Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,2(2) | Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
2 I, 1,7 | oorsprong in God zelf heeft (vgl. 2 Kor 4, 1-2). De kennis
3 I, 1,7 | luisteren naar Gods woord (vgl. 1Thess 2,13). Aan het begin
4 I, 1,7 | maar nu onthuld geheim (vgl.1Kor 2,7; Rom 16,25-26)
5 I, 1,7 | zijn wil bekend te maken (vgl. Eph 1,9): dat de mensen
6 I, 1,8(6) | Vgl. Dogmatische Constitutie
7 I, 1,9 | de genade en waarheid’ (vgl. Joh 1,14) erkent, die God
8 I, 1,9 | Christus heeft geopenbaard (vgl. 1 Joh 5, 9; Joh 5, 31-32). ~
9 I, 1,10 | dus de onzichtbare God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim 1, 17)
10 I, 1,10 | mensen aan als zijn vrienden (vgl. Ex 33,11; Joh 15, 14-15)
11 I, 1,10 | 15) en gaat met hen om (vgl. Bar 3, 38), om hen uit
12 I, 1,11 | en daarop vooruitlopen. (vgl. Hebr 1, 2). ~De waarheid,
13 I, 1,11 | van God zou doen kennen (vgl. Joh 1,1-18). Jezus Christus
14 I, 1,11 | Hem te doen gegeven heeft (vgl. Joh 5,36; 17,4). Hij dus
15 I, 1,11 | Mij ziet, ziet de Vader (vgl. Joh 14,9), vervult de openbaring,
16 I, 1,11 | uitdrukking kan brengen (vgl. Joh 14,9). Dat leert opnieuw
17 I, 1,12 | eerste Adam had afgewezen (vgl. Rom 5, 12-15). Met deze
18 I, 2,13(13) | Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
19 I, 2,13(19) | Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
20 II, 1 | Weet En Verstaat Alles (Vgl. Wijsh 9,11)~
21 II, 1,16 | diepe water” van de kennis. (vgl. Spr 20,5). In het oude
22 II, 1,18 | zijn verstand te ordenen (vgl. Spr 1,7) en tegenover zichzelf
23 II, 1,18 | beweren: “Er is geen God” (vgl. Ps 14,1), onthult hij volkomen
24 II, 1,20 | van de kennis” (Spr 1,7; vgl. Sir 1,14). ~
25 II, 2,21 | plannen van God te begrijpen (vgl. Spr 30,1-6). De gelovige
26 II, 2,21 | onderzoeker” heeft geschapen. (vgl. Pr 1,13), die de opdracht
27 II, 2,22 | macht’ en zijn ‘godheid’ (vgl. Rom 1,20). Het menselijk
28 II, 2,22 | georiënteerd gebleken zijn (vgl. Rom 1,21-22). ~De ogen
29 III, 1,26(26) | Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische
30 III, 2,30(27) | Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
31 III, 2,34 | waarheid is in Christus” (vgl. Ef 4,21; Kol 1, 15-20).
32 III, 2,34 | Persoon de Vader openbaart (vgl. Joh 1,14.18). 30 Dat wat
33 III, 2,34 | de “volle waarheid” zich (vgl. Joh 1, 14-16) van dat wezen
34 III, 2,34 | Hem zijn voltooiing vindt (vgl. Kol 1,17). ~
35 III, 2,34(30) | Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
36 IV, 1,36 | geweten van iedere mens (vgl. Rom 1,19-21; 2,14-15; Hand
37 IV, 1,36 | afgodendienst was verworden (vgl. Rom 1,21-32), hield de
38 IV, 1,38(34) | Vgl. ibid., I,16, 80, 5: SC
39 IV, 1,38(35) | Vgl. ibid., I, 5, 28, 1: SC
40 IV, 1,40(39) | Vgl. ibid., VII, 9, 13-14: CCL
41 IV, 1,41(41) | Vgl. Congregatie voor de Katholieke
42 IV, 2,43(44) | Vgl. Summa contra Gentiles,
43 IV, 2,43(45) | Vgl. Summa Theologiae, I, 1,
44 IV, 2,43(46) | Vgl. Johannes Paulus II, Toespraak
45 IV, 2,44(48) | Vgl. I, 1, 6: “Praeterea, haec
46 IV, 2,44(49) | Ibid., II, II , 45, 1 ad 2; vgl. ook II, II, 45, 2. ~
47 V, 1,49(54) | Vgl. Pius XII, Encycliek Humani
48 V, 1,50(55) | Vgl. Eerste Vaticaans Oecumenisch
49 V, 1,51 | Christus verborgen zijn (vgl. Kol 2,3); daarom grijpt
50 V, 1,52(56) | Vgl. Synode van Constantinopel,
51 V, 1,52(57) | Vgl. Concilie van Toledo I,
52 V, 1,52(58) | Vgl. Oecumenisch Concilie van
53 V, 1,52(59) | Vgl. Theses a Ludovico Eugenio
54 V, 1,52(60) | Vgl. Heilige Congregatie van
55 V, 1,52(61) | Vgl. Pius IX, Breve Eximiam
56 V, 1,52(62) | Vgl. Heilige Congregatie van
57 V, 1,53(63) | Vgl. Eerste Vaticaans Oecumenisch
58 V, 1,54(66) | Vgl. encycliek Pascendi Dominici
59 V, 1,54(67) | Vgl. Pius XI, encycliek Divini
60 V, 1,54(70) | Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische
61 V, 1,54(71) | Vgl. Instructie over bepaalde
62 V, 1,55(73) | Vgl. nrs. 9-10. ~
63 V, 1,55(76) | Vgl. ibid., n.10. ~
64 V, 1,55(77) | Vgl. encycliek Humani generis (
65 V, 2,57(78) | Vgl. Encycliek Aeterni Patris (
66 V, 2,60(80) | Vgl. nrs. 14-15. ~
67 V, 2,60(81) | Vgl. ibid., nrs. 20-21. ~
68 V, 2,60(82) | Ibid., nr.22; vgl. Johannes Paulus II, encycliek
69 V, 2,60(84) | Vgl. Apostolische Constitutie
70 V, 2,60(84) | AAS 84 (1992), 750-751. Vgl. ook verschillende opmerkingen
71 V, 2,61(86) | Vgl. ibid., nr. 44. ~
72 V, 2,62(87) | Vgl. Vijfde Oecumenisch Concilie
73 VI, 1,65(88) | Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
74 VI, 1,67 | rekenschap over het geloof is (vgl. 1Petr 3, 15), moeten bekommeren
75 VI, 1,67 | I had de Paulijnse leer (vgl. Rom 1, 19-20) opnieuw naar
76 VI, 1,69(92) | Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
77 VI, 1,70(94) | Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
78 VI, 1,73 | woord van God Waarheid is (vgl. Joh 17,17), kan het menselijke
79 VII, 1,80(97) | Vgl. Oecumenisch Concilie van
80 VII, 1,81(98) | Vgl. Johannes Paulus II, encycliek
81 VII, 1,82(99) | Vgl. bijvoorbeeld H. Thomas
82 VII, 1,82(101) | Vgl. Johannes Paulus II, encycliek
83 VII, 1,83(102) | Vgl. Eerste Vaticaans Oecumenisch
84 VII, 1,84(103) | Vgl. Vierde Oecumenisch Concilie
85 VII, 1,85(104) | Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
86 VII, 1,89(105) | Vgl. Johannes Paulus II, encycliek
87 VII, 2,92 | aanspoort en doet groeien (vgl. Ef 4,15). ~Het mogelijk
88 VII, 2,94(110) | Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
89 VII, 2,94(111) | Vgl. Pauselijke Bijbelcommissie,
90 VII, 2,96(112) | AAS 42 (1950), 566-567; vgl. Internationale Theologische
91 VII, 2,97(114) | Vgl. Congregatie van het H.
92 VII, 2,97(115) | Vgl. Johannes Paulus II, Toespraak
93 VII, 2,99 | waarheid die redt, te kennen (vgl. Hand 4,12; 1Tm 2,4-6). ~
94 VII, 2,99(117) | Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische
95 VII, 2,99(118) | Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische
96 VII, 2,99(119) | Vgl. ibid., nr.22, loc.cit.,
97 VII, 2,99(120) | Vgl. ibid., nr. 7, loc.cit.,
98 VII, 2,99(121) | Vgl. ibid. nr. 59, loc.cit.,
99 Slot, 0,102(124)| Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch
100 Slot, 0,103(125)| Vgl. Apostolische Exhortatie
101 Slot, 0,104(127)| Vgl. ibid., nr. 10. ~
102 Slot, 0,105(129)| Vgl. Decreet over de Priesteropleiding
103 Slot, 0,105(130)| Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische
|