Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Congregatie voor de geloofsleer
Dominus Jesus

IntraText - Concordances

(Hapax - words occurring once)
0sser-inspa | inspi-voltr | vonni-zulle

                                                            bold = Main text
     Chapter,  Paragraph                                    grey = Comment text
1 V,9(73) | Ecclesia in Asia, 17: L'0sservatore Romano, 7 november 1999, 2 V,9(70) | dominica oratione, 23: CCL 3A, 105. ~ 3 V,9(73) | In Mt. Hom., 14,7: PG 13, 1197; Tertullianus, Adversus 4 IV,8(49) | 90, Sermo 2,1: CCL 39, 1266; H.Gregorius de Grote, Moralia 5 III,8(45) | Demonstratio apostolica, 39: SC 406,138). ~ 6 I,4(17) | van de Katholieke Kerk, 144. ~ 7 I,4(24) | van de overleveringen: DS 1501; Eerste Vaticaans Concilie, 8 II,6(34) | over de Erfzonde, 3: DS 1513. ~ 9 I,4(19) | Ibid., 153. ~ 10 VI,11(88) | sacramenten in het algemeen: DS 1608. ~ 11 IV,8(53) | Cyprianus, Epist. 33, 1: CCL 3B, 164-165; H. Augustinus, Contra 12 IV,8(53) | Epist. 33, 1: CCL 3B, 164-165; H. Augustinus, Contra advers. 13 V,9(72) | de Didaché 9,4 (SC 248, 176) luidt: "Uw Kerk worde van 14 I,4(20) | Ibid., 178. ~ 15 V,9(72) | Rijk." Ibid. 10,5 (SC 248, 180) heet het: "Gedenk, o Heer, 16 IV,8(56) | Leonardo Boff OFM : AAS 77 [1985] 758vlg.). ~ 17 I,3(13) | Incarnatione, 54, 3: SC 199, 458. ~ 18 III,7 | de Redder van de wereld" (1Joh. 4,14). "Ziet het Lam Gods, 19 II,6 | geschiedenis (vgl. 1Kor. 10,4; 1Petr. 1,10-12). Het Tweede 20 Sl,12 | kardinaal-prefect op 16 juni 2000 heeft verleend, deze verklaring, 21 IV,8(53) | haereses, II, 3, 1-3: SC 2111, 20-44; H. Cyprianus, Epist. 22 V,9(70) | Cyprianus, De dominica oratione, 23: CCL 3A, 105. ~ 23 Inl,1(2) | missio, 1: AAS 83 (1991) 249. ~ 24 VI,10(80) | unitate ecclesiae, 6: CCL 3, 253-254; H.Irenaeus, Adversus 25 II,5(31) | missio, 6: AAS 83 (1991) 254vlg. ~ 26 III,8(46) | missio, 6: AAS 83 (1991) 255. ~ 27 VI,11(90) | missio, 11: AAS 83 (1991) 259vlg. ~ 28 V,10(75) | Ibid., 15: nn. 263. ~ 29 V,10(76) | Ibid., 17: nn. 264vlg. ~ 30 V,9(73) | missio, 18: AAS 83 (1991) 265vlg; vgl. Apostolische Brief 31 II,6(39) | missio, 28-29: AAS 83 (1991) 273-275. ~ 32 II,6(38) | missio, 28: AAS 83 (1991) 274. Over de "zaden van het 33 VI,11(91) | missio, 36: AAS 83 (1991) 281. ~ 34 II,5(32) | dilectionis tuae aan Flavianus: DS 294. ~ 35 I,4(22) | Vgl. ibid., 31-32: nn. 29vlg. ~ 36 I,4 | Joh. 20,31; 2Tim. 3,16; 2Petr. 1,19-21; 3,15-16), God 37 I,4 | geschreven, (vgl. Joh. 20,31; 2Tim. 3,16; 2Petr. 1,19-21; 3, 38 I,4(24) | Dei Filius, hfdstk. 2: DS 3006. ~ 39 I,4(27) | missio, 55: AAS 83 (1991) 302vlg. ; vgl. ook ibid., 56: n. 40 I,4(27) | vgl. ook ibid., 56: n.304vlg.; Paulus VI, Apostolische 41 IV,9(60) | Constitutie Pastor aeternus: DS 3053-3064; Tweede Vaticaans Concilie, 42 IV,9(60) | Pastor aeternus: DS 3053-3064; Tweede Vaticaans Concilie, 43 III,7(42) | Gods 10, 32, 2: CCL 47, 312). ~ 44 II,5(33) | werden." Vgl. ook ibid.: DS 317. ~ 45 II,5(33) | memini aan keizer Leo I: DS 318: "De godheid en de mensheid ( 46 VI,11(92) | Encycliek Mystici corporis: DS 3821. ~ 47 VI,10(82) | aartsbisschop van Boston: DS 3866-3872. ~ 48 VI,10(82) | aartsbisschop van Boston: DS 3866-3872. ~ 49 IV,9(58) | ecclesiae, 1: AAS 65 (1973) 396-398. ~ 50 V,9(70) | dominica oratione, 23: CCL 3A, 105. ~ 51 IV,8(53) | Cyprianus, Epist. 33, 1: CCL 3B, 164-165; H. Augustinus, 52 II,6(35) | Constitutie Lumen gentium, 3vlg. ~ 53 III,8(45) | Demonstratio apostolica, 39: SC 406,138). ~ 54 Inl,1(7) | verkondiging, 9: AAS 84 (1992) 417vlg. ~ 55 I,4(27) | nuntiandi, 53: AAS 68 (1976) 41vlg. ~ 56 III,7 | zonden ontvangt" (Hand. 10,36.42.43). ~Paulus schrijft aan 57 Inl,1(5) | verkondiging, 29: AAS 84 (1992) 424; vgl. Tweede Vaticaans Concilie, 58 III,7 | ontvangt" (Hand. 10,36.42.43). ~Paulus schrijft aan de 59 IV,8(53) | II, 3, 1-3: SC 2111, 20-44; H. Cyprianus, Epist. 33, 60 I,3(13) | Incarnatione, 54, 3: SC 199, 458. ~ 61 Inl,1 | Mt. 28,18-20; vgl. Lc. 24,46-48; Joh. 17,18; 20,21; Hand. 62 III,7(42) | Stad Gods 10, 32, 2: CCL 47, 312). ~ 63 VI,10(80) | III, 24, 1: SC 211, 472-474. ~ 64 IV,8(53) | prophet. , 1, 20, 39: CCL 49, 70. ~ 65 IV,8(49) | Praefatio 6,14: PL 75, 525; H. Thomas van Aquino, Summa 66 I,4(27) | Brief Evangelii nuntiandi, 53: AAS 68 (1976) 41vlg. ~ 67 I,3(13) | Alexandrië, De Incarnatione, 54, 3: SC 199, 458. ~ 68 I,4(27) | 302vlg. ; vgl. ook ibid., 56: n.304vlg.; Paulus VI, Apostolische 69 Sl,12(102)| Ibid., 70: nn. 59. 70 III,7(43) | Constitutie Lumen gentium, 62. ~ 71 V,9(73) | Marcionem, IV, 33, 8: CCL 1, 634. ~ 72 IV,8(49) | Iob, Praefatio 6,14: PL 75, 525; H. Thomas van Aquino, 73 IV,8(56) | Boff OFM : AAS 77 [1985] 758vlg.). ~ 74 Inl,1(3) | nuntiandi: AAS 68 (1976), 5-76; Johannes Paulus II, Encycliek 75 IV,8(56) | Leonardo Boff OFM : AAS 77 [1985] 758vlg.). ~ 76 Sl,12(101)| Ibid., 92: nn. 77vlg. ~ 77 VI,10(82) | Het katholieke geloof: DS 802) geïnterpreteerd worden. 78 VI,11(87) | van de Katholieke Kerk, 843. ~ 79 VI,10(78) | van de Katholieke Kerk, 846-847. ~ 80 VI,10(78) | de Katholieke Kerk, 846-847. ~ 81 IV,9(59) | notio, 17: AAS 85 (1993) 848. ~ 82 VI,11(96) | van de Katholieke Kerk, 851; vgl. ook ibid., 849-856. ~ 83 VI,11(96) | 851; vgl. ook ibid., 849-856. ~ 84 IV,8(51) | Bulle Unam Sanctam: DS 870-872; Tweede Vaticaans Concilie, 85 IV,8(51) | Bulle Unam Sanctam: DS 870-872; Tweede Vaticaans Concilie, 86 II,6(38) | Goodspeed (Uitg.), 84, 85, 88-89. ~ 87 II,6(38) | Goodspeed (Uitg.), 84, 85, 88-89. ~ 88 IV,8(49) | Enarratio in psalmos, Ps. 90, Sermo 2,1: CCL 39, 1266; 89 Sl,12(101)| Ibid., 92: nn. 77vlg. ~ 90 IV,8(52) | sint, 11: AAS 87 (1995) 927. ~ 91 IV,8(55) | sint, 13: AAS 87 (1995) 928vlg. ~ 92 IV,9(65) | sint, 14: AAS 87 (1995) 929. ~ 93 IV,8(49) | Theologiae, III, q. 48, a. 2 ad 1. ~ 94 Inl,1 | en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt, die gesproken 95 Inl,1 | die zij aan de mensheid aanbieden, verklaart het Tweede Vaticaans 96 I,4 | wil aan God die openbaart' aanbiedt, en vrij instemt met de 97 Inl,1 | Vandaar de bijzondere aandacht van het Leergezag om redenen 98 V,10 | houden, dat "het Rijk allen aangaat: de individuen, de maatschappij, 99 VI,11 | Dit theologische werk moet aangemoedigd worden, want het is zonder 100 I,4 | inzicht in dit mysterie op aangepaste wijze".21 De innerlijke 101 II,6 | fundamentele waarheid opnieuw aangescherpt in het geloofsbewustzijn 102 II,6 | de levenden en de doden aangesteld." 34 Dit middelaarschap 103 III,7 | allen" is, "de door God aangestelde Rechter over de levenden 104 VI,11 | van de mensen ertoe worden aangezet zich open te stellen voor 105 I,4 | feitelijk het leven van hun aanhangers voeden en leiden, ontvangen 106 III,8 | rechterhand deed plaatsnemen, Hem aanstellend tot Rechter over levenden 107 Inl,2 | enkele wezenlijke problemen aanstippen die open blijven staan voor 108 V | vormt daarom de kiem en aanvang ervan. Het Rijk Gods heeft 109 III,7 | uitgenodigd na te denken over de aanwezigheid van andere religieuze ervaringen 110 III,8 | uniciteit", "universaliteit" of "absoluutheid" te vermijden, omdat daardoor 111 V,10 | opvattingen "die bewust het accent leggen op het Rijk, zich ' 112 V,10 | noodzakelijk eenzijdige accentueringen te vermijden, hetgeen het 113 Inl,2 | waarheden beschouwd als achterhaald, zoals bijvoorbeeld het 114 II,6 | De tegenwoordigheid en de activiteit van de Geest raken niet 115 VI,11 | evangelisering, slechts een van de activiteiten van de Kerk bij haar zending 116 Inl,1 | elke gedoopte gelovige nu actueler dan ooit: "De verkondiging 117 IV,8(53) | 165; H. Augustinus, Contra advers. legis et prophet. , 1, 118 IV,9(60) | Dogmatische Constitutie Pastor aeternus: DS 3053-3064; Tweede Vaticaans 119 VI | het geloof en het doopsel afgekondigd (vgl. Mc. 16,16; Joh. 3, 120 Inl,1 | verkondigd en er getuigenis van afgelegd. Maar aan het einde van 121 I,3 | in menselijke taal niet afgeschaft of begrensd. Ze blijft veeleer 122 IV,9 | Gemeenschappen".65 Daarom "zijn deze afgescheiden Kerken en Gemeenschappen, 123 VI,11 | universele heilswil van God niet afgezwakt, maar eerder versterkt. ~ 124 Sl,12 | mysterie overwint iedere afgrenzing van tijd en ruimte en brengt 125 VI,11 | andere riten, voor zover zij afhankelijk zijn van bijgelovige praktijken 126 I,3 | de openbaring vervult en afsluit en bevestigt met een goddelijk 127 Inl,2 | of tweeduidige posities afwijzen. Om die reden grijpt de 128 Inl,2 | kennis aanvaarden en die aldus het vermogen verliezen " 129 I,3(13) | vgl. H. Athanasius van Alexandrië, De Incarnatione, 54, 3: 130 III,8 | geschiedenis is: 'Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en 131 VI,11(88) | over de sacramenten in het algemeen: DS 1608. ~ 132 VI | leer mag niet tegenover de algemene heilswil van God gezet worden ( 133 II,6 | geschiedenis leven: ze worden allemaal bewogen door de Geest van 134 Inl,1 | Ik geloof in één God, de almachtige Vader, Schepper van hemel 135 II,6 | Kerk werkt. Hij is dus geen alternatief voor Christus en vult niet 136 IV | Nieuwe Testament ook door de analogie van de Kerk als Bruid van 137 II,6(38) | ook H. Justinus, Tweede Apologie 8, 1-2; 10, 1-3; 13, 3-6: 138 III,8(45) | goddelijk leven" (Demonstratio apostolica, 39: SC 406,138). ~ 139 Sl,12 | zekere kennis en met zijn apostolisch gezag bevestigd en bekrachtigd, 140 IV,8(49) | PL 75, 525; H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, 141 IV,8(51) | geloofsbelijdenis van de Armeense Kerk: DS 48; vgl. Bonifatius 142 V,10 | positieve vaak ook negatieve aspecten. Op de eerste plaats zwijgen 143 I,3(13) | Chalcedon: DS 301; vgl. H. Athanasius van Alexandrië, De Incarnatione, 144 Sl,12 | Johannes Paulus II heeft in de audiëntie, die hij aan de ondergetekende 145 Sl,12 | voor de Geloofsleer, op 6 augustus, het feest van de Gedaanteverandering 146 I,4 | 19-21; 3,15-16), God als auteur hebben en als zodanig aan 147 IV,8(56) | De authentieke betekenis van de Concilietekst 148 Sl,12 | blijkt nodig als universele autoriteit." 101 Het christelijke mysterie 149 Inl,2 | logische denkwijze in het Avondland en de symbolische denkwijze 150 Inl,2 | naar boven te keren om het avontuur aan te gaan, tot de waarheid 151 VI | hoewel zij een geheimvolle band heeft met de Kerk, hen niet 152 IV,9 | staan, maar door zeer nauwe banden, zoals de apostolische opvolging 153 VI,11 | Kerk dienen daarenboven te bedenken dat zij hun verheven levensstaat 154 Inl,2 | die door de theologen vrij bediscussieerd worden. De verklaring wil 155 Inl,2 | Kerk wordt tegenwoordig bedreigd door relativistische theorieën, 156 Inl,1 | de missio ad gentes, maar begeleidt haar veeleer, in de richting 157 II,6 | de Heilige Geest en het beginsel van zijn uitstorting over 158 Inl,1 | onder Pontius Pilatus en is begraven. Hij is verrezen op de derde 159 V,10 | zij zeggen, Christus niet begrepen kan worden door wie niet 160 Inl,2 | komen";8 de moeilijkheid te begrijpen en te aanvaarden dat er 161 VI,11 | geoordeeld worden." 93 Men begrijpt dus, dat de Kerk trouw aan 162 Inl,2 | Christus en van de Kerk te behandelen of oplossingen aan te dragen 163 Inl,2 | antwoord geven op de culturele behoeften van onze tijd. ~De taal 164 IV | wat tot haar integriteit behoort, nooit vernietigd worden. 52 ~ 165 VI,11 | tot Jezus Christus, en het behoren tot de Kerk door het doopsel 166 V | van het Rijk, is zij met beiden onlosmakelijk verbonden." 73 ~ 167 I,4 | hart beroert en het tot God bekeert, die de ogen van de geest 168 II,6 | op een wijze die aan God bekend is, aan dit Paasmysterie 169 IV,8(56) | Congregatie voor de Geloofsleer, Bekendmaking over het boek 'Kerk: Charisma 170 VI,11 | duidelijk te maken dat het zich bekeren tot Jezus Christus, en het 171 VI,11 | urgentie het heil en de bekering tot de Heer Jezus Christus 172 Sl,12 | geloof van de Kerk opnieuw te beklemtonen en overtuigend en indringend 173 II,6 | van de mensheid39, maar beklemtoont tegelijkertijd: "Deze Geest 174 Inl,2 | stammen, zonder zich te bekommeren om hun logica en systematische 175 Inl,2 | het doel die waarheden te bekrachtigen die tot het geloofsgoed 176 I,4 | die in de religies hun belangrijkste en wezenlijke uitdrukking 177 II,5 | de vaders hadden geleerd, beleed ook het Concilie van Chalcedon " 178 Inl,2 | de geopenbaarde waarheid belemmeren. Enkele daarvan zijn: de 179 VI,11 | 1Kor. 10,20-21), eerder een belemmering voor het heil vormen. 89 ~ 180 IV,9 | maar, "voor zover zij haar belet, haar universaliteit in 181 Inl,1 | en apostolische Kerk. Ik belijd één doopsel tot vergeving 182 IV | gelovigen zijn ertoe gehouden te belijden dat er een historische, 183 I,3 | hiervan verlangt het geloof de belijdenis dat het vleesgeworden Woord 184 IV | apostolische Kerk".51 De beloften van de Heer, zijn Kerk nooit 185 II,5 | de mensheid het heil te bemiddelen. ~Om van de ene kant de 186 III,8 | onze geschiedenis is: 'Ik ben de Alfa en de Omega, de 187 II,5 | Jezus van Nazareth vaak benaderd als een bijzondere historische 188 Inl,1 | met een open en positieve benadering ten aanzien van de betrekking 189 III,8 | religies op overdreven wijze benadrukt zou worden. In werkelijkheid 190 I,4 | de Kerk echter behoudt de benaming geïnspireerde geschriften 191 II,5 | alleen tot de christenen zou beperken, zij het dat God daarin 192 I,3 | menselijke werkelijkheden beperkt zijn, als bron de goddelijke 193 V,9(72) | Rijk, dat U voor haar hebt bereid." ~ 194 VI,11 | afzonderlijke niet-christenen bereikt, stelt het Tweede Vaticaans 195 I,4 | Geest zijn die het hart beroert en het tot God bekeert, 196 Inl,2 | gebeurtenissen zijn; het beroven van de gebeurtenis van de 197 Sl,12 | Ratzinger~Prefect ~Tarcisio Bertone, S.D.B.~Aartsbisschop emeritus 198 III,8 | de geschiedenis en van de beschaving convergeren, het centrum 199 II,6 | van het Woord tot ons heil beschouwt als een trinitaire gebeurtenis. 200 V,10 | zichzelf denkt, maar geheel in beslag wordt genomen door het getuigenis 201 II,6 | als Hij het in zijn wil beslist (vgl. Ef. 1,11). "Want wie 202 I,4 | Geest".20 ~Daarom moet met beslistheid vastgehouden worden aan 203 Sl,12 | en tot publicatie ervan besloten. ~Rome, bij de zetel van 204 IV | buiten haar schoot meerdere bestanddelen van heiliging en waarheid 205 IV | verenigde bisschoppen wordt bestuurd." 54 Met de term "subsistit 206 V | Christus volkomen eenduidige betekenisinhouden afleiden, ook niet van hun 207 III,7 | participerende middelaarschap betekent, dat echter altijd genormeerd 208 VI | reflectie moet inslaan, om de betrekkingen van de Kerk en de religies 209 I,3 | niet door Jezus Christus, bevat en verkondigd kan worden. 210 VI,11 | staat van ernstig tekort bevinden in vergelijking met hen 211 Sl,12 | onderhouden alles wat Ik u bevolen heb' (Mt. 28,19-20). Van 212 V,10 | deze omvormt, erkennen en bevorderen. Het Rijk opbouwen wil zeggen: 213 I,4 | mysterie binnen te gaan; het bevordert het inzicht in dit mysterie 214 V,10 | wil zeggen: werken voor de bevrijding uit het kwaad in al zijn 215 IV,9 | eucharistische mysterie niet bewaard hebben61, zijn geen Kerken 216 Sl,12 | kennen, aan te nemen en te bewaren." 99 ~De openbaring van 217 Inl,2 | nuanceringen nu eens als beweringen, dan weer als hypothesen 218 II,6 | leven: ze worden allemaal bewogen door de Geest van de Vader, 219 VI,11 | godsdiensten van de wereld beziet met oprechte eerbied, maar 220 VI,11 | volheid van de heilsmiddelen bezitten. 92 "Alle kinderen van de 221 III,7 | opvatting heeft geen enkel bijbels fundament. Het hoort immers 222 V | geschiedenis komen. 72 Uit de bijbelse teksten noch uit de getuigenissen 223 VI,11 | zij afhankelijk zijn van bijgelovige praktijken of andere dwalingen ( 224 Inl,2 | beschouwd als achterhaald, zoals bijvoorbeeld het definitieve en volledige 225 III,8 | Het is juist deze unieke bijzonderheid van Christus, die Hem een 226 I,4 | geloof is een persoonlijke binding van de mens aan God en tegelijkertijd, 227 VI | de poort van het doopsel binnengaan." 77 Deze leer mag niet 228 VI | niet formeel in de Kerk binnenleidt, maar hen verlicht op een 229 II,6 | ook in de tijd vóór zijn binnentreden in de geschiedenis (vgl. 230 IV,9 | niet aanvaarden, dat de bisschop van Rome volgens Gods wil 231 IV,9 | daarentegen, die het geldige bisschopsambt en de oorspronkelijke en 232 III,7 | Het hoort immers tot het blijvende geloofsgoed van de Kerk 233 Inl,2 | het vermogen verliezen "de blik naar boven te keren om het 234 IV,8(56) | Geloofsleer, Bekendmaking over het boek 'Kerk: Charisma en macht. 235 IV,8(56) | ecclesiologie' van P. Leonardo Boff OFM : AAS 77 [1985] 758vlg.). ~ 236 IV,8(51) | Armeense Kerk: DS 48; vgl. Bonifatius VIII, Bulle Unam Sanctam: 237 I,4 | waarvoor God, de Waarheid zelf, borg staat17: "Het geloof is 238 VI,10(82) | aan de aartsbisschop van Boston: DS 3866-3872. ~ 239 Inl,1 | Kerk tot evangelisering, bovenal in relatie tot de religieuze 240 I,4 | een door Hem ingestorte bovennatuurlijke deugd"19 is, leidt dus tot 241 III,7 | leiding van het Leergezag een breed werkveld. Het Tweede Vaticaans 242 V,9(72) | o Heer, Uw Kerk (...) en breng haar samen uit de vier windstreken, 243 II,6 | Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. Wie Hij heeft voorbestemd, 244 IV,8(51) | 48; vgl. Bonifatius VIII, Bulle Unam Sanctam: DS 870-872; 245 Sl,12 | geen vreemden meer, zonder burgerrecht, maar medeburgers van de 246 VI,11(88) | Decreet over de sacramenten, can. 8 over de sacramenten in 247 I,4 | hun delen als heilig en canoniek, omdat ze, onder de inwerking 248 I,4 | geschriften voor aan de canonieke boeken van het Oude en van 249 VI,10(80) | Vgl. H.Cyprianus, De catholicae unitate ecclesiae, 6: CCL 250 IV,8(56) | Bekendmaking over het boek 'Kerk: Charisma en macht. Proeve van een 251 VI,11 | in andere religies, die complementair aan de Kerk zouden zijn, 252 III,7 | worden als parallelle en complementaire bemiddelingen." 44 In tegenstelling 253 IV,8(56) | authentieke betekenis van de Concilietekst is daarom in tegenspraak 254 II,5 | zou één van hen zijn. Nog concreter: hij zou één van de vele 255 IV | apostolische opvolging gewortelde continuïteit53 bestaat tussen de door 256 IV,8(53) | 164-165; H. Augustinus, Contra advers. legis et prophet. , 257 VI,11 | in zoverre ze met haar convergeerden tot het eschatologische 258 III,8 | geschiedenis en van de beschaving convergeren, het centrum van de mensheid, 259 VI,11(92) | Pius XII, Encycliek Mystici corporis: DS 3821. ~ 260 Inl,2 | die antwoord geven op de culturele behoeften van onze tijd. ~ 261 I,3 | het evangelie verkondigen, d.w.z. de volheid van de waarheid 262 Sl,12 | Prefect ~Tarcisio Bertone, S.D.B.~Aartsbisschop emeritus van 263 II,5 | vrijwillig zijn bloed gestort en daarmee voor ons het leven verdiend: 264 VI,11 | bijzondere genade van Christus te danken hebben. Indien zij aan die 265 II,5 | het huidige theologische debat wordt Jezus van Nazareth 266 III,7 | door ze aan de enige bron deelachtig te maken." 43 Er is een 267 IV,9 | verbonden blijven, zijn echte deelkerken. 59 Daarom is de Kerk van 268 Sl,12 | verheven manier door de deelname aan zijn mysterie. Deze 269 III,8(45) | van het goddelijk leven" (Demonstratio apostolica, 39: SC 406,138). ~ 270 III,7 | dagen uitgenodigd na te denken over de aanwezigheid van 271 V,10 | Kerk die niet aan zichzelf denkt, maar geheel in beslag wordt 272 Inl,1 | interreligieuze dialoog. Een dergelijk gesprek vervangt zeker niet 273 Inl,2 | Leergezag. ~Wanneer men van dergelijke vooronderstellingen uitgaat 274 I,4 | ingestorte bovennatuurlijke deugd"19 is, leidt dus tot een 275 V,9(72) | God gericht gebed in de Didaché 9,4 (SC 248, 176) luidt: " 276 III,8(45) | rechtvaardige en heilige, de Dienaar van God, aan God welgevallig, 277 VI,11 | Alle kinderen van de Kerk dienen daarenboven te bedenken 278 V,10 | door het getuigenis en de dienst van het Rijk. Het is een ' 279 II,5 | elkaar verzoend en ons aan de dienstbaarheid aan duivel en zonde ontrukt, 280 Sl,12 | mysterie. Deze eenheid is zo diep, dat de Kerk met de heilige 281 VI,11 | theologie, dit thema uit te diepen. Dit theologische werk moet 282 VI,11(98) | Vaticaans Concilie, Verklaring Dignitatis humanae, l. ~ 283 I,4 | eigen leer (...) niettemin dikwijls een straal van die waarheid 284 II,5(32) | Leo de Grote, Brief Lectis dilectionis tuae aan Flavianus: DS 294. ~ 285 III,8(45) | gedachte van de Vader alle dingen; op de aarde is Hij als 286 I,4 | onderscheid wordt in de huidige discussie niet altijd voor ogen gehouden. 287 I,4 | gewoonten, voorschriften en doctrines van de andere godsdiensten 288 V,9(70) | 4; vlg. H. Cyprianus, De dominica oratione, 23: CCL 3A, 105. ~ 289 III,8(45) | welgevallig, volmaakt in alles; doordat Hij allen die Hem volgen, 290 VI,11 | indifferentisme uit, die "doordrongen is van een religieus relativisme, 291 III,7 | verhevigde inspanning nodig om te doorgronden, wat dit participerende 292 III,8 | worden. In werkelijkheid drukken deze woorden alleen de trouw 293 III,8 | Tweede Vaticaans Concilie drukt dit geloofsbesef uit waar 294 I,4 | is, leidt dus tot een dubbele instemming: met God, die 295 V,10 | overigens niet vrij is van dubbelzinnigheid." 76 Zulke opvattingen zijn 296 II,5 | aan de dienstbaarheid aan duivel en zonde ontrukt, zodat 297 I,4 | onderwijzen zeker, trouw en zonder dwaling de waarheid, die God omwille 298 V,10 | wil zeggen: de goddelijke dynamiek, die in de mensengeschiedenis 299 II,6(38) | 1-2; 10, 1-3; 13, 3-6: E.J. Goodspeed (Uitg.), 84, 300 VI,10(82) | ook de uitspraak "Extra Ecclesiam nullus omnino salvatur" (" 301 IV,8(56) | Proeve van een militante ecclesiologie' van P. Leonardo Boff OFM : 302 IV,9 | verbonden blijven, zijn echte deelkerken. 59 Daarom is 303 Inl,2 | in de geschiedenis; het eclecticisme van hen die in het theologisch 304 V | Rijk van Christus volkomen eenduidige betekenisinhouden afleiden, 305 I,3 | Niemand heeft God gezien. De eengeboren Zoon, die God is en aan 306 V,10 | Kerk is het noodzakelijk eenzijdige accentueringen te vermijden, 307 II,5 | vleesgeworden Woord. De eerstgenoemde heilsorde zou universeler 308 IV | vv.). Haar heeft Hij voor eeuwig opgericht als pijler en 309 IV,9 | zijn geen Kerken in de eigenlijke betekenis; degenen die in 310 Inl,1 | missionaire opdracht van elke gedoopte gelovige nu actueler 311 Sl,12 | Bertone, S.D.B.~Aartsbisschop emeritus van Vercelli~Secretaris ~ 312 IV,8(49) | H. Augustinus, Enarratio in psalmos, Ps. 90, Sermo 313 II,5 | ons (...); dezelfde werd enerzijds naar zijn godheid vóór de 314 V | de Kerk loochenen of op enigerlei wijze uithollen. Zeker kan " 315 Inl,1 | één Heer, Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God, vóór alle 316 II,5 | Christus, de Zoon van God, als eniggeborene uit de Vader voortgebracht, 317 IV,8(53) | 2111, 20-44; H. Cyprianus, Epist. 33, 1: CCL 3B, 164-165; 318 II,6 | wij ook voorbestemd tot erfgenamen en ingevoegd in het plan 319 II,6(34) | Trente, Decreet over de Erfzonde, 3: DS 1513. ~ 320 V,10 | is en die deze omvormt, erkennen en bevorderen. Het Rijk 321 II,6 | Christus." 38 Het Leergezag erkent de heilshistorische functie 322 VI,11 | objectief in een staat van ernstig tekort bevinden in vergelijking 323 I,4 | dus met een religieuze ervaring die nog op zoek is naar 324 IV,9 | volledige werkelijkheid van het eucharistische mysterie niet bewaard hebben61, 325 VI,11 | mening dat 'de ene religie even veel waard is als de andere'".91 326 VI,11 | genade kunnen ontvangen, maar evenzeer is zeker dat zij zich objectief 327 VI,11 | of een heilswerkzaamheid ex opere operato toeschrijven, 328 II,5 | geopenbaard op een manier die niet exclusief is, maar aanvullend aan 329 VI,10(82) | betekenis moet ook de uitspraak "Extra Ecclesiam nullus omnino 330 Sl,12 | geroepen, aan de eenheid van de familie van Gods kinderen deel te 331 V,10 | het in zijn historische fase wordt beschouwd - niet identiek 332 Sl,12 | Geloofsleer, op 6 augustus, het feest van de Gedaanteverandering 333 II,5 | manieren en in vele historische figuren aan de mensheid tonen, Jezus 334 II,5 | een bijzondere historische figuur die begrensd is en het goddelijke 335 I,4(24) | Dogmatische Constitutie Dei Filius, hfdstk. 2: DS 3006. ~ 336 II,5(32) | Lectis dilectionis tuae aan Flavianus: DS 294. ~ 337 II,6 | erkent de heilshistorische functie van de Geest in het hele 338 III,7 | heeft geen enkel bijbels fundament. Het hoort immers tot het 339 Inl,1 | en alle volken te dopen: "Ga uit over de hele aarde en 340 Inl,1 | De Heer Jezus gaf, voordat Hij opsteeg naar 341 II,5 | Terwijl wij alle soorten gaven gaan ontdekken en waarderen, 342 V,10 | waarover zij spreken is gebaseerd op een 'theo-centrisme', 343 V,9(72) | 9. Een aan God gericht gebed in de Didaché 9,4 (SC 248, 344 VI,11 | religies bewerkt".86 Sommige gebeden en riten van de andere religies 345 II,6 | Het werken van de Geest gebeurt dus niet buiten of naast 346 Inl,2 | definitieve en eschatologische gebeurtenissen zijn; het beroven van de 347 III,7 | goddelijke heilsplan. Op dit gebied ligt er voor het theologisch 348 Inl,1 | Kerk wordt geboren uit het gebod van Jezus Christus en in 349 Inl,1 | onderhouden alles wat Ik u geboden heb. Zie, Ik zal met u zijn 350 III,7 | van de man die vanaf zijn geboorte verlamd was (vgl. Hand. 351 Inl,1 | Kerk, vandaag de dag ook gebruik van de interreligieuze dialoog. 352 IV,9 | weigert immers niet ze te gebruiken als heilsmiddelen, die hun 353 II,5(33) | menselijke werken zonder God gedaan werden." Vgl. ook ibid.: 354 Sl,12 | augustus, het feest van de Gedaanteverandering van de Heer. ~Joseph Kardinaal 355 Inl,1 | verlicht. 4 Voortgaande in deze gedachtelijn maakt de verkondiging van 356 I,3 | werkelijke bron, zij het gedeeld met de Vader, en de vervulling 357 III,7 | Middelaarschap van Christus: "Gedeeltelijke bemiddelingen van verschillende 358 II,5 | Schrift plechtig het geloof gedefinieerd in "Jezus Christus, de Zoon 359 V,9(72) | SC 248, 180) heet het: "Gedenk, o Heer, Uw Kerk (...) en 360 IV,9 | deze Gemeenschappen zijn gedoopt, zijn echter door het doopsel 361 Inl,1 | missionaire opdracht van elke gedoopte gelovige nu actueler dan 362 Inl,1 | achting voor de levens- en gedragswijze, de voorschriften en het 363 Inl,2 | voorstellen te ontwikkelen en gedragswijzen te stimuleren die een nauwgezet 364 Inl,1 | die Heer is en het leven geeft, die voortkomt uit de Vader 365 II,5 | en waarderen, vooral de geestelijke rijkdommen die God aan ieder 366 V,9(72) | de vier windstreken, de geheiligde, in Uw Rijk, dat U voor 367 Inl,1 | onderscheiden, in hetzelfde geheim van de verlossing in Jezus 368 VI,11 | de Geest van de waarheid gehoorzaamt, is al op de weg naar het 369 I,4 | door de Heilige Geest zijn geïnspireerd. 24 Het Tweede Vaticaans 370 VI,10(82) | katholieke geloof: DS 802) geïnterpreteerd worden. Vgl. ook de Brief 371 II,6 | Want wie Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd 372 IV,8(56) | subsistit" juist daarom gekozen, om duidelijk te maken, 373 Inl,1 | geworden. Hij werd voor ons gekruisigd, Hij heeft geleden onder 374 II,6 | leert het Concilie: "Dit geldt niet alleen voor de christengelovigen, 375 II,5 | hetgeen de vaders hadden geleerd, beleed ook het Concilie 376 VI,11 | voorbereiden, voor zover zij gelegenheden bieden en ertoe opvoeden, 377 VI,11 | heeft betrekking op de gelijke persoonlijke waardigheid 378 I,4 | waarheid, wordt daarom vaak gelijkgesteld met de innerlijke overtuiging 379 VI,11 | zending ad gentes. 97 De gelijkheid, die een voorwaarde is voor 380 II,6 | Hij ook tevoren bestemd gelijkvormig te zijn aan het beeld van 381 VI,11 | zouden zijn, ja ten diepste gelijkwaardig aan haar, in zoverre ze 382 III,7 | heilsmysterie van Jezus Christus geloochend. Deze opvatting heeft geen 383 III,8 | Vaticaans Concilie drukt dit geloofsbesef uit waar het leert: "Het 384 II,6 | opnieuw aangescherpt in het geloofsbewustzijn van de Kerk. In de uiteenzetting 385 III,8 | omdat zij voortkomen uit de geloofsbron zelf. Vanaf het begin heeft 386 III,7 | Met inachtneming van dit geloofsgegeven wordt de theologie van onze 387 IV,9 | al hebben zij vanuit onze geloofsovertuiging tekorten, van gewichtige 388 I,3 | tegenspraak met de voorafgaande geloofsuitspraken, volgens welke in Jezus 389 Sl,12 | verklaring, waarin enkele geloofswaarheden opnieuw in herinnering worden 390 VI,11 | Hand. 17,30-31). 90 Deze geloofswaarheid neemt niets weg van het 391 I,4 | opent en 'het voor iedereen gemakkelijk moet maken, met de waarheid 392 III,7 | Paulus schrijft aan de gemeente van Korinthe: "Want al zijn 393 I,4 | wordt".15 Het geloof is een genadegave: "Om geloof te hebben, moet 394 I,4 | religies. Het geloof is de genadevolle aanneming van de geopenbaarde 395 III,7 | Ter rechtvaardiging van de genezing, in de Naam van Jezus, van 396 V,10 | maar geheel in beslag wordt genomen door het getuigenis en de 397 III,7 | betekent, dat echter altijd genormeerd moet blijven door het enige 398 VI,11 | gered, maar veeleer strenger geoordeeld worden." 93 Men begrijpt 399 I,4 | Het gepaste antwoord op Gods openbaring 400 II,6 | en aan zijn rechterhand geplaatst; Hem heeft Hij tot Rechter 401 III,7 | Leergezag van de Kerk opnieuw gepresenteerd: "De Kerk gelooft dat Christus, 402 II,6 | wijsheid heeft gemaakt, tot gerechtigheid, heiliging en verlossing" ( 403 II,6 | Wie Hij riep, heeft Hij gerechtvaardigd, en wie Hij rechtvaardigde, 404 I,4 | Het geloof, dat "een geschenk van God" en "een door Hem 405 I,4 | van de Heilige Geest zijn geschreven, (vgl. Joh. 20,31; 2Tim. 406 Inl,1 | aanbeden en verheerlijkt, die gesproken heeft door de profeten. 407 II,5 | Hij vrijwillig zijn bloed gestort en daarmee voor ons het 408 Inl,1 | waarvan deze godsdiensten getuigen en die zij aan de mensheid 409 III,7 | 4,12). Dezelfde apostel getuigt dat Jezus Christus "de Heer 410 V | de zin van het Rijk, dat gevaar loopt veranderd te worden 411 V,10 | te vermijden, hetgeen het geval is bij die opvattingen " 412 IV | de Kerk als heilsgeheim gevestigd: Hij zelf is in de Kerk 413 Inl,2 | willen rechtvaardigen. Als gevolg daarvan worden waarheden 414 II,6 | dezelfde als de Geest die gewerkt heeft in de menswording, 415 I,4(23) | Lumen gentium, 16, waar gewezen wordt op het goede en ware 416 IV,9 | geloofsovertuiging tekorten, van gewichtige betekenis in het heilsmysterie. 417 II,6 | de ene en drievuldige God gewilde heilsorde bestaat, waarvan 418 I,4 | zijn beschouwing van de gewoonten, voorschriften en doctrines 419 IV | de apostolische opvolging gewortelde continuïteit53 bestaat tussen 420 Sl,12 | en met zijn apostolisch gezag bevestigd en bekrachtigd, 421 I,4 | religies is daarentegen die gezamenlijkheid van ervaringen en inzichten, 422 VI | algemene heilswil van God gezet worden (vgl. 1Tim. 2,4); 423 II,5 | hij zou één van de vele gezichten zijn, die de Logos in de 424 I,3 | van God. Door Hem zijt ook gij daarvan vervuld" (Kol. 2, 425 VI,11 | mensen de volheid van het godsdienstig leven vinden en in wie God 426 Inl,2 | christelijke geloof en de andere godsdienstige tradities werpen nieuwe 427 VI,11 | tradities elementen van godsdienstigheid, die van God komen85 en 428 II,5 | volmaakte mens is, die de godsgelijkheid van de kinderen van Adam, 429 II,6(38) | 10, 1-3; 13, 3-6: E.J. Goodspeed (Uitg.), 84, 85, 88-89. ~ 430 IV,8(49) | Sermo 2,1: CCL 39, 1266; H.Gregorius de Grote, Moralia in Iob, 431 Inl,2 | posities afwijzen. Om die reden grijpt de verklaring terug naar 432 VI,11 | twijfel nuttig voor een groeiend begrip van Gods heilsplannen 433 I,3 | vleesgeworden Zoon van God. Op grond hiervan verlangt het geloof 434 IV | opgericht als pijler en grondslag van de waarheid (vgl. 1Tim. 435 Sl,12 | deel te hebben. (...) Jezus haalt de scheidingsmuren omlaag 436 II,5 | navolging van hetgeen de vaders hadden geleerd, beleed ook het 437 II,6 | eeuwige Hogepriester (vgl. Hebr. 6,20; 9,11; 10,12-14). ~ 438 V,9(72) | Uw Rijk, dat U voor haar hebt bereid." ~ 439 II,6 | de hele mensheid en het heelal: "De mensen kunnen dus alleen 440 II,6 | zichtbare grenzen van de Kerk heen, tot de hele mensheid. Over 441 I,3 | vooral door zijn dood en zijn heerlijke opstanding uit de doden, 442 V,9(72) | Ibid. 10,5 (SC 248, 180) heet het: "Gedenk, o Heer, Uw 443 I,4 | vlakken, en soms zelfs op te heffen. 22 ~ De hypothese van de 444 III,7 | traden ook de toenmalige heidense wereld tegemoet, die door 445 Sl,12 | maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God' ( 446 IV | de universaliteit van de heilsbemiddeling van Jezus Christus de uniekheid 447 II,5 | menswording worden alle heilsdaden van het Woord van God steeds 448 I,3 | getuigenis. (...) De christelijke heilseconomie, definitieve verbond, zal 449 II,5 | aan andere openbaringen heilsfiguren. Het oneindige, het absolute, 450 III,7 | Christus in de Geest aangeboden heilsgave. Ze wendden zich tot Israël 451 III,8 | betekenis en de waarde van het heilsgebeuren van Jezus Christus tegenover 452 IV | gesticht. Hij heeft de Kerk als heilsgeheim gevestigd: Hij zelf is in 453 III,7 | dood en zijn verrijzenis de heilsgeschiedenis, die in Hem haar volheid 454 II,6 | Het Leergezag erkent de heilshistorische functie van de Geest in 455 I,3 | de vervulling van de hele heilsopenbaring van God aan de mensheid 456 VI,11 | groeiend begrip van Gods heilsplannen en van de wegen tot verwerkelijking 457 Inl,2 | als absolute en universele heilswaarheid verliezen of er minstens 458 I,3 | de openbaring van Gods heilswegen, ook wanneer de diepte van 459 VI,11 | goddelijke oorsprong of een heilswerkzaamheid ex opere operato toeschrijven, 460 II,6 | de jongste tijd vast en helder de waarheid in herinnering 461 VI,10(82) | Buiten de Kerk wordt helemaal niemand gered" -vert.) ( 462 Inl,2 | theologisch onderzoek moeten helpen bij het ontwikkelen van 463 V | voor de termen Rijk der hemelen, Rijk Gods en Rijk van Christus 464 IV | verrijzenis, aan Petrus als herder toevertrouwd (vgl. Joh. 465 III,7 | aarde - en zulke goden en heren zijn er vele - toch hebben 466 I,4 | Tweede Vaticaans Concilie herneemt in de dogmatische constitutie 467 II,5 | zonde was misvormd, heeft hersteld. (...) Als een onschuldig 468 V,10 | werkelijkheid, hoe deze ook mag heten. Om dezelfde reden geven 469 I,4 | vindt, ook al bevatten zij 'hiaten, onvolkomenheden en dwalingen'".27 470 VI,10(82) | Decreet Ad Gentes, 2. In de hier verhelderde betekenis moet 471 VI,11 | ervan. Maar uit hetgeen tot hiertoe gezegd is over het middelaarschap 472 I,3 | vleesgeworden Zoon van God. Op grond hiervan verlangt het geloof de belijdenis 473 VI | onder ons tegenwoordig. Hijzelf heeft uitdrukkelijk de noodzakelijkheid 474 VI | krachtens een genade die, hoewel zij een geheimvolle band 475 II,6 | van Christus, de eeuwige Hogepriester (vgl. Hebr. 6,20; 9,11; 476 V,9(73) | is. Vgl. Origenes, In Mt. Hom., 14,7: PG 13, 1197; Tertullianus, 477 Sl,12 | medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God' (Ef. 2,19)". 102 ~ 478 VI,11(98) | Concilie, Verklaring Dignitatis humanae, l. ~ 479 Inl,2 | beweringen, dan weer als hypothesen optreden, worden theologische 480 Inl,2 | het theologisch onderzoek ideeën overnemen die uit verschillende 481 V | object, of men vervalst de identiteit van Christus, die niet meer 482 V | een zuiver menselijk of ideologisch object, of men vervalst 483 I,4 | geest opent en 'het voor iedereen gemakkelijk moet maken, 484 VI,11 | de waarheid. Wie aan de impuls van de Geest van de waarheid 485 III,7 | werkelijkheid geworden. 42 Met inachtneming van dit geloofsgegeven wordt 486 I,3(13) | Athanasius van Alexandrië, De Incarnatione, 54, 3: SC 199, 458. ~ 487 VI,11 | Christus te danken hebben. Indien zij aan die genade niet 488 VI,11 | radicaal de mentaliteit van indifferentisme uit, die "doordrongen is 489 Sl,12 | beklemtonen en overtuigend en indringend rekenschap af te leggen 490 III,8 | vermijden, omdat daardoor de indruk zou ontstaan dat de betekenis 491 IV,9 | het doopsel bij Christus ingelijfd en staan dus in een zekere, 492 IV | Deze Kerk, in deze wereld ingesteld en uitgebouwd als een maatschappij, 493 I,4 | van God" en "een door Hem ingestorte bovennatuurlijke deugd"19 494 II,6 | voorbestemd tot erfgenamen en ingevoegd in het plan van Hem die 495 Inl | Inleiding ~ 496 V | verklaringen mag echter de innige verbondenheid tussen Christus, 497 V | teken en werktuig voor de innigste vereniging met God alsook 498 VI | theologische reflectie moet inslaan, om de betrekkingen van 499 VI,11 | zich met voorrang ertoe inspannen, aan alle mensen de waarheid, 500 III,7 | Er is een verhevigde inspanning nodig om te doorgronden,


0sser-inspa | inspi-voltr | vonni-zulle

IntraText® (V89) © 1996-2007 EuloTech