Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
iii 5
ijdel 1
ijver 1
ik 101
illusie 4
illustreren 2
imaginaire 1
Frequency    [«  »]
104 verstand
104 wordt
103 vgl
101 ik
101 worden
99 men
95 wat
Ioannes Paulus PP. II
Fides et Ratio

IntraText - Concordances

ik

    Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | karakteriseren: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan en 2 Inl, 0,1 | karakteriseren: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan en waar ga ik heen? 3 Inl, 0,1 | kom ik vandaan en waar ga ik heen? Waarom is er het kwade? 4 Inl, 0,2(1) | Redemptor hominis schreef ik: “Zo zijn wij deelachtig 5 Inl, 0,2 | tot aangezicht; thans ken ik onvolmaakt, dan echter zal 6 Inl, 0,2 | onvolmaakt, dan echter zal ik door en door kennen”. (1Kor. 7 Inl, 0,5 | mijn voorgangers wil ook ik daarom de blik richten op 8 Inl, 0,6 | bekrachtigen. Daarom heb ik besloten mij zowel tot de 9 Inl, 0,6 | bisschopsambt te wenden, met wie ik de zending deel “openlijk 10 Inl, 0,6 | mensen die op zoek zijn: ik wil hen laten delen in enige 11 Inl, 0,6 | encycliek Veritatis Splendor heb ikenkele fundamentele waarheden 12 Inl, 0,6 | voorliggende schrijven wil ik nu die gedachten verder 13 Inl, 0,6 | roeping herwinnen. Daarom heb ik niet alleen de behoefte 14 I, 1,11 | jaren na die gebeurtenis zie ik het als mijn plicht, nadrukkelijk 15 I, 2,14 | van Kantelberg: “Terwijl ik dikwijls vol ijver mijn 16 I, 2,14 | probleem, scheen het soms alsof ik datgene, waarnaar ik zocht, 17 I, 2,14 | alsof ik datgene, waarnaar ik zocht, reeds kon vatten; 18 I, 2,14 | weg uit mijn denken; tot ik tenslotte de hoop, het ooit 19 I, 2,14 | wilde opgeven. Wanneer ik die gedachten echter uit 20 I, 2,14 | andere problemen, waaruit ik enig gewin kon halen, dan 21 I, 2,14 | opdringerigheid. (...) Maar wat ben ik armzalige, een van Eva’s 22 I, 2,14 | mijn neiging en waar ben ik terechtgekomen? Waar streefde 23 I, 2,14 | terechtgekomen? Waar streefde ik naar en wat verlang ik nog 24 I, 2,14 | streefde ik naar en wat verlang ik nog steeds? (...) O Heer, 25 I, 2,15 | toepassen: “De geboden die Ik u vandaag geef, zijn niet 26 II, 1,17 | geweldig is hun aantal! Wilde ik ze tellen, het zouden er 27 II, 1,17 | meer zijn dan het zand. Zou ik aan het einde komen, dan 28 II, 1,17 | het einde komen, dan zou ik nog steeds bij U zijn” ( 29 II, 2,23 | te benadrukken: “Wanner ik zwak ben, dan ben ik sterk” ( 30 II, 2,23 | Wanner ik zwak ben, dan ben ik sterk” (2Kor 12, 10). De 31 III, 1,24 | Atheners, aan alles zie ik dat u buitengewoon godsdienstig 32 III, 1,24 | godsdienstig bent. Toen ik rondliep en uw heiligdommen 33 III, 1,24 | heiligdommen bezichtigde, trof ik ook een altaar aan met het 34 III, 1,24 | kennen vereert, dat kom ik u verkondigen” (Hand 17, 35 III, 1,25 | wanneer hij schrijft: “Ik heb velen ontmoet, die anderen 36 III, 1,25 | waarheid. Deze overtuiging heb ik in de encycliek Veritatis 37 III, 2,30 | beroepsfilosofen. Zoals ik al gezegd heb, is iedere 38 III, 2,33(28) | Dit is een thema dat ik al lang behandel en waarover 39 III, 2,33(28) | lang behandel en waarover ik bij verschillende gelegenheden 40 IV, 1,40 | hij zelf: “Van dan af gaf ik echter de voorkeur aan de 41 IV, 1,40 | aan de katholieke leer; ik ervoer immers, hoeveel bescheidener, 42 IV, 1,42 | van zijn tocht ligt: “Want ik meen, dat iemand die iets 43 IV, 1,42(42) | Proslogion, 1: PL 158, 226. “Ik ben geschapen om U te zien; 44 IV, 1,42(42) | geschapen om U te zien; en ik heb nog niet gedaan waarvoor 45 IV, 1,42(42) | nog niet gedaan waarvoor ik geschapen ben”. ~ 46 IV, 2,43 | worden. In deze samenhang zou ik willen aanhalen, wat mijn 47 IV, 3,47 | weg te verabsoluteren, heb ik reeds in mijn eerste encycliek 48 IV, 3,47 | encycliek aangegeven, waar ik schreef: “De hedendaagse 49 IV, 3,48 | van het zijn. Daarom doe ik deze sterke en indringende 50 IV, 3,48 | indringende oproep en, naar ik vertrouw, op het juiste 51 V, 1,56 | gezocht heeft. Niettemin kan ik slechts, in het licht van 52 V, 2,60 | betrekking tot de wijsbegeerte. ik kan bijzonder in het kader 53 V, 2,60 | van deze passage vormt. Ik heb haar in mijn encycliek 54 V, 2,60 | theologische studies. Zelf heb ik verschillende malen het 55 V, 2,61 | verwondering en spijt moet ik vaststellen dat heel wat 56 V, 2,62 | 62. Ik wens duidelijk te herhalen 57 V, 2,62 | iedere filosofie aanneemt. Ik vertrouw er ten zeerste 58 V, 2,63 | referentiepunten te presenteren die ik noodzakelijk acht om weer 59 VI, 1,64 | eeuwen heen zijn ontwikkeld. Ik heb niet de wens om theologen 60 VI, 1,69 | tussen de culturen. Wat ik met nadruk zou willen onderstrepen, 61 VI, 1,74 | hebben verricht, onder wie ik met vreugde vermeldt, in 62 VI, 1,74 | het citeren van dezen heb ik niet de bedoeling om alle 63 VI, 2,77 | van de openbaring, zoals ik al heb uitgelegd. Want uit 64 VI, 2,79 | vóór mij heeft geleerd, wil ik in dit laatste deel enkele 65 VI, 2,79 | hedendaagse wijsgeren. Zoals ik al heb opgemerkt, moet de 66 VII, 1,83 | Hoogste Goed, God zelf. Ik wil hier niet spreken over 67 VII, 1,83 | bijzondere denkrichting. Ik wil alleen bevestigen dat 68 VII, 1,83 | uitstijgen. Bovendien wil ik het vermogen van de mens 69 VII, 1,83 | omvattend uit te drukken. ~Als ik zo sterk het metafysische 70 VII, 1,83 | onderstreep, dan is dat omdat ik ervan overtuigd ben dat 71 VII, 1,85 | 85. Ik ben me er wel van bewust 72 VII, 1,85 | onderzoek. Daarom herneem ik wat de pausen sedert generaties 73 VII, 1,85 | plicht om dat te ondernemen. ~Ik geloof dat die wijsgeren 74 VII, 1,86 | tegenwoordig sterk verbreid zijn. Ik denk dat het gepast is om - 75 VII, 1,90 | horizon schijnt te vormen. Ik bedoel de nihilistische 76 VII, 1,90(106)| In dezelfde zin schreef ik in mijn eerste encycliek 77 VII, 1,91 | uniforme visie. En zeker wil ik benadrukken dat ons erfgoed 78 VII, 2,92 | kent. 109 ~Op dit punt wil ik de specifieke vorm aangeven 79 VII, 2,92(109)| et Vivificantem, schreef ik als commentaar op Jn 16, 80 VII, 2,95 | historicisme zijn, zoals ik eerder zei, onhoudbaar. 81 VII, 2,97 | intellectus fidei, zo heb ik aangegeven, vraagt de bijdrage 82 VII, 2,98 | encycliek Veritatis splendor heb ik geschreven, dat veel van 83 VII, 2,98 | In de hele encycliek heb ik de fundamentele rol die 84 Slot, 0,100 | Patris van Leo XIII, waarnaar ik op deze bladzijden vaak 85 Slot, 0,100 | bladzijden vaak heb verwezen, heb ik de behoefte gevoeld om het 86 Slot, 0,100 | uit. Om deze redenen heb ik het gepast en nodig geoordeeld 87 Slot, 0,101 | deze constatering beschouw ik het - zoals ik de opgave 88 Slot, 0,101 | beschouw ik het - zoals ik de opgave van de theologie, 89 Slot, 0,103 | heeft verklaard. 125 Terwijl ik niet moe word op de urgentie 90 Slot, 0,103 | evangelisatie te wijzen, roep ik de filosofen op, de dimensies 91 Slot, 0,105 | 105. Ik voel de behoefte deze encycliek 92 Slot, 0,105 | laatste gedachte waarmee ik me vooral tot de theologen 93 Slot, 0,105 | theologie in beschouwing nemen. Ik wens hen te danken voor 94 Slot, 0,105 | geopenbaarde waarheid. Daarom spoor ik hen aan de metafysische 95 Slot, 0,106 | docenten in de filosofie; ik vraag hen, in het licht 96 Slot, 0,106 | wijsgerige denken te herwinnen. Ik vraag hen open te staan 97 Slot, 0,106 | hoogachten. In het bijzonder wil ik de gelovigen bemoedigen, 98 Slot, 0,106 | scherpzinniger wordt. ~Tenslotte zou ik ook nog een woord willen 99 Slot, 0,106 | steeds verbazen. Wanneer ik mijn bewondering en bemoediging 100 Slot, 0,106 | ontwikkeling te danken heeft, voel ik me tegelijkertijd ertoe 101 Slot, 0,107 | 107. Aan allen vraag ik, zich intensief te bekommeren


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License