Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | eigen bestaan opkomt. Alles wat zich als voorwerp van onze
2 Inl, 0,1 | Waarom is er het kwade? Wat zal er na dit leven zijn?
3 Inl, 0,6 | het geduldige zoeken naar wat de moeite waard is om te
4 I, 2,13 | de geloofwaardigheid van wat Hij openbaart. Door het
5 I, 2,13 | open te stellen voor dat wat de zelfverwerkelijking mogelijk
6 I, 2,13 | bevestigt je voorbij de natuur. Wat daar verschijnt is een teken:
7 I, 2,14 | hij zonder verzuim alles wat in zijn macht stond heeft
8 I, 2,14 | opdringerigheid. (...) Maar wat ben ik armzalige, een van
9 I, 2,14 | begonnen te ondernemen, en wat is mij gelukt? Waarheen
10 I, 2,14 | Waar streefde ik naar en wat verlang ik nog steeds? (...)
11 I, 2,14 | U bent groter dan alles wat men kan denken (quiddam
12 II, 1,16 | wijsheidsboeken getuigen daarvan. Wat indruk maakt bij het zonder
13 II, 1,16 | zee van de kennisleer. ~Wat voor soort bijdrage? De
14 II, 1,16 | eenheid bestaat. De wereld en wat er daarin gebeurt, net als
15 II, 1,18 | diepten peilen van alles wat het met het verstand tevergeefs
16 II, 1,20 | overgewaardeerd. Want alles wat het bereikt, kan wel waar
17 II, 2,22 | onderscheiden en te beslissen wat goed en wat kwaad was, maar
18 II, 2,22 | te beslissen wat goed en wat kwaad was, maar moest zich
19 II, 2,23 | apostel nadrukkelijk. Voor dat wat God wil verwezenlijken,
20 II, 2,23 | heeft God uitgekozen: dat wat niets is, omdat wat iets
21 II, 2,23 | dat wat niets is, omdat wat iets is te vernietigen” (
22 II, 2,23 | zijn heilsplan uitgekozen, wat het verstand beschouwt als ‘
23 II, 2,23 | God heeft in de wereld dat wat niets is, uitgekozen om
24 II, 2,23 | niets is, uitgekozen om dat wat iets is te vernietigen” (
25 II, 2,23 | waarvan zij de draagster is. Wat een uitdaging voor ons verstand,
26 II, 2,23 | uitdaging voor ons verstand, en wat een voordeel haalt het eruit,
27 III, 1,24 | de onbekende god. Welnu, wat u zonder het te kennen vereert,
28 III, 1,27 | waarheid is, universeel. Wat waar is, moet voor allen
29 III, 2,30 | op de laatste vragen. 27 ~Wat de wijsgerige waarheden
30 III, 2,32 | waarheid van de persoon: wat hij is en wat hij van zijn
31 III, 2,32 | de persoon: wat hij is en wat hij van zijn innerlijk zichtbaar
32 III, 2,32 | vertrouwen op, omdat hij zegt wat wij reeds ervaren, en openbaar
33 III, 2,32 | ervaren, en openbaar maakt, wat ook wij, als we de kracht
34 III, 2,33 | wordt gericht, opdat zij dat wat zij ervaart als streven
35 III, 2,33(28) | gelegenheden gesproken heb. “‘Wat is de mens en waartoe dient
36 III, 2,33(28) | mens en waartoe dient hij? Wat is goed aan hem en wat slecht?’ (
37 III, 2,33(28) | Wat is goed aan hem en wat slecht?’ (Sir.18,8)... Deze
38 III, 2,34 | vgl. Joh 1,14.18). 30 Dat wat het menselijk verstand zoekt, “
39 IV, 1,39 | van het wijsgerig betoog. Wat voordiende duidde op een
40 IV, 1,40 | bevolen werd te geloven wat niet bewezen werd - of het
41 IV, 1,41 | vraag van Tertullianus: “Wat hebben Athene en Jeruzalem
42 IV, 1,41 | Athene en Jeruzalem gemeen? Wat de Academie en de Kerk?” 40
43 IV, 1,41 | categorieën. Ze hebben heel wat meer gepresteerd. Het lukte
44 IV, 1,41 | zichtbaar te laten worden wat zich nog onuitgesproken
45 IV, 1,42 | rede moet zoeken naar dat wat zij bemint: hoe meer ze
46 IV, 1,42 | ontbrandt in liefde voor dat wat hij kent, ook wanneer hij
47 IV, 1,42 | niet alles heeft gedaan wat in zijn verlangen lag: “
48 IV, 1,42 | vermogen steeds groter is dan wat het daadwerkelijk bereikt.
49 IV, 1,42 | onuitsprekelijk is als dat wat boven alles is? Als dus
50 IV, 1,42 | boven alles is? Als dus dat wat men tot nog toe over het
51 IV, 1,42 | de hoogste wijsheid weet, wat zij geschapen heeft (...)
52 IV, 1,42 | van zijn zoektocht dat, wat het verstand aanbiedt, als
53 IV, 2,43 | zou ik willen aanhalen, wat mijn voorganger, de Dienaar
54 IV, 3,45 | in diskrediet te brengen. Wat het patristische en middeleeuwse
55 IV, 3,47 | steeds meer bedreigd door wat hij zelf voortbrengt: door
56 IV, 3,47 | angst leven Hij vreest, dat wat hij voortbrengt zich wel
57 V, 1,50 | plicht om te laten zien wat in een wijsgerig systeem
58 V, 1,51 | filosofische noties dat wat zij vanuit het standpunt
59 V, 1,51 | bieden, te onderscheiden van wat bij hen verkeerd of gevaarlijk
60 V, 1,52 | omdat in die tijd nogal wat katholieken het als hun
61 V, 1,52 | verstand iets toeschreven wat alleen in het licht van
62 V, 1,54 | van de wijsbegeerte. Alles wat mijn eerwaarde voorgangers
63 V, 1,56 | te treden en voor alles wat mooi, goed en waar is, iets
64 V, 2,61 | ik vaststellen dat heel wat theologen deze onverschilligheid
65 V, 2,63 | moet onderhouden, en zo ja: wat voor een. ~
66 VI, 1,66 | 66. Wat de intellectus fidei betreft,
67 VI, 1,67(90) | eraan wil geven, en naar dat wat hem na de dood wacht, vormt
68 VI, 1,69 | uitwisseling tussen de culturen. Wat ik met nadruk zou willen
69 VI, 1,69 | culturen te leren kennen, “niet wat de mensen denken, maar wat
70 VI, 1,69 | wat de mensen denken, maar wat de objectieve waarheid is”. 93
71 VI, 1,71 | uitingen draagt hij iets wat hem boven de schepping uittilt:
72 VI, 1,71 | verdere ontwikkeling van wat impliciet aanwezig is tot
73 VI, 1,71 | haar zou willen ontzeggen wat haar toebehoort en haar
74 VI, 1,72 | zij zich niet losmaken van wat zij zich eigen heeft gemaakt
75 VI, 1,73 | filosofische structuur gebruikt; wat vooral van belang is, is
76 VI, 2,75 | die ten diepste verwelkomt wat geopenbaard is, niet, maar
77 VI, 2,79 | Door verder uit te werken wat het leergezag vóór mij heeft
78 VII, 1,81 | harmoniserende uitleg van alles wat hij doet in de wereld. Daarom
79 VII, 1,83 | refereert voortdurend aan wat uitstijgt boven de menselijke
80 VII, 1,85 | onderzoek. Daarom herneem ik wat de pausen sedert generaties
81 VII, 1,85 | generaties onophoudelijk leren en wat ook het Tweede Vaticaans
82 VII, 1,87 | waarde van het ware ontkend. Wat waar was in een bepaalde
83 VII, 1,88 | verwijst het sciëntisme alles wat te maken heeft met de kwestie
84 VII, 1,90(106)| mens bevrijdt van alles wat de vrijheid in zijn geest,
85 VII, 1,91 | wijsgerige veld, maar hij is wat tweeduidig gebleven, zowel
86 VII, 1,91 | zowel omdat het oordeel over wat ‘postmodern’ wordt genoemd
87 VII, 2,92 | 92. Wat het begrip van de openbaring
88 VII, 2,92(109)| waarheid”, dat verwijst naar wat de apostelen “nu niet kunnen
89 VII, 2,92(109)| Crucis, maar ook met alles wat Christus ‘deed en leerde’ (
90 VII, 2,94 | openbaring de vraag stellen, wat de diepe en onvervalste
91 VII, 2,94 | de grenzen van de taal. ~Wat de bijbelse teksten en in
92 VII, 2,96(112)| wijsgerig systeem; maar wat door de katholieke theologen
93 VII, 2,96(113)| Wat de betekenis van de dogmatische
94 VII, 2,98 | duidelijk onderstreept. Wat het merendeel van de dringendste
95 VII, 2,99 | bereiken valt, aangezien dat wat in de catechese wordt meegedeeld
|