Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
meet 1
mei 3
melden 1
men 99
menen 1
mening 1
meningen 3
Frequency    [«  »]
103 vgl
101 ik
101 worden
99 men
95 wat
94 wijsgerige
92 bij
Ioannes Paulus PP. II
Fides et Ratio

IntraText - Concordances

men

   Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | alsook in het Avondland kan men een weg traceren, die in 2 Inl, 0,4 | hebben geleid. Daardoor was men in de loop van de geschiedenis 3 Inl, 0,4 | denken steeds aanwezig zijn. Men denke, om een enkel voorbeeld 4 Inl, 0,4 | te kennen; verder denke men aan enkele morele principes 5 Inl, 0,4 | van kennis bestaat, waarin men zoiets als een geestelijk 6 Inl, 0,5 | voorbehoud. Daarin ontzegt men namelijk aan de waarheid 7 Inl, 0,5 | exclusieve karakter. Daarbij gaat men uit van de opvatting dat 8 Inl, 0,5 | teruggebracht tot mening. Men heeft de indruk van een 9 Inl, 0,5 | valse bescheidenheid stelt men zich tevreden met voorlopige 10 Inl, 0,6 | geloof concentreren. Want men kan niet ontkennen, dat 11 Inl, 0,6 | indringend duidelijk, wanneer men moest vaststellen hoe versnipperd 12 I, 2,13 | 13. Men mag niettemin niet vergeten 13 I, 2,13 | Daarom is de akt, waarmee men zich aan God toevertrouwt, 14 I, 2,14 | alleen het grootste dat men kan denken (non solum es 15 I, 2,14 | bent groter dan alles wat men kan denken (quiddam maius 16 I, 2,14 | Als U niet zo was, zou men zich iets groters dan U 17 I, 2,15 | haar hoogtepunt en begrijpt men volledig het woord van de 18 I, 2,15 | het boek Deuteronomium kan men goed op deze situatie toepassen: “ 19 II, 1,16 | Sir 14, 20-27) ~Zoals men ziet is voor de geïnspireerde 20 II, 1,16 | grondig worden gekend wanneer men zich tegelijkertijd bekent 21 II, 1,16 | zijn schreden” (Spr 16,9). Men zou kunnen zeggen dat de 22 II, 1,18 | voort uit het besef dat men zich op deze weg niet mag 23 II, 1,19 | verwijst, verklaart hij, dat men juist door verstandig nadenken 24 II, 1,19 | schoonheid van de schepselen ziet men door vergelijking hun Schepper” ( 25 II, 2,23 | elke culturele grens, die men haar wil stellen, en verplicht 26 III, 1,27 | levensprogramma’s, waar men zich toevertrouwt aan het 27 III, 2,28 | worden door angst en vrees. Men kan dus de mens definiëren 28 III, 2,29 | antwoorden van welker waarheid men ook daarom overtuigd is, 29 III, 2,29 | daarom overtuigd is, omdat men de ervaring heeft, dat zij 30 III, 2,30 | Op een ander niveau moet men de waarheden van wijsgerige 31 III, 2,30 | waarheden betreft, moet men duidelijk stellen dat zij 32 III, 2,32 | toe te vertrouwen, doordat men een vastere en innige verbinding 33 III, 2,32 | Dat is de reden waarom men op hun woord vertrouwt: 34 III, 2,32 | op hun woord vertrouwt: men ontdekt in hen heel duidelijk 35 III, 2,33 | meest expressieve akten. ~Men mag niet vergeten dat ook 36 III, 2,33(28)| In het bijzonder wanneer men bij het zoeken naar het 37 III, 2,34 | met de waarheden waartoe men door het filosoferen komt. 38 III, 2,35 | vastgesteld kunnen worden, waaraan men als referentiepunten moet 39 IV, 1,36 | bewustzijn van datgene waaraan men geloofde. Het eerste positieve 40 IV, 1,37 | 37. Wanneer men wijst op deze toenaderingsbeweging 41 IV, 1,37 | naar de wijsbegeerte moet men ook de voorzichtige houding 42 IV, 1,38 | nog duidelijker, wanneer men denkt aan de bijdrage van 43 IV, 1,38 | waarheid afslaat, heeft men haar terecht haag en muur 44 IV, 1,39 | van deze ontwikkeling kan men toch de kritische overname 45 IV, 1,39 | de eerste voorbeelden die men kan ontmoeten is Origenes 46 IV, 1,42 | alles is? Als dus dat wat men tot nog toe over het hoogste 47 IV, 1,42 | is vastgesteld, ofschoon men met de rede niet tot 48 IV, 1,42 | wezen kan doordringen dat men het ook met woorden kan 49 IV, 2,43 | de geloofsinhouden komt men in ieder geval door vrije 50 IV, 2,44 | hoort. Deze laatste verwerft men zich namelijk door de studie: 51 IV, 3,45 | posities radicaler, tot men feitelijk bij een gescheiden 52 IV, 3,46 | denken heeft zich, zo kan men zonder overdrijving zeggen, 53 IV, 3,46 | geesteshouding, volgens welke men geen definitieve verplichting 54 IV, 3,47 | 47. Anderzijds mag men niet vergeten dat in de 55 IV, 3,48 | filosofiegeschiedenis kan men dus constateren, dat er 56 V, 1,55 | einde van de metafysica’: men wil dat de filosofie zich 57 V, 1,55 | vooral wanneer meningen die men filosofisch goed gefundeerd 58 V, 1,55 | waarheid te maken. Zo komt men ertoe het woord van God 59 V, 1,55(72) | dergelijke meningen, waarvan men weet dat ze tegengesteld 60 V, 1,55 | de andere kan bestaan. 76 Men mag voorts het gevaar niet 61 V, 1,55 | het geringe respect dat men voor de speculatieve theologie 62 V, 1,56 | het zeer begrijpelijk dat men moeilijk volledige en ultieme 63 V, 1,56 | is, dat dàt de weg is die men moet inslaan: de hartstocht 64 V, 2,59 | verschillende perspectieven heeft men dus voortdurend vormen van 65 V, 2,61 | nodig is gebleken - waarbij men ook de waarde van de inzichten 66 V, 2,61 | veel katholieke scholen kon men in de jaren die onmiddellijk 67 V, 2,61 | Op de eerste plaats denke men aan het wantrouwen tegen 68 V, 2,61 | achterwege te laten, terwijl men de aandacht concentreert 69 V, 2,61 | vervangen. Tenslotte mag men de herontdekte belangstelling 70 V, 2,62 | het theologisch onderzoek. Men denke aan de onverschilligheid 71 V, 2,62 | die ertoe geleid heeft dat men zich van iedere vorm van 72 VI, 1,67 | uiteindelijke doel vinden. Men denke bijvoorbeeld aan de 73 VI, 1,69 | 69. Men kan hier wellicht tegen 74 VI, 1,69 | laten zien. Bovendien mag men niet vergeten dat de bijzondere 75 VI, 1,71 | zien. Dientengevolge kan men veranderingen en vooruitgang 76 VI, 1,72 | brengen. Ten derde moet men ervoor waken, de gewettigde 77 VI, 2,76 | Openbaring moeilijk kan oplossen. Men denke bijvoorbeeld aan de 78 VI, 2,76 | bij onze tijd staat, kan men de ontdekking van de betekenis 79 VI, 2,76 | aspecten van de waarheid. Men zou kunnen zeggen dat een 80 VI, 2,79 | hun wederzijdse relatie. Men mag daarom hopen dat theologen 81 VI, 2,79 | zonder instemming gelooft men niet echt.” 96 ~ 82 VII, 1,82 | werkelijkheid weer konden geven. Men kan niet zeggen dat de katholieke 83 VII, 1,87 | betekenis voor het heden. Men mag daarentegen niet vergeten 84 VII, 1,88 | veroorzaakt. ~Helaas, zo moet men vaststellen, verwijst het 85 VII, 1,90 | van zijn identiteit. Want men mag niet over het hoofd 86 VII, 1,91 | betrekking tot postulaten die men voor niet discutabel hield, 87 VII, 2,92 | aan de evangelisering. Zou men in dit verband niet denken 88 VII, 2,92 | toen: “Het is nodig dat men tegemoet komt aan de levende 89 VII, 2,92 | onveranderlijke leer, waaraan men zich getrouw dient te houden, 90 VII, 2,93 | drie-ene God zijn. Daar heeft men toegang toe, wanneer men 91 VII, 2,93 | men toegang toe, wanneer men nadenkt over het mysterie 92 VII, 2,93 | problemen voor, waarvoor men geen toereikende oplossing 93 VII, 2,96 | te overdenken, aangezien men ernstig rekening moet houden 94 VII, 2,97 | verstaan. In dit geval zou men vervallen tot een ongeschikt 95 VII, 2,97 | uitgingvan onderen’ zoals men tegenwoordig pleegt te zeggen, 96 VII, 2,98 | en nu te kiezen gedrag; men kwam ertoe, aan het geweten 97 Slot, 0,103 | wordt des te dringender als men kijkt naar de uitdagingen 98 Slot, 0,103 | voor de wijsbegeerte mag men beschouwen als een fundamentele 99 Slot, 0,104 | zich geconfronteerd ziet - men denke aan de problemen van


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License