Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | alsook in het Avondland kan men een weg traceren, die in
2 Inl, 0,4 | hebben geleid. Daardoor was men in de loop van de geschiedenis
3 Inl, 0,4 | denken steeds aanwezig zijn. Men denke, om een enkel voorbeeld
4 Inl, 0,4 | te kennen; verder denke men aan enkele morele principes
5 Inl, 0,4 | van kennis bestaat, waarin men zoiets als een geestelijk
6 Inl, 0,5 | voorbehoud. Daarin ontzegt men namelijk aan de waarheid
7 Inl, 0,5 | exclusieve karakter. Daarbij gaat men uit van de opvatting dat
8 Inl, 0,5 | teruggebracht tot mening. Men heeft de indruk van een
9 Inl, 0,5 | valse bescheidenheid stelt men zich tevreden met voorlopige
10 Inl, 0,6 | geloof concentreren. Want men kan niet ontkennen, dat
11 Inl, 0,6 | indringend duidelijk, wanneer men moest vaststellen hoe versnipperd
12 I, 2,13 | 13. Men mag niettemin niet vergeten
13 I, 2,13 | Daarom is de akt, waarmee men zich aan God toevertrouwt,
14 I, 2,14 | alleen het grootste dat men kan denken (non solum es
15 I, 2,14 | bent groter dan alles wat men kan denken (quiddam maius
16 I, 2,14 | Als U niet zo was, zou men zich iets groters dan U
17 I, 2,15 | haar hoogtepunt en begrijpt men volledig het woord van de
18 I, 2,15 | het boek Deuteronomium kan men goed op deze situatie toepassen: “
19 II, 1,16 | Sir 14, 20-27) ~Zoals men ziet is voor de geïnspireerde
20 II, 1,16 | grondig worden gekend wanneer men zich tegelijkertijd bekent
21 II, 1,16 | zijn schreden” (Spr 16,9). Men zou kunnen zeggen dat de
22 II, 1,18 | voort uit het besef dat men zich op deze weg niet mag
23 II, 1,19 | verwijst, verklaart hij, dat men juist door verstandig nadenken
24 II, 1,19 | schoonheid van de schepselen ziet men door vergelijking hun Schepper” (
25 II, 2,23 | elke culturele grens, die men haar wil stellen, en verplicht
26 III, 1,27 | levensprogramma’s, waar men zich toevertrouwt aan het
27 III, 2,28 | worden door angst en vrees. Men kan dus de mens definiëren
28 III, 2,29 | antwoorden van welker waarheid men ook daarom overtuigd is,
29 III, 2,29 | daarom overtuigd is, omdat men de ervaring heeft, dat zij
30 III, 2,30 | Op een ander niveau moet men de waarheden van wijsgerige
31 III, 2,30 | waarheden betreft, moet men duidelijk stellen dat zij
32 III, 2,32 | toe te vertrouwen, doordat men een vastere en innige verbinding
33 III, 2,32 | Dat is de reden waarom men op hun woord vertrouwt:
34 III, 2,32 | op hun woord vertrouwt: men ontdekt in hen heel duidelijk
35 III, 2,33 | meest expressieve akten. ~Men mag niet vergeten dat ook
36 III, 2,33(28)| In het bijzonder wanneer men bij het zoeken naar het
37 III, 2,34 | met de waarheden waartoe men door het filosoferen komt.
38 III, 2,35 | vastgesteld kunnen worden, waaraan men als referentiepunten moet
39 IV, 1,36 | bewustzijn van datgene waaraan men geloofde. Het eerste positieve
40 IV, 1,37 | 37. Wanneer men wijst op deze toenaderingsbeweging
41 IV, 1,37 | naar de wijsbegeerte moet men ook de voorzichtige houding
42 IV, 1,38 | nog duidelijker, wanneer men denkt aan de bijdrage van
43 IV, 1,38 | waarheid afslaat, heeft men haar terecht haag en muur
44 IV, 1,39 | van deze ontwikkeling kan men toch de kritische overname
45 IV, 1,39 | de eerste voorbeelden die men kan ontmoeten is Origenes
46 IV, 1,42 | alles is? Als dus dat wat men tot nog toe over het hoogste
47 IV, 1,42 | is vastgesteld, ofschoon men met de rede niet zó tot
48 IV, 1,42 | wezen kan doordringen dat men het ook met woorden kan
49 IV, 2,43 | de geloofsinhouden komt men in ieder geval door vrije
50 IV, 2,44 | hoort. Deze laatste verwerft men zich namelijk door de studie:
51 IV, 3,45 | posities radicaler, tot men feitelijk bij een gescheiden
52 IV, 3,46 | denken heeft zich, zo kan men zonder overdrijving zeggen,
53 IV, 3,46 | geesteshouding, volgens welke men geen definitieve verplichting
54 IV, 3,47 | 47. Anderzijds mag men niet vergeten dat in de
55 IV, 3,48 | filosofiegeschiedenis kan men dus constateren, dat er
56 V, 1,55 | einde van de metafysica’: men wil dat de filosofie zich
57 V, 1,55 | vooral wanneer meningen die men filosofisch goed gefundeerd
58 V, 1,55 | waarheid te maken. Zo komt men ertoe het woord van God
59 V, 1,55(72) | dergelijke meningen, waarvan men weet dat ze tegengesteld
60 V, 1,55 | de andere kan bestaan. 76 Men mag voorts het gevaar niet
61 V, 1,55 | het geringe respect dat men voor de speculatieve theologie
62 V, 1,56 | het zeer begrijpelijk dat men moeilijk volledige en ultieme
63 V, 1,56 | is, dat dàt de weg is die men moet inslaan: de hartstocht
64 V, 2,59 | verschillende perspectieven heeft men dus voortdurend vormen van
65 V, 2,61 | nodig is gebleken - waarbij men ook de waarde van de inzichten
66 V, 2,61 | veel katholieke scholen kon men in de jaren die onmiddellijk
67 V, 2,61 | Op de eerste plaats denke men aan het wantrouwen tegen
68 V, 2,61 | achterwege te laten, terwijl men de aandacht concentreert
69 V, 2,61 | vervangen. Tenslotte mag men de herontdekte belangstelling
70 V, 2,62 | het theologisch onderzoek. Men denke aan de onverschilligheid
71 V, 2,62 | die ertoe geleid heeft dat men zich van iedere vorm van
72 VI, 1,67 | uiteindelijke doel vinden. Men denke bijvoorbeeld aan de
73 VI, 1,69 | 69. Men kan hier wellicht tegen
74 VI, 1,69 | laten zien. Bovendien mag men niet vergeten dat de bijzondere
75 VI, 1,71 | zien. Dientengevolge kan men veranderingen en vooruitgang
76 VI, 1,72 | brengen. Ten derde moet men ervoor waken, de gewettigde
77 VI, 2,76 | Openbaring moeilijk kan oplossen. Men denke bijvoorbeeld aan de
78 VI, 2,76 | bij onze tijd staat, kan men de ontdekking van de betekenis
79 VI, 2,76 | aspecten van de waarheid. Men zou kunnen zeggen dat een
80 VI, 2,79 | hun wederzijdse relatie. Men mag daarom hopen dat theologen
81 VI, 2,79 | zonder instemming gelooft men niet echt.” 96 ~
82 VII, 1,82 | werkelijkheid weer konden geven. Men kan niet zeggen dat de katholieke
83 VII, 1,87 | betekenis voor het heden. Men mag daarentegen niet vergeten
84 VII, 1,88 | veroorzaakt. ~Helaas, zo moet men vaststellen, verwijst het
85 VII, 1,90 | van zijn identiteit. Want men mag niet over het hoofd
86 VII, 1,91 | betrekking tot postulaten die men voor niet discutabel hield,
87 VII, 2,92 | aan de evangelisering. Zou men in dit verband niet denken
88 VII, 2,92 | toen: “Het is nodig dat men tegemoet komt aan de levende
89 VII, 2,92 | onveranderlijke leer, waaraan men zich getrouw dient te houden,
90 VII, 2,93 | drie-ene God zijn. Daar heeft men toegang toe, wanneer men
91 VII, 2,93 | men toegang toe, wanneer men nadenkt over het mysterie
92 VII, 2,93 | problemen voor, waarvoor men geen toereikende oplossing
93 VII, 2,96 | te overdenken, aangezien men ernstig rekening moet houden
94 VII, 2,97 | verstaan. In dit geval zou men vervallen tot een ongeschikt
95 VII, 2,97 | uitging ‘van onderen’ zoals men tegenwoordig pleegt te zeggen,
96 VII, 2,98 | en nu te kiezen gedrag; men kwam ertoe, aan het geweten
97 Slot, 0,103 | wordt des te dringender als men kijkt naar de uitdagingen
98 Slot, 0,103 | voor de wijsbegeerte mag men beschouwen als een fundamentele
99 Slot, 0,104 | zich geconfronteerd ziet - men denke aan de problemen van
|