Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,4 | te verwerven, die hem in staat stelt zichzelf beter te
2 Inl, 0,4 | in betrekking met anderen staat, die op hem lijken en wier
3 Inl, 0,4 | zijn. Wanneer de rede in staat is, de eerste en algemene
4 Inl, 0,5 | gebogen en steeds minder in staat was, de blik omhoog te heffen
5 I, 1,7 | ons leven als gelovigen staat een unieke ontmoeting, die
6 I, 2,13 | begrijpen. Alleen het geloof staat het ons toe in de intimiteit
7 I, 2,13 | God zelf daarvoor garant staat. Deze aan de mens geschonken
8 I, 2,15 | wordt, inzoverre hij nog in staat is de blik boven zichzelf
9 II, 1,16 | gluurt en aan haar deuren staat te luisteren; die dichtbij
10 II, 1,18 | dus zeggen, dat Israël in staat was, met zijn reflecties
11 II, 1,18 | in werkelijkheid niet in staat, de blik te concentreren
12 II, 1,18 | weten is en hoe ver hij af staat van de volle waarheid over
13 II, 1,19 | de mens met zijn rede in staat is, “de opbouw van de wereld
14 II, 1,19 | in één woord, dat hij in staat is te filosoferen, zet hij
15 II, 2,21 | voorzover hij ‘in relatie staat’: in relatie met zichzelf,
16 II, 2,22 | waarneembare werkelijkheid staat. In wijsgerige vaktaal zouden
17 II, 2,22 | duidelijk: de mens was niet in staat om uit zichzelf te onderscheiden
18 II, 2,22 | rede waren nu niet meer in staat helder te zien: het verstand
19 II, 2,23 | denkschema’s, die geenszins in staat zijn, haar adequaat weer
20 II, 2,23 | die reeds uit zichzelf in staat is de onophoudelijke zelfoverstijging
21 III, 1,24 | tijden bewezen dat hij in staat is, aan dit diepste verlangen
22 III, 1,25 | schepping dat niet alleen in staat is om te weten, maar ook
23 III, 2,31 | verwerft. Wie zou wel in staat zijn, de ontelbare wetenschappelijke
24 III, 2,33 | waarheid aan gene zijde, die in staat moet zijn, de zin van het
25 III, 2,33 | vervat liggen is de mens in staat, een dergelijke waarheid
26 III, 2,33(28)| oplossing te zoeken die in staat is aan het leven een volle
27 IV, 1,38 | te komen, moeten allen in staat zijn deze weg te kunnen
28 IV, 1,40 | van leven, was hij ook in staat in zijn werken een grote
29 IV, 1,42 | ook helemaal niet toe in staat zijn. Veeleer is het zijn
30 IV, 3,45 | van speculatief denken in staat was, werd tenslotte vernietigd
31 IV, 3,46 | middelpunt van hun interesse staat. Meer nog: enkelen van hen,
32 IV, 3,46 | voorrang heeft. Het nihilisme staat aan het begin van die wijdverbreide
33 IV, 3,48 | eenheid herstellen die hen in staat stelt om in harmonie met
34 V, 1,53 | moet leveren: “Maar ook al staat het geloof boven het verstand,
35 V, 1,55(72) | Concilie dat de rede nooit “in staat is (deze mysteries) precies
36 V, 2,57 | wederzijdse vriendschap: hij staat beide hun rechten toe en
37 V, 2,63 | stimuleren dat niet vijandig staat tegenover het geloof. Het
38 VI, 1,66 | theologie moet van haar kant in staat zijn, de universele betekenis
39 VI, 1,66 | van de gelovige moet in staat zijn deze kennis uit te
40 VI, 1,67 | door een verstand dat in staat is in volle vrijheid zijn
41 VI, 1,68 | samenleving, moet de christen in staat zijn zijn geweten en zijn
42 VI, 1,70 | deel te hebben. Christus staat beide volkeren toe, ‘een’
43 VI, 1,71 | openbaring. Het evangelie staat niet in tegenstelling tot
44 VI, 2,75 | binnen de natuurlijke orde staat de onderneming van de wijsbegeerte -
45 VI, 2,76 | is er iets?” ~Daarnaast staat het objectieve aspect, dat
46 VI, 2,76 | dat dichter bij onze tijd staat, kan men de ontdekking van
47 VI, 2,76 | vermelden, die zo centraal staat in de christelijke openbaring.
48 VI, 2,78 | gekomen is, omdat hij in staat was de radicale nieuwheid
49 VII, 1,80 | inclusief de mens, voor God staat, tot conflicten die de rationele
50 VII, 1,83 | dat wil zeggen: die in staat is boven de empirische gegevens
51 VII, 1,83 | metafysische horizon zou niet in staat zijn, om verder te gaan
52 VII, 1,84 | dat de taal van de mens in staat is om de goddelijke en transcendente
53 VII, 1,84 | menselijke taal, niet in staat zijn iets over God te zeggen.
54 VII, 1,85 | brengen, dat de mens in staat is, te komen tot een uniforme
55 VII, 1,85 | zijn, zullen we vandaag in staat zijn om voor de toekomst
56 VII, 1,85 | ook omdat zij daardoor in staat moet zijn om zowel de diepe
57 VII, 1,86 | daarom het gevaar, niet in staat te zijn om het waarheidsgehalte
58 VII, 1,91 | te geven van de huidige staat van de wijsbegeerte die
59 VII, 2,95 | uitstijgt. ~De mens is in staat om met behulp van zijn beperkte
60 VII, 2,97 | filosofie van het zijn zal in staat moeten zijn het probleem
61 VII, 2,98 | in zijn oorspronkelijke staat gezien, dat wil zeggen als
62 VII, 2,98 | bovennatuurlijke deugden, zal zij in staat zijn zeer passend en doelmatig
63 VII, 2,99 | theologische werk in de Kerk staat allereerst in dienst van
64 Slot, 0,104 | gelovige filosofen, die in staat zijn de verwachtingen, openingen
|