Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | karakteriseren: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan en
2 Inl, 0,1 | karakteriseren: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan en waar ga ik heen?
3 Inl, 0,1 | kom ik vandaan en waar ga ik heen? Waarom is er het kwade?
4 Inl, 0,2(1) | Redemptor hominis schreef ik: “Zo zijn wij deelachtig
5 Inl, 0,2 | tot aangezicht; thans ken ik onvolmaakt, dan echter zal
6 Inl, 0,2 | onvolmaakt, dan echter zal ik door en door kennen”. (1Kor.
7 Inl, 0,5 | mijn voorgangers wil ook ik daarom de blik richten op
8 Inl, 0,6 | bekrachtigen. Daarom heb ik besloten mij zowel tot de
9 Inl, 0,6 | bisschopsambt te wenden, met wie ik de zending deel “openlijk
10 Inl, 0,6 | mensen die op zoek zijn: ik wil hen laten delen in enige
11 Inl, 0,6 | encycliek Veritatis Splendor heb ik “enkele fundamentele waarheden
12 Inl, 0,6 | voorliggende schrijven wil ik nu die gedachten verder
13 Inl, 0,6 | roeping herwinnen. Daarom heb ik niet alleen de behoefte
14 I, 1,11 | jaren na die gebeurtenis zie ik het als mijn plicht, nadrukkelijk
15 I, 2,14 | van Kantelberg: “Terwijl ik dikwijls vol ijver mijn
16 I, 2,14 | probleem, scheen het soms alsof ik datgene, waarnaar ik zocht,
17 I, 2,14 | alsof ik datgene, waarnaar ik zocht, reeds kon vatten;
18 I, 2,14 | weg uit mijn denken; tot ik tenslotte de hoop, het ooit
19 I, 2,14 | wilde opgeven. Wanneer ik die gedachten echter uit
20 I, 2,14 | andere problemen, waaruit ik enig gewin kon halen, dan
21 I, 2,14 | opdringerigheid. (...) Maar wat ben ik armzalige, een van Eva’s
22 I, 2,14 | mijn neiging en waar ben ik terechtgekomen? Waar streefde
23 I, 2,14 | terechtgekomen? Waar streefde ik naar en wat verlang ik nog
24 I, 2,14 | streefde ik naar en wat verlang ik nog steeds? (...) O Heer,
25 I, 2,15 | toepassen: “De geboden die Ik u vandaag geef, zijn niet
26 II, 1,17 | geweldig is hun aantal! Wilde ik ze tellen, het zouden er
27 II, 1,17 | meer zijn dan het zand. Zou ik aan het einde komen, dan
28 II, 1,17 | het einde komen, dan zou ik nog steeds bij U zijn” (
29 II, 2,23 | te benadrukken: “Wanner ik zwak ben, dan ben ik sterk” (
30 II, 2,23 | Wanner ik zwak ben, dan ben ik sterk” (2Kor 12, 10). De
31 III, 1,24 | Atheners, aan alles zie ik dat u buitengewoon godsdienstig
32 III, 1,24 | godsdienstig bent. Toen ik rondliep en uw heiligdommen
33 III, 1,24 | heiligdommen bezichtigde, trof ik ook een altaar aan met het
34 III, 1,24 | kennen vereert, dat kom ik u verkondigen” (Hand 17,
35 III, 1,25 | wanneer hij schrijft: “Ik heb velen ontmoet, die anderen
36 III, 1,25 | waarheid. Deze overtuiging heb ik in de encycliek Veritatis
37 III, 2,30 | beroepsfilosofen. Zoals ik al gezegd heb, is iedere
38 III, 2,33(28) | Dit is een thema dat ik al lang behandel en waarover
39 III, 2,33(28) | lang behandel en waarover ik bij verschillende gelegenheden
40 IV, 1,40 | hij zelf: “Van dan af gaf ik echter de voorkeur aan de
41 IV, 1,40 | aan de katholieke leer; ik ervoer immers, hoeveel bescheidener,
42 IV, 1,42 | van zijn tocht ligt: “Want ik meen, dat iemand die iets
43 IV, 1,42(42) | Proslogion, 1: PL 158, 226. “Ik ben geschapen om U te zien;
44 IV, 1,42(42) | geschapen om U te zien; en ik heb nog niet gedaan waarvoor
45 IV, 1,42(42) | nog niet gedaan waarvoor ik geschapen ben”. ~
46 IV, 2,43 | worden. In deze samenhang zou ik willen aanhalen, wat mijn
47 IV, 3,47 | weg te verabsoluteren, heb ik reeds in mijn eerste encycliek
48 IV, 3,47 | encycliek aangegeven, waar ik schreef: “De hedendaagse
49 IV, 3,48 | van het zijn. Daarom doe ik deze sterke en indringende
50 IV, 3,48 | indringende oproep en, naar ik vertrouw, op het juiste
51 V, 1,56 | gezocht heeft. Niettemin kan ik slechts, in het licht van
52 V, 2,60 | betrekking tot de wijsbegeerte. ik kan bijzonder in het kader
53 V, 2,60 | van deze passage vormt. Ik heb haar in mijn encycliek
54 V, 2,60 | theologische studies. Zelf heb ik verschillende malen het
55 V, 2,61 | verwondering en spijt moet ik vaststellen dat heel wat
56 V, 2,62 | 62. Ik wens duidelijk te herhalen
57 V, 2,62 | iedere filosofie aanneemt. Ik vertrouw er ten zeerste
58 V, 2,63 | referentiepunten te presenteren die ik noodzakelijk acht om weer
59 VI, 1,64 | eeuwen heen zijn ontwikkeld. Ik heb niet de wens om theologen
60 VI, 1,69 | tussen de culturen. Wat ik met nadruk zou willen onderstrepen,
61 VI, 1,74 | hebben verricht, onder wie ik met vreugde vermeldt, in
62 VI, 1,74 | het citeren van dezen heb ik niet de bedoeling om alle
63 VI, 2,77 | van de openbaring, zoals ik al heb uitgelegd. Want uit
64 VI, 2,79 | vóór mij heeft geleerd, wil ik in dit laatste deel enkele
65 VI, 2,79 | hedendaagse wijsgeren. Zoals ik al heb opgemerkt, moet de
66 VII, 1,83 | Hoogste Goed, God zelf. Ik wil hier niet spreken over
67 VII, 1,83 | bijzondere denkrichting. Ik wil alleen bevestigen dat
68 VII, 1,83 | uitstijgen. Bovendien wil ik het vermogen van de mens
69 VII, 1,83 | omvattend uit te drukken. ~Als ik zo sterk het metafysische
70 VII, 1,83 | onderstreep, dan is dat omdat ik ervan overtuigd ben dat
71 VII, 1,85 | 85. Ik ben me er wel van bewust
72 VII, 1,85 | onderzoek. Daarom herneem ik wat de pausen sedert generaties
73 VII, 1,85 | plicht om dat te ondernemen. ~Ik geloof dat die wijsgeren
74 VII, 1,86 | tegenwoordig sterk verbreid zijn. Ik denk dat het gepast is om -
75 VII, 1,90 | horizon schijnt te vormen. Ik bedoel de nihilistische
76 VII, 1,90(106)| In dezelfde zin schreef ik in mijn eerste encycliek
77 VII, 1,91 | uniforme visie. En zeker wil ik benadrukken dat ons erfgoed
78 VII, 2,92 | kent. 109 ~Op dit punt wil ik de specifieke vorm aangeven
79 VII, 2,92(109)| et Vivificantem, schreef ik als commentaar op Jn 16,
80 VII, 2,95 | historicisme zijn, zoals ik eerder zei, onhoudbaar.
81 VII, 2,97 | intellectus fidei, zo heb ik aangegeven, vraagt de bijdrage
82 VII, 2,98 | encycliek Veritatis splendor heb ik geschreven, dat veel van
83 VII, 2,98 | In de hele encycliek heb ik de fundamentele rol die
84 Slot, 0,100 | Patris van Leo XIII, waarnaar ik op deze bladzijden vaak
85 Slot, 0,100 | bladzijden vaak heb verwezen, heb ik de behoefte gevoeld om het
86 Slot, 0,100 | uit. Om deze redenen heb ik het gepast en nodig geoordeeld
87 Slot, 0,101 | deze constatering beschouw ik het - zoals ik de opgave
88 Slot, 0,101 | beschouw ik het - zoals ik de opgave van de theologie,
89 Slot, 0,103 | heeft verklaard. 125 Terwijl ik niet moe word op de urgentie
90 Slot, 0,103 | evangelisatie te wijzen, roep ik de filosofen op, de dimensies
91 Slot, 0,105 | 105. Ik voel de behoefte deze encycliek
92 Slot, 0,105 | laatste gedachte waarmee ik me vooral tot de theologen
93 Slot, 0,105 | theologie in beschouwing nemen. Ik wens hen te danken voor
94 Slot, 0,105 | geopenbaarde waarheid. Daarom spoor ik hen aan de metafysische
95 Slot, 0,106 | docenten in de filosofie; ik vraag hen, in het licht
96 Slot, 0,106 | wijsgerige denken te herwinnen. Ik vraag hen open te staan
97 Slot, 0,106 | hoogachten. In het bijzonder wil ik de gelovigen bemoedigen,
98 Slot, 0,106 | scherpzinniger wordt. ~Tenslotte zou ik ook nog een woord willen
99 Slot, 0,106 | steeds verbazen. Wanneer ik mijn bewondering en bemoediging
100 Slot, 0,106 | ontwikkeling te danken heeft, voel ik me tegelijkertijd ertoe
101 Slot, 0,107 | 107. Aan allen vraag ik, zich intensief te bekommeren
|