Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | het zelfbewustzijn van de menselijke persoon heeft ontvouwen;
2 Inl, 0,1 | opdoken, die de gang van het menselijke bestaan karakteriseren:
3 Inl, 0,4 | kunnen bestaan. ~Het aan de menselijke geest eigen vermogen tot
4 Inl, 0,5 | de rede, in plaats van de menselijke oriëntatie op de waarheid
5 Inl, 0,5 | het steeds dichter bij de menselijke existentie en haar uitdrukkingsvormen
6 Inl, 0,5 | tegenover het geweldige menselijke vermogen tot kennis ontstaan.
7 Inl, 0,5 | de grondoorzaak van het menselijke, persoonlijke en maatschappelijke
8 I, 1,8 | buiten de kennis van het menselijke verstand dat krachtens zijn
9 I, 1,12 | voltrokken zien worden, die de menselijke geest zich vanuit zichzelf
10 I, 1,12 | blijft het geheim van de menselijke persoon een onoplosbaar
11 I, 2,15 | Het laatste doel van het menselijke bestaan als persoon is dus
12 II, 2,22 | waarheid zouden belemmeren. Het menselijke vermogen om de waarheid
13 II, 2,23 | verstand stukloopt om met puur menselijke redenering een bevredigende
14 II, 2,23 | Vader te herleiden tot puur menselijke logica, tot mislukken gedoemd. “
15 II, 2,23 | vernietigen” (1Kor 1,27-28). De menselijke wijsheid weigert in haar
16 III, 1,24 | mogelijkheden aan dit universele menselijke streven uitdrukking gegeven. ~
17 III, 1,25 | morele handelen slaat de menselijke persoon, als hij handelt
18 III, 1,25 | omdat alleen ware waarden de menselijke persoon door de verwerkelijking
19 III, 2,29 | diep geworteld is in de menselijke natuur volledig nutteloos
20 III, 2,33 | zich bevindt op een naar menselijke maat eindeloze zoektocht:
21 III, 2,33(28) | verheven uitdrukking van de menselijke natuur: dientengevolge is
22 III, 2,33(28) | onderzoeken, bereikt de menselijke rede haar top en opent zij
23 III, 2,33(28) | meest verheven uiting van de menselijke persoon, omdat zij het hoogtepunt
24 IV, 1,37 | leer, die enkel steunen op menselijke overlevering en die zich
25 IV, 2,44 | bij het laten rijpen van menselijke kennis tot wijsheid. Reeds
26 IV, 2,44 | waarheid bleef, “toppen die de menselijke intelligentie nooit had
27 IV, 3,47 | van de vele gebieden van menselijke kennis; ze is zelfs in bepaald
28 IV, 3,47 | het drama van het huidige menselijke bestaan in zijn breedste
29 V, 1,53 | geloof meedeelt, heeft in de menselijke geest het licht van het
30 V, 1,54 | taak rust, de goddelijke en menselijke waarheid te beschermen en
31 V, 1,55 | bepaalde gebieden van de menselijke kennis of haar structuren. ~
32 V, 2,60 | naar Gods beeld geschapen menselijke persoon. Zijn waardigheid
33 VI, 1,67 | aan het vermogen van de menselijke taal om uitdrukkelijk en
34 VI, 1,67 | datgene dat boven iedere menselijke ervaring uitgaat. Door al
35 VI, 1,68 | filosofische visie, zowel op de menselijke natuur en samenleving alsook
36 VI, 1,69 | hulp van andere vormen van menselijke kennis zou moeten bedienen,
37 VI, 1,69 | Niet de verschillende menselijke meningen maar alleen de
38 VI, 1,70 | culturen hun wortels diep in de menselijke natuur hebben, getuigen
39 VI, 1,72 | de universaliteit van de menselijke geest, wiens eerste behoeften
40 VI, 1,73 | vgl. Joh 17,17), kan het menselijke zoeken naar de waarheid -
41 VI, 2,76 | een nieuw hoofdstuk van de menselijke zoektocht naar de waarheid. ~
42 VI, 2,79 | christelijk geloof en de menselijke culturen elkaar kunnen ontmoeten,
43 VII, 1,80 | ongeordende uitoefening van de menselijke vrijheid. Tenslotte stelt
44 VII, 1,80 | worden de goddelijke en de menselijke natuur ieder in hun eigen
45 VII, 1,81 | een tweeduidig denken de menselijke geest binnen, dat leidt
46 VII, 1,81 | raamwerk van de eenheid van de menselijke kennis en actie, en ze leiden
47 VII, 1,82 | dat de wijsbegeerte het menselijke vermogen om de waarheid
48 VII, 1,83 | maakt om het begrip van de menselijke waardigheid een grondslag
49 VII, 1,83 | aan wat uitstijgt boven de menselijke ervaring en zelfs diens
50 VII, 1,83 | kunnen maken102, als de menselijke kennis strikt beperkt was
51 VII, 1,84 | een goddelijk woord is in menselijke taal, niet in staat zijn
52 VII, 1,84 | alleen de uitdrukking van menselijke noties over God en over
53 VII, 1,90 | eigenlijke basis van de menselijke waardigheid. Dit maakt het
54 VII, 2,92(109)| zijn en het Licht van de menselijke geest’: nr. 6, AAS 78 (1986),
55 VII, 2,93 | waarlijk groot geheim voor de menselijke geest, voor wie het onhoudbaar
56 VII, 2,94 | wordt. Zo belichaamt de menselijke taal de taal van God, die
57 VII, 2,96(112)| ster verlichting aan de menselijke geest, door de Kerk. Daarom
58 VII, 2,98 | met de beoefening van de menselijke en bovennatuurlijke deugden,
59 Slot, 0,102 | zowel de verdediging van de menselijke waardigheid als ook de verkondiging
60 Slot, 0,102 | God heeft geschreven in de menselijke natuur, komt ook de menselijke
61 Slot, 0,102 | menselijke natuur, komt ook de menselijke en vermenselijkende betekenis
62 Slot, 0,106 | verschillende terreinen van de menselijke activiteit verlichten door
63 Slot, 0,106 | onmisbare uitdrukking van de menselijke persoon. De wetenschapper
|