1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2500 | 2501-3000 | 3001-3500 | 3501-3731
Book Chapter: Verse
1501 2Kro 28:15 | kleedden van den roof al hun naakten; en zij kleedden
1502 2Kro 28:15 | Jericho, de Palmstad, bij hun broederen; daarna keerden
1503 2Kro 28:23 | Syrie hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij ook
1504 2Kro 29:6 | verlaten, en zij hebben hun aangezichten van den tabernakel
1505 2Kro 29:15 | 15 En zij verzamelden hun broederen, en heiligden
1506 2Kro 29:23 | gemeente, en zij legden hun handen op dezelve. ~
1507 2Kro 29:30 | blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neder. ~
1508 2Kro 29:34 | aftrekken; daarom hielpen hen hun broederen, de Levieten,
1509 2Kro 30:12 | was de hand Gods in Juda, hun enerlei hart gevende, dat
1510 2Kro 30:16 | 16 En zij stonden in hun stand, naar hun wijze, naar
1511 2Kro 30:16 | stonden in hun stand, naar hun wijze, naar de wet van Mozes,
1512 2Kro 30:27 | en zegenden het volk; en hun stem werd gehoord; want
1513 2Kro 30:27 | stem werd gehoord; want hun gebed kwam tot Zijn heilige
1514 2Kro 31:1 | ieder tot zijn bezitting in hun steden. ~
1515 2Kro 31:2 | priesteren en der Levieten, naar hun verdelingen, een ieder naar
1516 2Kro 31:6 | heilige dingen, die den HEERE, hun God, geheiligd waren, en
1517 2Kro 31:15 | met getrouwigheid, om aan hun broederen in de verdelingen,
1518 2Kro 31:16 | werk op elken dag, voor hun dienst, in hun wachten,
1519 2Kro 31:16 | dag, voor hun dienst, in hun wachten, naar hun verdelingen. ~
1520 2Kro 31:16 | dienst, in hun wachten, naar hun verdelingen. ~
1521 2Kro 31:17 | jaren oud en daarboven, in hun wachten, naar hun verdelingen; ~
1522 2Kro 31:17 | daarboven, in hun wachten, naar hun verdelingen; ~
1523 2Kro 31:18 | geslachtsrekening met al hun kinderkens, hun vrouwen,
1524 2Kro 31:18 | geslachtsrekening met al hun kinderkens, hun vrouwen, en hun zonen, en
1525 2Kro 31:18 | kinderkens, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochteren,
1526 2Kro 31:18 | vrouwen, en hun zonen, en hun dochteren, door de ganse
1527 2Kro 31:18 | want zij hadden zich in hun ambt in heiligheid geheiligd. ~
1528 2Kro 32:6 | stadspoort, en sprak naar hun hart, zeggende: ~
1529 2Kro 32:13 | van de natien dier landen hun land enigszins kunnen redden
1530 2Kro 32:17 | de natien der landen, die hun volk uit mijn hand niet
1531 2Kro 33:8 | waarnemen te doen, al hetgeen Ik hun geboden heb, naar de ganse
1532 2Kro 33:17 | hoogten, hoewel aan den HEERE, hun God. ~
1533 2Kro 34:4 | de graven dergenen, die hun geofferd hadden. ~
1534 2Kro 34:5 | priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde
1535 2Kro 34:30 | kleine toe; en men las voor hun oren al de woorden van het
1536 2Kro 34:33 | dienen; te dienen den HEERE, hun God; al zijn dagen weken
1537 2Kro 35:2 | stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte
1538 2Kro 35:10 | de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten
1539 2Kro 35:10 | standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod
1540 2Kro 35:11 | sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken
1541 2Kro 35:15 | zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod
1542 2Kro 35:15 | behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders,
1543 2Kro 35:15 | van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor
1544 2Kro 35:25 | en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia,
1545 2Kro 36:2 | stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte
1546 2Kro 36:10 | de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten
1547 2Kro 36:10 | standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod
1548 2Kro 36:11 | sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken
1549 2Kro 36:15 | zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod
1550 2Kro 36:15 | behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders,
1551 2Kro 36:15 | van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor
1552 2Kro 36:25 | en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia,
1553 2Kro 37:17 | koning der Chaldeen, die hun jongelingen met het zwaard
1554 Ezra 1:9 | 9 En dit is hun getal: dertig gouden bekkens,
1555 Ezra 2:59 | konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij
1556 Ezra 2:61 | vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was. ~
1557 Ezra 2:62 | 62 Dezen zochten hun register, onder degenen,
1558 Ezra 2:65 | 65 Behalve hun knechten en hun maagden,
1559 Ezra 2:65 | Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven
1560 Ezra 2:66 | 66 Hun paarden waren zevenhonderd
1561 Ezra 2:66 | zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd
1562 Ezra 2:67 | 67 Hun kemelen, vierhonderd vijf
1563 Ezra 2:69 | 69 Zij gaven naar hun vermogen tot den schat des
1564 Ezra 2:70 | en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israel in
1565 Ezra 3:9 | met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen,
1566 Ezra 3:9 | van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten. ~
1567 Ezra 3:12 | in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met
1568 Ezra 4:5 | tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al
1569 Ezra 4:9 | schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaieten,
1570 Ezra 4:17 | schrijver, en de overigen van hun gezelschappen, die te Samaria
1571 Ezra 4:20 | gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude impost en
1572 Ezra 4:23 | Simsai, den schrijver, en hun gezelschappen gelezen was,
1573 Ezra 5:3 | rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus
1574 Ezra 5:5 | oudsten der Joden, dat zij hun niet beletten, totdat de
1575 Ezra 5:8 | gaat voorspoediglijk door hun handen voort. ~
1576 Ezra 5:10 | 10 Wijders hebben wij hun ook hun namen afgevraagd,
1577 Ezra 5:10 | Wijders hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij
1578 Ezra 6:9 | Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde,
1579 Ezra 6:12 | koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken,
1580 Ezra 6:13 | rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoediglijk
1581 Ezra 6:18 | stelden de priesteren in hun onderscheidingen, en de
1582 Ezra 6:18 | onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot den dienst
1583 Ezra 6:20 | der gevangenis, en voor hun broederen, de priesteren,
1584 Ezra 6:22 | Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het
1585 Ezra 7:17 | runderen, rammen, lammeren, met hun spijsofferen, en hun drankofferen,
1586 Ezra 7:17 | met hun spijsofferen, en hun drankofferen, en die offert
1587 Ezra 7:24 | cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te
1588 Ezra 8:1 | hoofden hunner vaderen, met hun geslachtsrekening, die met
1589 Ezra 8:17 | 17 En ik gaf hun bevel aan Iddo, het hoofd
1590 Ezra 8:17 | en ik legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo,
1591 Ezra 8:19 | met zijn broederen, en hun zonen, twintig; ~
1592 Ezra 8:24 | Serebja Hasabja, en tien van hun broederen met hen. ~
1593 Ezra 8:25 | 25 En ik woog hun toe het zilver, en het goud,
1594 Ezra 8:26 | 26 Ik woog dan aan hun hand zeshonderd en vijftig
1595 Ezra 9:1 | volken dezer landen, naar hun gruwelen, namelijk van de
1596 Ezra 9:2 | 2 Want zij hebben van hun dochteren genomen voor zichzelven
1597 Ezra 9:2 | voor zichzelven en voor hun zonen, zodat zich vermengd
1598 Ezra 9:11 | de volken der landen, om hun gruwelen, waarmede zij dat
1599 Ezra 9:11 | tot het andere einde, met hun onreinigheid. ~
1600 Ezra 9:12 | dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren
1601 Ezra 9:12 | geven aan hun zonen, en hun dochteren niet nemen voor
1602 Ezra 9:12 | nemen voor uw zonen, en zult hun vrede en hun best niet zoeken,
1603 Ezra 9:12 | zonen, en zult hun vrede en hun best niet zoeken, tot in
1604 Ezra 10:19 | 19 En zij gaven hun hand, dat zij hun vrouwen
1605 Ezra 10:19 | gaven hun hand, dat zij hun vrouwen zouden doen uitgaan;
1606 Ezra 10:19 | een ram van de kudde voor hun schuld.
1607 Neh 2:9 | zijde der rivier, en gaf hun de brieven des konings.
1608 Neh 2:10 | dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat
1609 Neh 2:18 | 18 En ik gaf hun te kennen de hand mijns
1610 Neh 2:18 | bouwen; en zij sterkten hun handen ten goede. ~
1611 Neh 2:20 | 20 Toen gaf ik hun tot antwoord, en zeide tot
1612 Neh 3:4 | 4 En aan hun hand verbeterde Meremoth,
1613 Neh 3:4 | den zoon van Koz; en aan hun hand verbeterde Mesullam,
1614 Neh 3:4 | zoon van Mesezabeel; en aan hun hand verbeterde Zadok, zoon
1615 Neh 3:5 | 5 Voorts aan hun hand verbeterden de Thekoieten;
1616 Neh 3:5 | verbeterden de Thekoieten; maar hun voortreffelijken brachten
1617 Neh 3:5 | voortreffelijken brachten hun hals niet tot den dienst
1618 Neh 3:7 | 7 En aan hun hand verbeterden Melatja,
1619 Neh 3:9 | 9 En aan hun hand verbeterde Refaja,
1620 Neh 3:10 | 10 Voorts aan hun hand verbeterde Jedaja,
1621 Neh 3:18 | 18 Na hem verbeterden hun broederen, Bavai, de zoon
1622 Neh 3:23 | Benjamin, en Hassub, tegenover hun huis; na hem verbeterde
1623 Neh 4:3 | een vos opkwame, hij zou hun stenen muur wel verscheuren.
1624 Neh 4:4 | zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weder op hun
1625 Neh 4:4 | hun versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over
1626 Neh 4:5 | 5 En dek hun ongerechtigheid niet toe;
1627 Neh 4:5 | ongerechtigheid niet toe; en hun zonde worde niet uitgedelgd
1628 Neh 4:13 | naar de geslachten, met hun zwaarden, hun spiesen en
1629 Neh 4:13 | geslachten, met hun zwaarden, hun spiesen en hun bogen. ~
1630 Neh 4:13 | zwaarden, hun spiesen en hun bogen. ~
1631 Neh 4:14 | volks: Vreest niet voor hun aangezicht; denkt aan dien
1632 Neh 4:15 | bekend was geworden, en God hun raad te niet gemaakt had,
1633 Neh 5:1 | vrouwen was groot, tegen hun broederen, de Joden. ~
1634 Neh 5:5 | onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen
1635 Neh 5:6 | 6 Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde,
1636 Neh 5:11 | 11 Geeft hun toch als heden weder hun
1637 Neh 5:11 | hun toch als heden weder hun akkers, hun wijngaarden,
1638 Neh 5:11 | heden weder hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden
1639 Neh 5:11 | akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen;
1640 Neh 5:11 | wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen; en het honderdste
1641 Neh 5:11 | most en de olie, die gij hun hebt afgevorderd. ~
1642 Neh 5:14 | dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het
1643 Neh 5:15 | zilveren sikkelen; ook heersten hun jongens over het volk; maar
1644 Neh 6:4 | wijze. En ik antwoordde hun op dezelfde wijze. ~
1645 Neh 6:6 | gij den muur, en gij zult hun ten koning zijn; naar dat
1646 Neh 6:9 | vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk
1647 Neh 6:16 | en zij vervielen zeer in hun ogen; want zij merkten,
1648 Neh 7:61 | hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij
1649 Neh 7:63 | Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was. ~
1650 Neh 7:64 | 64 Dezen zochten hun geschrift, willende hun
1651 Neh 7:64 | hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het
1652 Neh 7:67 | 67 Behalve hun knechten en hun maagden,
1653 Neh 7:67 | Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven
1654 Neh 7:68 | 68 Hun paarden, zevenhonderd zes
1655 Neh 7:68 | zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd
1656 Neh 7:73 | gans Israel, woonden in hun steden. ~ ~
1657 Neh 8:1 | en de kinderen Israels in hun steden waren, ~
1658 Neh 8:13 | woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt. ~
1659 Neh 8:16 | stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem,
1660 Neh 8:17 | iegelijk op zijn dak, en in hun voorhoven, en in de voorhoven
1661 Neh 9:2 | en deden belijdenis van hun zonden en hunner vaderen
1662 Neh 9:3 | als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij
1663 Neh 9:3 | en aanbaden den HEERE, hun God. ~
1664 Neh 9:4 | luider stem tot den HEERE, hun God; ~
1665 Neh 9:6 | hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat
1666 Neh 9:9 | ellende in Egypte, en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee; ~
1667 Neh 9:11 | En Gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat
1668 Neh 9:11 | droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt Gij in de
1669 Neh 9:13 | uit den hemel; en Gij hebt hun gegeven rechtmatige rechten,
1670 Neh 9:14 | bekend gemaakt; en Gij hebt hun geboden, en inzettingen
1671 Neh 9:15 | 15 En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven
1672 Neh 9:15 | uit den hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit
1673 Neh 9:15 | gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht
1674 Neh 9:15 | steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen
1675 Neh 9:15 | hand ophieft, dat Gij het hun zoudt geven. ~
1676 Neh 9:16 | gehandeld, en zij hebben hun nek verhard, en niet gehoord
1677 Neh 9:17 | hen gedaan hadt, en hebben hun nek verhard, en in hun wederspannigheid
1678 Neh 9:17 | hebben hun nek verhard, en in hun wederspannigheid een hoofd
1679 Neh 9:17 | gesteld, om weder te keren tot hun dienstbaarheid. Doch Gij,
1680 Neh 9:20 | hebt Gij niet geweerd van hun mond, en water hebt Gij
1681 Neh 9:20 | mond, en water hebt Gij hun gegeven voor hun dorst. ~
1682 Neh 9:20 | hebt Gij hun gegeven voor hun dorst. ~
1683 Neh 9:21 | hebben geen gebrek gehad; hun klederen zijn niet veroud,
1684 Neh 9:21 | klederen zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen. ~
1685 Neh 9:22 | 22 Voorts hebt Gij hun koninkrijken en volken gegeven,
1686 Neh 9:23 | 23 Gij hebt ook hun kinderen vermenigvuldigd,
1687 Neh 9:23 | het land, waarvan Gij tot hun vaderen hadt gezegd, dat
1688 Neh 9:24 | lands, de Kanaanieten, voor hun aangezicht ten ondergebracht,
1689 Neh 9:24 | ondergebracht, en hebt hen in hun hand gegeven, mitsgaders
1690 Neh 9:24 | hand gegeven, mitsgaders hun koningen en de volken des
1691 Neh 9:24 | om daarmede te doen naar hun welgevallen. ~
1692 Neh 9:26 | gerebelleerd, en Uw wet achter hun rug geworpen, en Uw profeten
1693 Neh 9:27 | van den hemel gehoord, en hun naar Uw grote barmhartigheden
1694 Neh 9:29 | leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetogen, en
1695 Neh 9:29 | schouder teruggetogen, en hun nek verhard, en niet gehoord. ~
1696 Neh 9:35 | hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw menigvuldig
1697 Neh 9:35 | menigvuldig goed, dat Gij hun gaaft, en in dat wijde en
1698 Neh 9:35 | vette land, dat Gij voor hun aangezicht gegeven hadt;
1699 Neh 9:35 | hebben zich niet bekeerd van hun boze werken. ~
1700 Neh 9:37 | over onze beesten, naar hun welgevallen; alzo zijn wij
1701 Neh 10:10 | 10 En hun broederen: Sebanja, Hodia,
1702 Neh 10:28 | afgescheiden tot Gods wet, hun vrouwen, hun zonen en hun
1703 Neh 10:28 | tot Gods wet, hun vrouwen, hun zonen en hun dochteren,
1704 Neh 10:28 | hun vrouwen, hun zonen en hun dochteren, al wie wetenschap
1705 Neh 10:29 | 29 Die hielden zich aan hun broederen, hun voortreffelijken,
1706 Neh 10:29 | zich aan hun broederen, hun voortreffelijken, en kwamen
1707 Neh 10:30 | de volken des lands, noch hun dochteren nemen voor onze
1708 Neh 11:3 | iegelijk op zijn bezitting, in hun steden, Israel, de priesters,
1709 Neh 11:12 | 12 En hun broederen, die het werk
1710 Neh 11:14 | 14 En hun broederen, dappere helden,
1711 Neh 11:19 | poortiers: Akkub, Talmon, met hun broederen, die wacht hielden
1712 Neh 11:25 | 25 In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen
1713 Neh 12:7 | hoofden der priesteren, en hun broederen, in de dagen van
1714 Neh 12:9 | 9 En Bakbukja, en Unni, hun broederen, waren tegen hen
1715 Neh 12:24 | de zoon van Kadmiel, en hun broederen tegen hen over,
1716 Neh 12:27 | zochten zij de Levieten uit al hun plaatsen, dat zij hen te
1717 Neh 12:36 | schriftgeleerde, ging voor hun aangezicht heen. ~
1718 Neh 13:10 | ik, dat der Levieten deel hun niet gegeven was; zodat
1719 Neh 13:11 | hen, en herstelde ze in hun stand. ~
1720 Neh 13:13 | uit de Levieten; en aan hun hand Hanan, den zoon van
1721 Neh 13:13 | werden getrouw geacht, en hun werd opgelegd aan hun broederen
1722 Neh 13:13 | en hun werd opgelegd aan hun broederen uit te delen. ~
1723 Neh 13:24 | 24 En hun kinderen spraken half Asdodisch,
1724 Neh 13:25 | mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed
1725 Neh 13:25 | Indien gij uw dochteren hun zonen zult geven, en indien
1726 Neh 13:25 | geven, en indien gij van hun dochteren voor uw zonen
1727 Est 16:4 | bestaan zouden; want hij had hun te kennen gegeven, dat hij
1728 Est 16:8 | landschappen uws koninkrijks; en hun wetten zijn verscheiden
1729 Est 16:13 | maand Adar), en dat men hun buit zou roven. ~
1730 Est 17:4 | bestaan zouden; want hij had hun te kennen gegeven, dat hij
1731 Est 17:8 | landschappen uws koninkrijks; en hun wetten zijn verscheiden
1732 Est 17:13 | maand Adar), en dat men hun buit zou roven. ~
1733 Est 28:4 | 11 En Haman vertelde hun de heerlijkheid zijns rijkdoms,
1734 Est 49:2 | spraak; ook aan de Joden naar hun schrift en naar hun spraak. ~
1735 Est 49:2 | naar hun schrift en naar hun spraak. ~
1736 Est 49:4 | zich te vergaderen, en voor hun leven te staan, om te verdelgen,
1737 Est 49:4 | kinderen en de vrouwen, en hun buit te roven; ~
1738 Est 49:6 | dag, om zich te wreken aan hun vijanden. ~
1739 Est 50:1 | want de Joden heersten over hun haters. ~
1740 Est 50:2 | Joden vergaderden zich in hun steden, in al de landschappen
1741 Est 50:2 | te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand
1742 Est 50:5 | De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met den slag des
1743 Est 50:5 | verderving; en zij deden met hun haters naar hun welbehagen. ~
1744 Est 50:5 | deden met hun haters naar hun welbehagen. ~
1745 Est 50:10 | doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof. ~
1746 Est 52:2 | mannen; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof. ~
1747 Est 52:3 | opdat zij stonden voor hun leven, en rust hadden van
1748 Est 52:3 | leven, en rust hadden van hun vijanden, en zij doodden
1749 Est 52:3 | vijanden, en zij doodden onder hun haters vijf en zeventig
1750 Est 52:3 | duizend; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof. ~
1751 Est 52:9 | tot rust gekomen waren van hun vijanden, en de maand, die
1752 Est 52:9 | vijanden, en de maand, die hun veranderd was van droefenis
1753 Est 52:14 | en namen op zich en op hun zaad, en op allen, die zich
1754 Est 52:15 | geen einde nemen zou bij hun zaad. ~
1755 Est 53:2 | Purim bevestigen zouden op hun bestemde tijden, gelijk
1756 Est 54 | voor zichzelven en voor hun zaad; de zaken van het vasten
1757 Job 1:4 | zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen
1758 Job 1:5 | brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide:
1759 Job 1:5 | kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed
1760 Job 1:13 | dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene. ~
1761 Job 1:14 | de ezelinnen weidende aan hun zijden. ~
1762 Job 1:18 | dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene; ~
1763 Job 2:12 | 12 En toen zij hun ogen van verre ophieven,
1764 Job 2:12 | zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe
1765 Job 2:12 | mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar den hemel. ~
1766 Job 3:8 | des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken; ~
1767 Job 3:15 | vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden. ~
1768 Job 4:21 | 21 Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij
1769 Job 5:5 | had; de struikrover slokte hun vermogen in. ~
1770 Job 5:12 | gedachten der arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten. ~
1771 Job 5:13 | 13 Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad
1772 Job 5:15 | behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des
1773 Job 8:10 | leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen? ~
1774 Job 11:20 | zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de
1775 Job 12:18 | Hij bindt den gordel aan hun lenden. ~
1776 Job 14:12 | zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden. ~
1777 Job 15:18 | verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft; ~
1778 Job 15:29 | vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet
1779 Job 15:35 | en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan. ~ ~
1780 Job 16:10 | 10 Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan
1781 Job 17:4 | 4 Want hun hart hebt Gij van kloek
1782 Job 19:15 | een uitlander ben ik in hun ogen. ~
1783 Job 21:8 | 8 Hun zaad is bestendig met hen
1784 Job 21:8 | is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten
1785 Job 21:8 | voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen. ~
1786 Job 21:8 | en hun spruiten zijn voor hun ogen. ~
1787 Job 21:9 | 9 Hun huizen hebben vrede zonder
1788 Job 21:11 | 11 Hun jonge kinderen zenden zij
1789 Job 21:11 | zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen. ~
1790 Job 21:13 | het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik
1791 Job 21:16 | 16 Doch ziet, hun goed is niet in hun hand;
1792 Job 21:16 | ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen
1793 Job 21:17 | goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat
1794 Job 21:17 | uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten
1795 Job 21:17 | verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn
1796 Job 21:29 | op den weg, en kent gij hun tekenen niet? ~
1797 Job 22:16 | niet was; een vloed is over hun grond uitgestort; ~
1798 Job 22:17 | En wat had de Almachtige hun gedaan? ~
1799 Job 22:18 | 18 Hij had immers hun huizen met goed gevuld;
1800 Job 22:20 | verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft. ~
1801 Job 24:5 | woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg
1802 Job 24:11 | 11 Tussen hun muren persen zij olie uit,
1803 Job 24:17 | 17 Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des
1804 Job 24:18 | der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt
1805 Job 24:23 | nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen. ~
1806 Job 26:5 | van onder de wateren, en hun inwoners. ~
1807 Job 29:9 | in, en leiden de hand op hun mond. ~
1808 Job 29:10 | vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte. ~
1809 Job 29:10 | en hun tong kleefde aan hun gehemelte. ~
1810 Job 29:23 | naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den
1811 Job 29:24 | 24 Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet;
1812 Job 29:25 | 25 Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan,
1813 Job 30:9 | 9 Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden,
1814 Job 30:9 | snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord. ~
1815 Job 30:12 | uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen. ~
1816 Job 31:16 | 16 Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb,
1817 Job 33:16 | lieden, en Hij verzegelt hun kastijding; ~
1818 Job 34:24 | kan, en stelt anderen in hun plaats. ~
1819 Job 34:25 | 25 Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij
1820 Job 35:9 | 9 Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten
1821 Job 36:9 | 9 Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun
1822 Job 36:9 | 9 Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen,
1823 Job 36:9 | hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij
1824 Job 36:11 | Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede,
1825 Job 36:11 | eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden. ~
1826 Job 36:14 | 14 Hun ziel zal in de jonkheid
1827 Job 36:14 | de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens. ~
1828 Job 36:20 | nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden. ~
1829 Job 37:15 | En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en
1830 Job 39:7 | verpletter de goddelozen in hun plaats! ~
1831 Job 39:8 | zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen! ~
1832 Psa 2:3 | 3 Laat ons hun banden verscheuren, en hun
1833 Psa 2:3 | hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. ~
1834 Psa 4:8 | meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd
1835 Psa 4:8 | ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. ~
1836 Psa 5:10 | 10 Want in hun mond is niets rechts, hun
1837 Psa 5:10 | hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving,
1838 Psa 5:10 | binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met
1839 Psa 5:10 | keel is een open graf, met hun tong vleien zij. ~
1840 Psa 5:11 | laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen
1841 Psa 9:6 | den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in
1842 Psa 9:21 | 21 O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen
1843 Psa 10:17 | zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal
1844 Psa 11:2 | spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in
1845 Psa 14:1 | maken het gruwelijk met hun werk; er isniemand, die
1846 Psa 16:4 | vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet
1847 Psa 16:4 | van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet
1848 Psa 17:10 | 10 Met hun vet besluiten zij zich,
1849 Psa 17:10 | besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk. ~
1850 Psa 17:11 | nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende. ~
1851 Psa 17:14 | verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens
1852 Psa 17:14 | zij laten hun overschot hun kinderkens achter. ~
1853 Psa 18:42 | HEERE, maar Hij antwoordde hun niet. ~
1854 Psa 18:45 | 45 Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben
1855 Psa 18:46 | en hebben gesidderd uit hun sloten. ~
1856 Psa 19:4 | geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord. ~
1857 Psa 19:5 | 5 Hun richtsnoer gaat uit over
1858 Psa 19:5 | over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der
1859 Psa 21:11 | 11 Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen,
1860 Psa 21:11 | van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der
1861 Psa 21:13 | Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen. ~
1862 Psa 22:14 | 14 Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd,
1863 Psa 25:14 | vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken. ~
1864 Psa 28:3 | die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in
1865 Psa 28:3 | naasten, maar kwaad is in hun hart. ~
1866 Psa 28:4 | 4Geef hun naar hun doen, en naar de
1867 Psa 28:4 | 4Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid
1868 Psa 28:4 | hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk;
1869 Psa 28:4 | hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren. ~
1870 Psa 33:6 | den Geest Zijns monds al hun heir. ~
1871 Psa 33:15 | 15 Hij formeert hun aller hart; Hij let op al
1872 Psa 33:15 | aller hart; Hij let op al hun werken. ~
1873 Psa 33:19 | 19 Om hun ziel van den dood te redden,
1874 Psa 34:6 | den Geest Zijns monds al hun heir. ~
1875 Psa 34:15 | 15 Hij formeert hun aller hart; Hij let op al
1876 Psa 34:15 | aller hart; Hij let op al hun werken. ~
1877 Psa 34:19 | 19 Om hun ziel van den dood te redden,
1878 Psa 35:6 | waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood
1879 Psa 35:16 | rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep. ~
1880 Psa 35:17 | degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde
1881 Psa 35:18 | en Hij redt hen uit al hun benauwdheden. ~
1882 Psa 36:6 | 6 Hun weg zij duister en gans
1883 Psa 36:7 | zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen;
1884 Psa 36:15 | merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet
1885 Psa 36:16 | knersten zij over mij met hun tanden. ~
1886 Psa 36:21 | 21 En zij sperren hun mond wijd op tegen mij;
1887 Psa 36:25 | Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat
1888 Psa 38:14 | zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige
1889 Psa 38:15 | 15 Hun zwaard zal in hunlieder
1890 Psa 38:15 | hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden. ~
1891 Psa 38:18 | dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid
1892 Psa 38:39 | rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid. ~
1893 Psa 42:11 | richt mij op; en ik zal het hun vergelden. ~
1894 Psa 44:2 | hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds. ~
1895 Psa 44:4 | het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft
1896 Psa 44:4 | geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil
1897 Psa 44:4 | zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar
1898 Psa 44:13 | waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet. ~
1899 Psa 49:7 | Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de
1900 Psa 49:11 | onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten. ~
1901 Psa 49:12 | 12 Hun binnenste gedachte is, dat
1902 Psa 49:12 | binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid,
1903 Psa 49:12 | zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot
1904 Psa 49:12 | zij noemen de landen naar hun namen. ~
1905 Psa 49:14 | 14 Deze hun weg is een dwaasheid van
1906 Psa 49:14 | van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen
1907 Psa 49:14 | nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela. ~
1908 Psa 49:15 | morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk
1909 Psa 54:5 | zij stellen God niet voor hun ogen. Sela. ~
1910 Psa 55:10 | Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel
1911 Psa 55:16 | 16 Dat hun de dood als een schuldeiser
1912 Psa 55:16 | want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste
1913 Psa 55:24 | bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen;
1914 Psa 56:6 | verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij
1915 Psa 56:8 | 8 Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan?
1916 Psa 57:5 | spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard. ~
1917 Psa 58:7 | 7 O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek
1918 Psa 58:7 | verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden
1919 Psa 59:8 | overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun
1920 Psa 59:8 | hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het? ~
1921 Psa 59:13 | laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om den vloek,
1922 Psa 62:5 | hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met
1923 Psa 62:5 | mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela. ~
1924 Psa 64:4 | 4 Die hun tong scherpen als een zwaard,
1925 Psa 64:4 | bitter woord aanleggen als hun pijl; ~
1926 Psa 64:8 | haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er. ~
1927 Psa 64:9 | 9 En hun tong zal hen doen aanstoten
1928 Psa 68:28 | de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten
1929 Psa 69:12 | kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden. ~
1930 Psa 69:23 | 23 Hun tafel worde voor hun aangezicht
1931 Psa 69:23 | 23 Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik,
1932 Psa 69:24 | 24 Laat hun ogen duister worden, dat
1933 Psa 69:24 | dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen. ~
1934 Psa 69:26 | 26 Hun paleis zij verwoest; in
1935 Psa 69:26 | paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner. ~
1936 Psa 69:28 | 28 Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet
1937 Psa 72:14 | 14 Hij zal hun zielen van list en geweld
1938 Psa 72:14 | en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn
1939 Psa 73:4 | er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht
1940 Psa 73:4 | banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. ~
1941 Psa 73:7 | 7 Hun ogen puilen uit van vet;
1942 Psa 73:9 | 9 Zij zetten hun mond tegen den hemel, en
1943 Psa 73:9 | mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde. ~
1944 Psa 73:10 | zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers
1945 Psa 73:17 | heiligdommen inging, en op hun einde merkte. ~
1946 Psa 73:20 | opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten. ~
1947 Psa 74:4 | vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld. ~
1948 Psa 74:8 | 8 Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons
1949 Psa 76:6 | beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen
1950 Psa 76:6 | de dappere mannen hebben hun handen gevonden. ~
1951 Psa 78:4 | het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende
1952 Psa 78:5 | geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken; ~
1953 Psa 78:6 | opstaan, en vertellen ze hun kinderen; ~
1954 Psa 78:7 | 7 En dat zij hun hoop op God zouden stellen,
1955 Psa 78:8 | niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en
1956 Psa 78:11 | en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien. ~
1957 Psa 78:12 | 12 Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan,
1958 Psa 78:18 | En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar
1959 Psa 78:18 | hart, begerende spijs naar hun lust. ~
1960 Psa 78:24 | het Man om te eten, en gaf hun hemels koren. ~
1961 Psa 78:25 | der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging. ~
1962 Psa 78:29 | werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht. ~
1963 Psa 78:29 | zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht. ~
1964 Psa 78:30 | waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog
1965 Psa 78:30 | vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond, ~
1966 Psa 78:30 | lust; hun spijs was nog in hun mond, ~
1967 Psa 78:31 | hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen
1968 Psa 78:33 | 33 Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid,
1969 Psa 78:33 | vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking. ~
1970 Psa 78:35 | 35 En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de
1971 Psa 78:35 | en God, de Allerhoogste, hun Verlosser. ~
1972 Psa 78:36 | 36 En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun
1973 Psa 78:36 | hun mond, en logen Hem met hun tong.
1974 Psa 78:37 | 37 Want hun hart was niet recht met
1975 Psa 78:44 | 44 En hun vloeden in bloed veranderde,
1976 Psa 78:44 | in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet
1977 Psa 78:46 | 46 En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en
1978 Psa 78:46 | gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan. ~
1979 Psa 78:47 | 47 Hij doodde hun wijnstok door den hagel,
1980 Psa 78:47 | wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen
1981 Psa 78:48 | 48 Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun
1982 Psa 78:48 | hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen. ~
1983 Psa 78:50 | Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood;
1984 Psa 78:50 | ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de
1985 Psa 78:53 | vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt. ~
1986 Psa 78:55 | 55 En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen,
1987 Psa 78:55 | deed de stammen Israels in hun tenten wonen. ~
1988 Psa 78:57 | handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd,
1989 Psa 78:58 | verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem
1990 Psa 78:58 | verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden. ~
1991 Psa 78:63 | 63 Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge
1992 Psa 78:63 | verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet
1993 Psa 78:64 | 64 Hun priesters vielen door het
1994 Psa 78:64 | vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet. ~
1995 Psa 78:66 | het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan. ~
1996 Psa 79:3 | 3 Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als
1997 Psa 79:10 | heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten
1998 Psa 79:12 | naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede
1999 Psa 79:12 | zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o
2000 Psa 81:13 | harten, dat zij wandelden in hun raadslagen. ~
1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2500 | 2501-3000 | 3001-3500 | 3501-3731 |