Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | Aristoteles. Het zijn vragen die hun gemeenschappelijke oorsprong
2 Inl, 0,4 | de organische eenheid van hun inhoud, tot de opbouw van
3 Inl, 0,6 | weggemoffeld. Zo komt het dat velen hun leven voortslepen tot bijna
4 Inl, 0,6 | het was om de vrucht van hun denken in culturele vormen
5 I, 1,9 | alleen onderscheiden in hun vertrekpunt, maar ook in
6 I, 1,9 | vertrekpunt, maar ook in hun object. Ten aanzien van
7 I, 1,11 | onder de mensen zou wonen en hun het meest innige van God
8 I, 2,13 | zetten tot het uiterste hun geestelijke natuur in, om
9 I, 2,13 | aansporing om verder te gaan dan hun aard van tekens, om de diepere
10 II, 1,16 | Egypte en Mesopotamië weer hun stem horen, en veel gemeenschappelijke
11 II, 1,17 | het ander, en beide hebben hun eigen ruimte om zich te
12 II, 1,17 | God en de mens zijn in hun respectieve werelden in
13 II, 1,17 | gedachten, hoe geweldig is hun aantal! Wilde ik ze tellen,
14 II, 1,18 | waarheid over de dingen, hun oorsprong en hun bestemming. ~
15 II, 1,18 | dingen, hun oorsprong en hun bestemming. ~
16 II, 1,19 | ziet men door vergelijking hun Schepper” (Wijsh 13,5).
17 II, 2,22 | van de wijsheidsboeken in hun diepte beter te waarderen.
18 II, 2,22 | komende kennis konden. In hun oer-ongehoorzaamheid trokken
19 II, 2,22 | ijdel’ geworden zijn en hoe hun overwegingen misvormd en
20 II, 2,23 | taal die de wijsgeren in hun beschouwingen over God aanwendden,
21 II, 2,23 | vasthouden in de ondiepten van hun systeem. De verhouding van
22 III, 1,24 | bepaalde tijden vastgesteld en hun woongebieden afgegrensd,
23 III, 1,27 | niet, de behoefte hebben om hun bestaan te verankeren in
24 III, 2,30 | verschillende godsdiensten in hun tradities als antwoord geven
25 III, 2,32 | is de reden waarom men op hun woord vertrouwt: men ontdekt
26 III, 2,34(29)| en van het geloof hebben hun oorsprong in dezelfde God” (
27 IV, 1,36 | eerste christenen het in hun toespraken niet laten bij
28 IV, 1,36 | heelal te begrijpen, vonden hun eerste uitdrukking in de
29 IV, 1,36 | zichtbaar te maken. Omdat zij hun blik verwijdden tot algemene
30 IV, 1,36 | tevreden; ze wilden aan hun geloof in de godheid een
31 IV, 1,37 | Irenaeus en Tertullianus, van hun kant reeds een voorbehoud
32 IV, 1,38 | wijsgeren en het bezoek van hun scholen scheen de eerste
33 IV, 1,38 | zijn. De verklaring voor hun aanvankelijke onverschilligheid
34 IV, 1,38 | de zin van het leven, dat hun de omgang met de wijsgeren
35 IV, 1,41 | niet dat ze de inhoud van hun boodschap vereenzelvigd
36 IV, 1,41 | onrechtvaardig en oppervlakkig om hun werk te vernauwen tot de
37 IV, 1,41 | meer gepresteerd. Het lukte hun namelijk om volledig zichtbaar
38 IV, 2,43 | wijsbegeerte evenmin toeliet als hun afwijzing a priori. Hij
39 IV, 3,46 | leven in het middelpunt van hun interesse staat. Meer nog:
40 IV, 3,47 | in een bepaalde loop van hun gevolgen tegen de mens zelf,
41 IV, 3,47 | te willen zoeken, en als hun enige doel genomen: het
42 IV, 3,48 | waardevolle aanzetten in hun denken zijn te zien die,
43 IV, 3,48 | stelt om in harmonie met hun natuur te staan, zonder
44 IV, 3,48 | natuur te staan, zonder hun wederzijdse autonomie afbreuk
45 V, 1,51 | overschrijden waarbinnen hun denken zich voltrekt. In
46 V, 1,51 | mogelijkheden van het verstand met hun inherente en historische
47 V, 1,52 | wat katholieken het als hun taak zagen, de verschillende
48 V, 1,52 | denken te confronteren met hun eigen filosofie. Hier werd
49 V, 1,52 | dat deze filosofieën van hun kant niet afgleden op wegen
50 V, 1,52 | traditionalisme60 vanwege hun wantrouwen jegens de natuurlijke
51 V, 1,53 | alleen onderscheiden in hun vertrekpunt, maar ook in
52 V, 1,53 | vertrekpunt, maar ook in hun object.” 64 Het onderscheid
53 V, 1,54 | voorgelegd, aangezien zij hun oorsprong hebben “buiten
54 V, 1,55 | dogmatische formuleringen hun begrippen hebben geput.
55 V, 1,56 | menselijk verstand en zich bij hun filosoferen niet al te bescheiden
56 V, 2,57 | vriendschap: hij staat beide hun rechten toe en beschermt
57 V, 2,57 | rechten toe en beschermt hun waardigheid.” 79 ~
58 V, 2,59 | denkrichtingen en daarbij volgens hun eigen methode wijsgerige
59 V, 2,60 | voor hen die zich eens, in hun pastorale leven, zullen
60 V, 2,61 | maken en ze, waar nodig, in hun onderzoek correct toe te
61 V, 2,62 | universiteiten van Duitsland hun weg vonden. Omgekeerd heeft
62 VI, 1,67 | verleent aan deze waarheden hun volste betekenis doordat
63 VI, 1,67 | geopenbaarde geheim waarin ze hun uiteindelijke doel vinden.
64 VI, 1,67 | zonder de eigen beginselen en hun autonomie ook maar in het
65 VI, 1,70 | ontstaan. Wanneer de culturen hun wortels diep in de menselijke
66 VI, 1,71 | verbinding staan met de mensen en hun geschiedenis, delen ze dezelfde
67 VI, 1,71 | mensen en de uitwisseling van hun levenswijzen. Culturen worden
68 VI, 1,71 | het delen van waarden, en hun levenskracht en bloei danken
69 VI, 1,71 | doordrongen van de cultuur van hun omgeving en draagt er van
70 VI, 1,71 | ontvangers echter niet, hun culturele eigenheid te bewaren.
71 VI, 1,74 | bedoeling om alle visies uit hun denken te onderschrijven,
72 VI, 2,76 | is ontwikkeld die er in hun onderzoek naar streefden
73 VI, 2,76 | hebben steeds gewerkt op hun eigen terrein en met hun
74 VI, 2,76 | hun eigen terrein en met hun eigen puur rationele methode,
75 VI, 2,76 | rationele methode, maar hun onderzoek uitgebreid naar
76 VI, 2,77 | en de onmogelijkheid van hun scheiding. ~Zouden theologen
77 VI, 2,79 | het theologische denken in hun wederzijdse relatie. Men
78 VII, 1,80 | betekenis hebben en uitzien naar hun vervulling, die komt in
79 VII, 1,80 | menselijke natuur ieder in hun eigen autonomie bewaard,
80 VII, 1,84 | geloofsinhouden te verduisteren of hun algemene geldigheid te ontkennen,
81 VII, 1,85 | menselijk denken stelt, hun denken zouden moeten ontwikkelen
82 VII, 1,85 | insluit. Als de filosofen hun plaats kunnen innemen in
83 VII, 1,85 | innemen in deze traditie en er hun inspiratie uit kunnen putten,
84 VII, 1,86 | daarop in te gaan, teneinde hun dwalingen aan te stippen
85 VII, 1,86 | bedoeld wordt van hen die bij hun onderzoek, onderwijs en
86 VII, 1,86 | stammen, zonder bekommernis om hun innerlijke samenhang, hun
87 VII, 1,86 | hun innerlijke samenhang, hun plaats binnen een systeem
88 VII, 1,86 | plaats binnen een systeem of hun historische context. Ze
89 VII, 1,86 | van wijsgerige doctrines, hun specifieke terminologie
90 VII, 1,90 | onderzochte visies leiden van hun kant tot een meer algemene
91 VII, 1,91 | voorlopig en vergankelijk is. In hun vernietigende kritiek op
92 VII, 2,94 | de evangelies betreft, is hun waarheid zeker niet beperkt
93 VII, 2,94 | gebeuren ligt: ze ligt in hun betekenis in en voor de
94 VII, 2,94 | eeuwen heen, een lezing die hun oorspronkelijk betekenis
95 VII, 2,96 | de veelheid van culturen hun universele kenniswaarde
96 VII, 2,96 | veel concepten niet uit dat hun betekenis vaak onvolmaakt
97 Slot, 0,101 | theologie en de uitwisseling van hun respectieve inzichten rijkelijk
98 Slot, 0,102 | de ontdekking van zowel hun vermogen om de waarheid
99 Slot, 0,102 | waarheid te kennen124 als van hun verlangen naar de uiteindelijke
100 Slot, 0,104 | humaniteit koesteren, terwijl ze hun Bron nog niet erkennen,
101 Slot, 0,105 | woord van God en zeker in hun werk de hele speculatieve
102 Slot, 0,105 | wens hen te danken voor hun dienst aan de Kerk. De intieme
103 Slot, 0,105 | zich ten volle inspannen om hun werk uit te voeren in het
104 Slot, 0,106 | dat zij de kracht hebben, hun rationele argumentatie bij
105 Slot, 0,106 | legitieme zelfstandigheid van hun wetenschap altijd zal hoogachten.
106 Slot, 0,106 | natuurwetenschappers, die ons door hun onderzoeken een groeiende
107 Slot, 0,106 | levenloze onderdelen met hun complexe atomaire en moleculaire
108 Slot, 0,106 | verplicht, hen op te roepen met hun inspanningen door te gaan
109 Slot, 0,108 | haven zijn voor allen die hun leven wijden aan het zoeken
110 Slot, 0,108 | zoeken naar de wijsheid. Moge hun reis naar de wijsheid, het
|