Book Chapter: Verse
1 Exo 30:12| Israels opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij
2 Exo 30:13| zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft eens
3 Exo 30:14| 14 Al wie overgaat tot de getelden, van twintig jaren oud en
4 Exo 38:25| 25 Het zilver nu van de getelden der vergadering was honderd
5 Exo 38:26| ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en
6 Num 1:21| 21 Hun getelden van den stam van Ruben waren
7 Num 1:22| huis hunner vaderen, zijn getelden, in het getal der namen,
8 Num 1:23| 23 Hun getelden van den stam van Simeon
9 Num 1:25| 25 Waren hun getelden van den stam van Gad vijf
10 Num 1:27| 27 Waren hun getelden van den stam van Juda vier
11 Num 1:29| 29 Waren hun getelden van den stam van Issaschar
12 Num 1:31| 31 Waren hun getelden van den stam van Zebulon
13 Num 1:33| 33 Waren hun getelden van den stam van Efraim
14 Num 1:35| 35 Waren hun getelden van den stam van Manasse
15 Num 1:37| 37 Waren hun getelden van den stam van Benjamin
16 Num 1:39| 39 Waren hun getelden van den stam van Dan twee
17 Num 1:41| 41 Waren hun getelden van den stam van Aser een
18 Num 1:43| 43 Waren hun getelden van den stam van Nafthali
19 Num 1:44| 44 Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft,
20 Num 1:45| 45 Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar
21 Num 1:46| 46 Al de getelden dan waren zeshonderd drie
22 Num 2:4 | 4 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend
23 Num 2:6 | 6 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend
24 Num 2:8 | 8 Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend
25 Num 2:9 | 9 Al de getelden des legers van Juda waren
26 Num 2:11| 11 Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend
27 Num 2:13| 13 Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend
28 Num 2:15| 15 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend
29 Num 2:16| 16 Al de getelden in het leger van Ruben waren
30 Num 2:19| 19 Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en
31 Num 2:21| 21 Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend
32 Num 2:23| 23 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend
33 Num 2:24| 24 Al de getelden in het leger van Efraim
34 Num 2:26| 26 Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend
35 Num 2:28| 28 Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend
36 Num 2:30| 30 Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend
37 Num 2:31| 31 Al de getelden in het leger van Dan waren
38 Num 2:32| 32 Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels,
39 Num 2:32| huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren
40 Num 3:22| 22 Hun getelden in getal waren van al wat
41 Num 3:22| maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd. ~
42 Num 3:34| 34 En hun getelden in getal van al wat mannelijk
43 Num 3:39| 39 Alle getelden der Levieten, welke Mozes
44 Num 3:43| oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend
45 Num 4:36| 36 Hun getelden nu waren, naar hun geslachten,
46 Num 4:37| 37 Dit zijn de getelden van de geslachten der Kahathieten,
47 Num 4:38| 38 Insgelijks de getelden der zonen van Gerson, naar
48 Num 4:40| 40 Hun getelden waren, naar hun geslachten,
49 Num 4:41| 41 Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen
50 Num 4:42| 42 En de getelden van de geslachten der zonen
51 Num 4:44| 44 Hun getelden nu waren, naar hun geslachten,
52 Num 4:45| 45 Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen
53 Num 4:46| 46 Al de getelden, welke Mozes en Aaron, en
54 Num 4:48| 48 Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd
55 Num 4:49| naar zijn last; en zijn getelden waren, die de HEERE Mozes
56 Num 7:2 | der stammen, die over de getelden stonden. ~
57 Num 14:29| woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van
58 Num 26:7 | geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend
59 Num 26:18| zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd. ~
60 Num 26:22| geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend
61 Num 26:25| van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend
62 Num 26:27| der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd. ~
63 Num 26:34| geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend
64 Num 26:37| zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend
65 Num 26:41| naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend
66 Num 26:43| der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend
67 Num 26:47| zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend
68 Num 26:50| naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend
69 Num 26:51| 51 Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd
70 Num 26:54| iegelijk zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden. ~
71 Num 26:57| 57 Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten:
72 Num 26:62| 62 En hun getelden waren drie en twintig duizend,
73 Num 26:63| 63 Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, den
74 Num 26:64| dezen was niemand uit de getelden van Mozes en Aaron, den
75 2Kon 12:4| desgenen, die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder
76 2Kon 13:4| desgenen, die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder
|