nu al duidelijk dat zij geen nette manieren kende. Ze had haar zakdoek op haar knieën uitgespreid en haar manier om die goudgele schil te pellen, haar mond te openen en de partjes tussen haar lippen te pakken, om vervolgens de pitten door het raam naar buiten te spugen, verrieden een heel banale opvoeding qua gewoonten en gebaren.
    Ze leek trouwens chagrijniger dan ooit en slikte snel haar fruit door, op een heel grappige, driftige manier.
    Paul vrat haar op met zijn blikken, zat te bedenken wat hij moest doen om haar aandacht te trekken, om haar nieuwsgierigheid te wekken. En hij begon weer met mij te kouten, toverde een hele stoet van keurige denkbeelden tevoorschijn, citeerde bekende namen alsof hij ze persoonlijk kende. Ze sloeg volstrekt geen acht op zijn inspanningen.
    We kwamen voorbij Fréjus, Saint-Raphaël. De trein reed door die tuin, door dat rozenparadijs, door dat bloeiende bos van sinaasappel- en citroenbomen, die tegelijkertijd hun witte boeketten en hun goudgele vruchten dragen, in dat koninkrijk van het parfum, in dat vaderland van de bloemen, op die verrukkelijke kust van Marseille tot Genua.
    In juni moet je die volgen, als in de vrije natuur, wild, in smalle dalen, op hellingen van heuvels, de mooiste bloemen groeien. En altijd maar weer zie je rozen, velden, vlakten, hagen, bossen rozen. Ze klimmen tegen muren op, ontplooien zich op daken, klimmen in bomen, bloeien op tussen het lommer, wit, rood, geel, klein of enorm, mager met een enkele, eenvoudige jurk, of mollig, met een zwaar en schitterend toilet.
    En hun machtige adem, hun doordringende lucht verdikte de atmosfeer, maakte haar smakelijk en slaapverwekkend. En een nog doordringender lucht van bloeiende oranjebomen lijkt te zoeten wat je inademt, er een snoepje voor de reuk van te maken.
     Die grote kust met bruine rotsen ontplooit zich roerloos, bespoeld door de Middellandse Zee. De zware zomerzon valt als een kleed van vuur over de bergen, over die lange zandstranden, op een zee van hard, verstild blauw. De trein rijdt maar door, boort zich in tunnels om landtongen te doorkruisen, volgt de rondingen van heuvels, rijdt langs loodrechte rotswanden boven het water, en een lekkere, een vaag zilte lucht, een lucht van algen die liggen te drogen mengt zich soms met de grootse, bedwelmende lucht van de bloemen.
    Maar Paul dacht niets, keek naar niets, rook niets. De reizigster had al zijn aandacht gevangen.
    In Cannes wilde hij weer een onderonsje met mij en beduidde me weer uit te stappen.
    Amper uit de wagon greep hij me bij de arm.
    'Weet je, ze is allerliefst. Kijk dan naar die ogen, die haren, beste jongen, zo heb ik er nog nooit gezien!'
    Ik zei tegen hem: 'Kom op, rustig aan. Of anders eropaf als je iets van plan bent. Ze lijkt me niet onneembaar, al maakt ze een beetje chagrijnige indruk.'
    Hij vervolgde: 'Kun jij haar niet aanspreken, jij? Ik kom op niks. Ik ben bij het eerste treffen altijd zo stom verlegen. Ik heb nog nooit een vrouw op straat durven aanspreken. Ik volg ze, ik draai eromheen, ik loop op ze af, maar nooit vind ik de nodige woorden. Een enkele keer heb ik geprobeerd een gesprek aan te knopen. Doordat ik heel duidelijk kon merken dat van mij de eerste stap verwacht werd en omdat ik beslist iets moest zeggen, stamelde ik: 'Is alles goed met u, mevrouw?' Ze lachte me uit en ik ben ervandoor gegaan.'
    Ik beloofde Paul al mijn kunde in te zullen zetten om tot een gesprek te komen en toen we weer onze plaatsen hadden ingenomen vroeg ik heel beleefd aan onze buurvrouw: 'Hebt u last van tabaksrook, mevrouw?'
    Zij antwoordde: 'Non capisco.'
    Ze was Italiaanse! Ik kreeg een geweldige zin om te lachen. Paul kende geen woord van die taal, dus ik moest als tolk optreden. Ik begon meteen mijn rol te spelen. Ik verklaarde dus in het Italiaans: 'Ik vroeg u mevrouw, of u ook maar enigszins last hebt van tabaksrook?'
    Woest beet zij mij toe: 'Che mi fa!'
    Ze had haar hoofd niet omgewend en haar ogen niet naar mij opgeslagen, waardoor ik nogal verbaasd was, niet wetend of ik dat 'wat kan mij dat schelen!' voor instemming, weigering, een feitelijke teken van onverschilligheid of voor een eenvoudig 'laat me met rust' moest aanzien.
    Ik vervolgde: 'Mevrouw, als die lucht ook maar enigszins hindert?'
    Daarop antwoordde zij: 'Mica', met een intonatie die ongeveer overeenkwam met: Sodemieter op! Toch was dat toestemming en ik zei tegen Paul: 'Je kunt roken.' Hij keek mij met van die verbaasde ogen aan die je opzet als je lieden probeert te begrijpen die een vreemde taal spreken waar jij bij bent. En hij vroeg op een totaal belachelijke manier: 'Wat heb je tegen haar gezegd?'
    'Ik heb haar gevraagd of we konden roken.'
    'Ze verstaat dus geen Frans?'
    'Geen woord.'
    'Wat heeft ze geantwoord?'
    'Dat ze het goed vond dat wij maar moesten doen waar we zin in hadden.'
    En ik stak mijn sigaar op.
    Paul vervolgde: 'Is dat alles wat ze heeft gezegd?'
    'Beste jongen, als je haar woorden had geteld, dan had je opgemerkt dat ze er om precies te zijn zes heeft uitgesproken, waarvan twee om mij duidelijk te maken dat ze geen Frans verstond. Er blijven er dus nog vier over. Welnu, in vier woorden kun je werkelijk een heleboel uitdrukken.'
    Paul leek volslagen ongelukkig, teleurgesteld, van slag.
    Maar plotseling vroeg de Italiaanse mij op diezelfde ontevreden toon die bij haar natuurlijk leek: 'Weet u ook hoe laat wij in Genua aankomen?'
    Ik antwoordde: 'Om elf uur vanavond, mevrouw.' Toen, na een minuut stilte, vervolgde ik: 'Wij gaan ook naar Genua, mijn vriend en ik, als wij u onderweg ergens mee van dienst kunnen zijn, dan zullen wij dat graag voor u doen, weest u daarvan overtuigd.'
    Aangezien zij niet antwoordde hield ik vol: 'U bent alleen, en als u onze diensten van node mocht hebben...' Ze sprak weer een zo'n keihard 'mica' uit dat ik mijn mond maar hield.
    Paul vroeg: 'Wat heeft ze gezegd?'
    'Ze heeft gezegd dat ze je heel aantrekkelijk vindt.'
    Maar hij was niet in de stemming voor een grapje en vroeg me kortaf of ik zo vriendelijk wilde zijn niet de draak met hem te steken. Toen vertaalde ik dus de vraag van de jonge vrouw en mijn hoffelijke voorstel dat zo brutaal was afgewezen.
    Hij leek echt opgewonden, als een eekhoorn in een kooi. Hij zei: 'Als wij er achter kunnen komen naar welk hotel ze gaat, dan nemen wij hetzelfde. Probeer haar maar handig te ondervragen, zoek maar een nieuwe aanleiding om met haar te spreken.'
    Dat was aanvankelijk niet gemakkelijk en ik wist ook niet wat ik moest bedenken, hoewel ik zelf ook wel lust kreeg dat moeilijke persoontje te leren kennen.
    We kwamen voorbij Nice, Monaco, Menton en de trein stopte bij de grens voor bagagecontrole.
    Hoewel ik een afkeer heb van slecht opgevoede mensen die in wagons lunchen en dineren, ging ik een hele voorraad eten kopen in een laatste poging onze metgezellin met haar eetlust te strikken. Ik vermoedde wel dat dat meisje in haar normalen doen van oorsprong welgesteld moest zijn. Er zat haar een of andere tegenslag dwars, maar wellicht was er bijna niets voor nodig, een opgewekte behoefte, een woord, een goed gedaan aanbod om haar te ontdooien, over te halen en te veroveren.
    We reden weer verder. We zaten nog steeds met zijn drietjes. Ik stalde de etenswaren op het bankje uit, sneed de kip aan, legde ook plakjes ham op een papiertje, en rangschikte ons dessert zorgvuldig vlak bij de jongedame: aardbeien, pruimen, kersen, gebakjes en zoetigheden.
    Toen ze zag dat wij aan het eten gingen, haalde ze op haar beurt een stukje chocola en twee croissants uit een tasje en begon met haar mooie scherpe tanden het knapperig brood en de plak te kraken.
    Paul zei op gedempte stem: 'Bied haar dan wat aan!'
    'Dat ben ik ook van plan, beste jongen, maar het is niet zo gemakkelijk een opening te vinden.'
    Toch keek ze af en toe opzij naar ons eten en ik voelde best dat ze nog honger zou hebben als ze die twee croissants op had. Ik liet haar dus haar karig maal beëindigden. Toen vroeg ik: 'Zou u niet zo vriendelijk willen zijn, mevrouw, ons u wat fruit te laten aanbieden?'
    Weer antwoordde zij: 'Mica!', maar met een minder gemene stem dan overdag, en ik drong aan: 'Wilt u mij toestaan u wat wijn aan te bieden? Ik zie dat u nog niets gedronken hebt. Het is wijn uit uw land, Italiaanse wijn, en omdat wij nu bij u zijn, zou het ons zeer aangenaam zijn een knappe Italiaanse mond een aanbod van Fransen, haar buren, te zien aanvaarden.'
    Ze schudde van 'nee' met het hoofd, langzaam, met de wil om te weigeren, maar met de begeerte om 'ja' te zeggen, en weer zei ze 'mica', maar een bijna beleefd mica. Ik nam het op Italiaanse wijze in stro verpakte flesje, ik vulde een glas en hield het haar voor.
    'Drinkt u toch,' sprak ik tot haar, 'dat is ons welkom in uw vaderland.'
    Ze pakte het glas op ontevreden wijze en leegde het in één teug, als een vrouw die door dorst wordt geteisterd, en toen gaf ze het zonder bedankje weer terug.
    Ik hield haar vervolgens de kersen voor en zei: 'Neemt u ervan mevrouw, wat ik u mag bidden. U ziet dat u ons daar een enorm genoegen mee doet.'
    Ze bekeek vanuit haar hoekje al het naast haar uitgestalde fruit en zei, zo snel dat ik de grootste moeite had het te begrijpen: 'A me non piacciono ne le ciliegie ne le susine; amo soltanto le fragole.'
    'Wat zei ze?' vroeg Paul meteen.
    'Ze zegt dat ze niet van kersen of pruimen houdt, maar alleen van aardbeien.'
    En ik legde de krant vol bosaardbeitjes op haar schoot. Ze begon ze meteen bliksemsnel op te eten, pakte ze met het puntje van haar vingers en gooide ze van enige afstand in haar mond, die op parmantige en bekoorlijke wijze openging om ze op te vangen.
    Toen ze het rode stapeltje had verorberd dat wij binnen enkele minuten hadden zien verkleinen, wegsmelten, verdwijnen onder de snelle beweging van haar handen, vroeg ik haar: 'En, wat kan ik u aanbieden?'
    Ze antwoordde: 'Ik wil best een beetje kip.' En ze verslond zeker de helft van het gevogelte, dat ze met grote happen aan stukken trok, als een ware vleeseter. Toen besloot ze toch maar wat kersen te nemen, waarvan ze niet hield, en daarna pruimen, daarna gebakjes, en toen zei ze: 'Zo is het genoeg', en nestelde zich weer in haar hoekje.
    Ik begon dit vreselijk leuk te vinden, en ik wilde haar nog meer te eten geven, waarbij ik om haar te overreden mijn loftuitingen en mijn aandrang verdubbelde. Maar ze werd plotseling razend en beet me een herhaald 'mica' toe, zo erg dat ik niet meer waagde haar spijsvertering te verstoren.
    Ik wendde me tot mijn vriend en zei: 'Arme Paul, ik geloof dat al onze moeite vergeefs is geweest.'
    Het werd nacht, een warme zomernacht die langzaam viel, zijn zwoele schaduw over de brandende en vermoeide aarde uitspreidde. In de verte werden hier en daar langs zee vuren ontstoken op de landtongen, op de toppen van voorgebergten, en ook sterren begonnen aan de donkere einder te verschijnen, zodat ik ze soms voor vuurtorens hield.
    De lucht van de oranjebomen werd doordringender, je ademde haar bedwelmd in, zette je longen uit om haar diep te drinken. Iets zoets, iets heerlijks, iets goddelijks leek in de geurige lucht te zweven.
    En plotseling zag ik onder de bomen, langs het spoor in het thans volslagen duister, iets wat leek op een sterrenregen. Het leken wel druppels licht die sprongen, dansten, speelden en renden tussen de bladeren, kleine zonnen die uit de lucht waren gevallen om een feestje op aarde te houden. Dat waren vuurvliegjes, van die oplichtende vliegjes die in de geparfumeerde lucht een vreemd vuurballet dansen.
    Een ervan drong per ongeluk de wagon binnen en begon rond te zwerven, waarbij het zijn onderbrekende lichtje toonde, gedoofd zodra het ontstoken werd. Ik dekte onze lamp af met haar blauwe gaasje en keek naar het komen en gaan van die fantastische vlieg, al naar gelang de grilligheden van haar ontvlamde vlucht. Plotseling zette zij zich in de zwarte haren van onze buurvrouw, na het eten ingeslapen. En Paul raakte in verrukking, hij kon zijn ogen niet meer afhouden van dat stralende puntje, dat als een levend juweel op het voorhoofd van de ingeslapen vrouw fonkelde.
    De Italiaanse werd tegen kwart voor elf wakker, met in haar kapsel nog altijd het lichtende beestje. Toen ik haar zag bewegen zei ik: 'Wij naderen Genua, mevrouw.' Ze mompelde zonder mij te antwoorden, als bezeten door een gestage en vervelende gedachte: 'Wat moet ik nu doen?'
    En plotseling vroeg ze me: 'Willen jullie dat ik met jullie meega?'
    Ik was zo verrast dat ik het niet begreep.
    'Hoezo, met ons? Hoe bedoelt u?'
    Ze herhaalde, steeds razender: 'Willen jullie dat ik meteen met jullie meega?'
    'Dat wil ik best, maar waar wilt u heen? Waar wilt u dat ik u naartoe breng?'
    Ze schokschouderde in volslagen onverschilligheid.
    'Waar u maar wilt! Dat kan mij niets schelen.'
    Twee keer herhaalde ze: 'Che mi fa?'
    'Maar wij gaan naar een hotel.'
    Met de grootste minachting sprak zij: 'Nou! Dan gaan we naar een hotel.'
    Ik wendde mij tot Paul en zei: 'Ze vraagt of wij willen dat ze met ons meegaat.'
    De volslagen verrassing van mijn vriend deed mij mijn koelbloedigheid herwinnen. Hij stamelde: 'Met ons? Waarheen? Waarom? Hoe?'
    'Weet ik veel? Ze heeft me net dat vreemde voorstel op de meest geërgerde toon gedaan. Ik heb geantwoord dat we naar een hotel gingen, en zij heeft daarop weer gezegd: "Nou, dan gaan we naar een hotel!" Ze heeft waarschijnlijk geen geld. Het kan me niks schelen, maar ze heeft een vreemde manier om kennis te maken.'
    Paul riep helemaal opgewonden en bevend uit: 'Maar natuurlijk, dat wil ik best, zeg haar maar dat we haar meenemen waar ze maar heen wil.' Toen aarzelde hij een seconde en vervolgde met ongeruste stem: 'Alleen moeten we wel weten met wie ze meegaat? Gaat ze met jou mee of gaat ze met mij mee?'
    Ik wendde mij tot de Italiaanse, die niet eens naar ons leek te luisteren, teruggevallen op haar volslagen onbezorgdheid, en sprak tot haar: 'Wij zouden verheugd zijn, mevrouw, om u met ons mee te nemen. Alleen zou mijn vriend graag willen weten of ik u de arm moet geven of hij?'
    Ze keek mij aan met haar grote zwarte ogen en antwoordde met iets van verrassing: 'Che mi fa?'
    Ik verklaarde mij nader: 'In Italië noemen ze een vriend die alle begeerten van een vrouw bevredigt, die zich met alles wat zij wil bezighoudt en haar nukken verdraagt, een patito. Wie van ons twee moet uw patito zijn?'
    Zonder te aarzelen zei ze: 'Jij!'
    Ik wendde mij tot Paul en zei: 'Ze kiest mij, beste jongen, je hebt geen geluk.'
    Op woeste toon verklaarde hij: 'Des te beter voor jou.'
    Na een paar minuten te hebben nagedacht zei hij nog: 'Vind je het echt nodig om die lichtekooi mee te nemen? Ze bederft ons nog de reis. Wat moeten we met die vrouw die ik weet niet wat voor noten op haar zang heeft? Ze gaan ons toch niet in een net hotel toelaten!'
    Maar ik begon net de Italiaanse veel beter te vinden dan ik haar aanvankelijk had ingeschat, en ik stond erop, ja ik stond er echt op haar nu mee te nemen. Ik was zelfs verrukt van dat denkbeeld en ik voelde al die rillingen van verwachting die het vooruitzicht op een liefdesnacht je door de aderen zendt.
    Ik antwoordde: 'Beste jongen, we hebben het aangenomen. Het is nu te laat om terug te krabbelen. Jij bent degene geweest die mij aangeraden heeft om ja te zeggen.'
    Hij bromde: 'Het is stom! Nou ja, doe maar zoals je wilt.'
    De trein floot, minderde vaart, we waren er.
    Ik stapte uit en stak mijn nieuwe metgezellin de hand toe. Ze sprong lenig op de grond en ik bood haar mijn arm, die ze slechts met afkeer leek te pakken. Toen de bagage eenmaal was gevonden en opgevraagd, vertrokken wij, dwars door de stad. Paul liep in stilte, met nerveuze stappen.
    Ik zei tegen hem: 'Naar welk hotel gaan we? Het wordt misschien wat moeilijk om met een vrouw naar het Cité de Paris te gaan, helemaal met die Italiaanse.'
    Paul onderbrak me en zei: 'Ja, met die Italiaanse die er eerder uitziet als een hoer dan als een gravin. Nou ja, wat kan mij dat schelen. Je ziet maar hoe je je redt!'
    Ik was in verwarring. Ik had het Cité de Paris geschreven om ons een appartement te reserveren... en nu... ik wist niet meer wat ik nu moest.
    Twee kruiers volgden ons met de koffers. Ik vervolgde: 'Ga jij maar vooruit. Zeg maar dat we er aankomen. En dan laat je bovendien aan de baas doorschemeren dat ik een... vriendin bij me heb, en dat wij voor ons drieën een geheel gescheiden appartement willen hebben, om ons niet onder de andere gasten hoeven te mengen. Dat zal hij begrijpen en dan zien we wel wat hij antwoordt.'
    Maar Paul mompelde: 'Dank je lekker, die boodschap en die rol passen me niet. Ik ben hier niet gekomen om jouw appartementjes en jouw pleziertjes voor te bereiden.'