Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | zich als voorwerp van onze kennis voordoet, wordt aldus zelf
2 Inl, 0,3 | om de vooruitgang in de kennis van de waarheid te bevorderen
3 Inl, 0,3 | grondvorm van wijsgerige kennis zelfs aanwijsbaar is in
4 Inl, 0,4 | probeert de mens die universele kennis te verwerven, die hem in
5 Inl, 0,4 | zelfverwerkelijking. De fundamentele kennis komt voort uit de verbazing
6 Inl, 0,4 | steeds nieuwe horizonten van kennis. Zonder de verbazing zou
7 Inl, 0,4 | opbouw van een systematische kennis. Dankzij dit proces werden
8 Inl, 0,4 | en de vooruitgang van de kennis een kern van filosofische
9 Inl, 0,4 | denkrichtingen een geheel van kennis bestaat, waarin men zoiets
10 Inl, 0,4 | vorm, te bezitten. Deze kennis zou, juist omdat zij op
11 Inl, 0,5 | steeds meer en steeds diepere kennis verder ontwikkeld. Zo werden
12 Inl, 0,5 | zekere zin het totaal van de kennis werd daarin betrokken. De
13 Inl, 0,5 | onder de last van de vele kennis zich over zichzelf heeft
14 Inl, 0,5 | zoeken geconcentreerd op de kennis van de mens. In plaats van
15 Inl, 0,5 | menselijke vermogen tot kennis ontstaan. Met valse bescheidenheid
16 I, 1,7 | vgl. 2 Kor 4, 1-2). De kennis die zij de mens aanbiedt
17 I, 1,7 | zich laten kennen en de kennis die de mens van Hem heeft,
18 I, 1,7 | brengt alle andere ware kennis over de zin van zijn eigen
19 I, 1,8 | betrof de ontkenning van alle kennis die niet voortkwam uit de
20 I, 1,8 | vaststelling, dat er buiten de kennis van het menselijke verstand
21 I, 1,8 | Schepper kan ontdekken, een kennis bestaat, die eigen is aan
22 I, 1,8 | is aan het geloof. Deze kennis is de uitdrukking van een
23 I, 1,9 | een tweevoudige orde van kennis, niet alleen onderscheiden
24 I, 1,9 | andere orde dan de wijsgerige kennis. Want deze steunt op de
25 I, 2,13 | verkondigen” 13; maar de kennis die wij van dit aanschijn
26 I, 2,14 | anderzijds verwijst deze kennis voortdurend naar het mysterie
27 I, 2,14 | hem aan de ruimte van zijn kennis steeds uit te breiden, totdat
28 I, 2,15 | de mens die verlangt naar kennis van het ware wordt, inzoverre
29 II, 1,16 | schrijver de hartenwens naar kennis een kenmerk dat alle mensen
30 II, 1,16 | het diepe water” van de kennis. (vgl. Spr 20,5). In het
31 II, 1,16 | de goede Israëliet zijn kennis op de wijze van de moderne
32 II, 1,16 | verschillende soorten van kennis te onderscheiden. Desondanks
33 II, 1,17 | 17-18). Het streven naar kennis is zo groot en is verbonden
34 II, 1,18 | van deze diepste vorm van kennis heeft het uitverkoren volk
35 II, 1,19 | eigen zijn, dan kan hij tot kennis van de Schepper komen. Wanneer
36 II, 1,20 | met het begin van de ware kennis: “De vrees voor de Heer
37 II, 1,20 | Heer is het begin van de kennis” (Spr 1,7; vgl. Sir 1,14). ~
38 II, 2,21 | 21. Kennis berust volgens het Oude
39 II, 2,21 | hem de bron van een ware kennis die zijn verstand liet binnengaan
40 II, 2,22 | de ‘ogen van de rede’ tot kennis van God komen. Want door
41 II, 2,22 | is naar de zintuiglijke kennis; ook door het redeneren
42 II, 2,22 | welks midden “de boom van de kennis van goed en kwaad” stond (
43 II, 2,22 | zonder de van God komende kennis konden. In hun oer-ongehoorzaamheid
44 III, 1,25 | in de waarheid van zijn kennis. Wanneer hij ontdekt dat
45 III, 2,32 | andere personen verworven kennis. Daarin is een betekenisvolle
46 III, 2,32 | eigen maken van de abstracte kennis van de waarheid, maar ook
47 III, 2,32 | veiligheid. tegelijkertijd is de kennis door het geloof, die steunt
48 III, 2,33 | hem de ware en adequate kennis van de drie-ene God geschonken
49 IV, 1,36 | Omdat deze natuurlijke kennis echter in de heidense religie
50 IV, 1,37 | wijsbegeerte gemakkelijk met een kennis van hogere, esoterische
51 IV, 1,38 | leert, dat wil zeggen: naar kennis van de Zoon van God”. 36
52 IV, 1,40 | een vermetele belofte van kennis deden en lachten over de
53 IV, 1,40 | werd de grote eenheid van kennis, waarvan het bijbelse denken
54 IV, 1,42 | te meer verlangt zij naar kennis. Wie leeft voor de waarheid,
55 IV, 1,42 | streeft naar een vorm van kennis die steeds meer ontbrandt
56 IV, 1,42 | fundamentele eenheid van wijsgerige kennis en geloofskennis wordt nog
57 IV, 2,43 | zich te verheffen tot de kennis van het mysterie van de
58 IV, 2,44 | laten rijpen van menselijke kennis tot wijsheid. Reeds op de
59 IV, 2,44 | en die binnenleidt in de kennis van de goddelijke werkelijkheden.
60 IV, 3,45 | onderzoek en wetenschappelijke kennis. De H. Albertus Magnus en
61 IV, 3,45 | als diepe eenheid, die een kennis voortbracht die tot de hoogste
62 IV, 3,47 | Van wijsheid en universele kennis is zij geleidelijk ineengeschrompeld
63 IV, 3,47 | gebieden van menselijke kennis; ze is zelfs in bepaald
64 IV, 3,47 | benadrukt dat filosofische kennis bijzaak is. Deze vormen
65 V, 1,50 | ontwikkeling van de wijsgerige kennis zijn bovendien verschillende
66 V, 1,51 | schatten van wijsheid en kennis” in Christus verborgen zijn (
67 V, 1,51 | versperren die leidt tot de kennis van het mysterie. ~
68 V, 1,53 | noodzaak van verstandelijke kennis en dus uiteindelijk wijsgerige
69 V, 1,53 | uiteindelijk wijsgerige kennis voor het geloofsinzicht.
70 V, 1,53 | een tweevoudige orde van kennis, niet alleen onderscheiden
71 V, 1,55 | gebieden van de menselijke kennis of haar structuren. ~In
72 V, 1,55 | betekenis van de verstandelijke kennis en het filosofisch debat
73 V, 2,58 | historische methode maakte de kennis van het werk van de H. Thomas
74 V, 2,61 | onderzoek voor een diepere kennis van het mysterie van de
75 VI, 1 | De Kennis Van Het Geloof En De Postulaten
76 VI, 1,65 | studie van de opbouw van kennis en persoonlijke communicatie,
77 VI, 1,66 | uitspraken komt de gelovige tot kennis van de heilsgeschiedenis,
78 VI, 1,66 | natuurlijke, ware en consistente kennis van de geschapen dingen,
79 VI, 1,66 | moet in staat zijn deze kennis uit te drukken in begrippen
80 VI, 1,67 | veronderstelt noodzakelijkerwijs kennis van deze waarheden. Bij
81 VI, 1,67 | dat in het licht van de kennis door het geloof enkele waarheden
82 VI, 1,69 | andere vormen van menselijke kennis zou moeten bedienen, zoals
83 VI, 1,69 | omdat zij een completere kennis van het onderzoeksobject
84 VI, 1,71 | onuitputtelijk verlangen naar kennis. Dientengevolge draagt iedere
85 VI, 2,75 | toegang tot een diepere kennis van de waarheid verspert. ~
86 VII, 1,81 | van de fragmentatie van de kennis om zich heen grijpt. Juist
87 VII, 1,81 | gebieden van wetenschappelijke kennis bepaalt, maar zal ze ook
88 VII, 1,81 | eenheid van de menselijke kennis en actie, en ze leiden naar
89 VII, 1,82 | geen ware en authentieke kennis was, d.w.z.. niet alleen
90 VII, 1,82 | verifieert, om te komen tot een kennis die objectieve waarheid
91 VII, 1,82 | altijd nog te vervolmaken kennis niet loochent. Dit geldt
92 VII, 1,83 | wijsheids- en analytische kennis; en in het bijzonder dient
93 VII, 1,83 | maken102, als de menselijke kennis strikt beperkt was tot de
94 VII, 1,85 | fragmentarisering van de kennis, met haar versplinterde
95 VII, 1,85 | juiste benadering van de kennis. Het beroep op de traditie
96 VII, 1,88 | ethische en esthetische kennis naar het rijk van de pure
97 VII, 1,88 | producten van de emoties en dat kennis van het zijn verwerpt om
98 VII, 1,91 | benadrukken dat ons erfgoed aan kennis inderdaad is verrijkt op
99 VII, 1,91 | affectieve dimensies van kennis en de existentiële benadering
100 VII, 2,96(112)| zijn uit de ware en juiste kennis van de geschapen dingen:
101 VII, 2,96(112)| proces van afleiding van deze kennis gaf de goddelijke openbaring
102 VII, 2,98 | taak het is, om de algemene kennis van het goede op een bepaalde
103 Slot, 0,101 | Godsvolk met haar veelheid aan kennis en culturen in de eenheid
104 Slot, 0,105 | dat “lezen zonder berouw, kennis zonder vroomheid, onderzoek
105 Slot, 0,106 | onderzoeken een groeiende kennis verschaffen van het totale
106 Slot, 0,107 | geroepen is tot liefde en kennis. Daarin ligt zijn hoogste
107 Slot, 0,108 | uiteindelijke doel van alle ware kennis, vrij worden van iedere
|