Artikel 29
Een
ieder heeft plichten jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en
volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is.
In
de uitoefening van zijn rechten en vrijheden zal een ieder slechts
onderworpen zijn aan die beperkingen, welke bij de wet zijn vastgesteld en
wel uitsluitend ter verzekering van de onmisbare erkenning en eerbiediging
van de rechten en vrijheden van anderen en om te voldoen aan de
gerechtvaardigde eisen van de moraliteit, de openbare orde en het algemeen
welzijn in een democratische gemeenschap.
Deze
rechten en vrijheden mogen in geen geval worden uitgeoefend in strijd met
de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.
|