Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | onvergelijkelijkheid, terwijl bij hem steeds indringender de vraag
2 Inl, 0,2(1) | taak dienen wij samen met Hem de goddelijke waarheid in
3 Inl, 0,4 | kennis te verwerven, die hem in staat stelt zichzelf
4 Inl, 0,4 | uit de verbazing die bij hem opkomt door de beschouwing
5 Inl, 0,4 | met anderen staat, die op hem lijken en wier lot hij deelt.
6 Inl, 0,4 | Hier begint de weg die hem dan zal leiden tot de ontdekking
7 Inl, 0,5 | waarheid te richten die boven hem uitstijgt. Zonder betrekking
8 I, 1,7 | de kennis die de mens van Hem heeft, brengt alle andere
9 I, 1,10 | nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen daarin op te nemen.
10 I, 1,11 | het heilswerk dat de Vader Hem te doen gegeven heeft (vgl.
11 I, 2,13 | mens geschonken en door hem niet opeisbare waarheid
12 I, 2,13 | verheven werkelijkheden”. 16 Hem valt de filosoof Pascal
13 I, 2,13 | de mens en ontsluit voor hem zijn hoogste roeping” 18,
14 I, 2,14 | blijven staan; ja, ze spoort hem aan de ruimte van zijn kennis
15 I, 2,15 | voorbehouden aan hen die in Hem geloven of Hem met oprecht
16 I, 2,15 | hen die in Hem geloven of Hem met oprecht hart zoeken.
17 II, 1,16 | zijn weg kan kennen, maar hem dan alleen snel en zonder
18 II, 1,17 | alles zijn oorsprong, in Hem bevindt zich de volheid
19 II, 1,18 | belangrijke dingen. Dat belet hem, zijn verstand te ordenen (
20 II, 1,19 | wel aan de hindernis die hem op de weg gelegd is door
21 II, 2,21 | voor het mysterie, die tot hem kwam door de openbaring,
22 II, 2,21 | openbaring, was tenslotte voor hem de bron van een ware kennis
23 II, 2,21 | uit de zekerheid dat God hem als “onderzoeker” heeft
24 II, 2,22 | wanneer het vertelt dat God hem in de hof van Eden plaatste,
25 II, 2,22 | belemmerd door de afwijzing van Hem die bron en oorsprong van
26 III, 1,24 | ze God zouden zoeken en Hem wellicht tastenderwijs zouden
27 III, 1,25 | waarheid van hetgeen voor hem zichtbaar is. De mens kan
28 III, 1,25 | in de dimensies die boven hem uitgaan. Dat is een wezenlijke
29 III, 1,27 | fascineren, maar ze bevredigen hem niet. Er komt voor allen
30 III, 2,29 | te kunnen komen, kan voor hem aanleiding zijn de eerste
31 III, 2,32 | de waarheid die de ander hem verkondigt. ~Hoeveel voorbeelden
32 III, 2,32 | gevonden; niets en niemand zal hem ooit van deze zekerheid
33 III, 2,32 | gewelddadige dood zullen hem ertoe kunnen brengen, de
34 III, 2,33 | christelijk geloof komt hem daarin tegemoet, door hem
35 III, 2,33 | hem daarin tegemoet, door hem de concrete mogelijkheid
36 III, 2,33 | te overwinnen, leidt het hem binnen in de genade-orde,
37 III, 2,33 | binnen in de genade-orde, die hem laat delen in het geheim
38 III, 2,33 | geheim van Christus, waarin hem de ware en adequate kennis
39 III, 2,33(28) | dient hij? Wat is goed aan hem en wat slecht?’ (Sir.18,
40 III, 2,34(29) | aanwezigheid van de Schepper die hem aanspoort, zijn intuïties
41 III, 2,34 | gevonden worden: want in Hem openbaart de “volle waarheid”
42 III, 2,34 | 16) van dat wezen dat in Hem en door Hem geschapen is
43 III, 2,34 | wezen dat in Hem en door Hem geschapen is en dat daarom
44 III, 2,34 | geschapen is en dat daarom in Hem zijn voltooiing vindt (vgl.
45 IV, 1,40 | gekomen, maar ze hadden hem allemaal teleurgesteld.
46 IV, 1,40 | bekering te voltrekken waartoe hem de door hem regelmatig bezochte
47 IV, 1,40 | voltrekken waartoe hem de door hem regelmatig bezochte wijsgeren
48 IV, 1,40 | denken samenvloeiden. Ook bij hem werd de grote eenheid van
49 IV, 2,44 | leergezag van de Kerk heeft in hem de hartstocht voor de waarheid
50 IV, 3,47 | of mogelijkerwijs tegen hem gericht. Dit schijnt het
51 IV, 3,47 | wel eens radicaal tegen hem zou kunnen keren, niet alles
52 V, 1,55(72) | God geloven dat het door Hem geopenbaarde waar is, niet
53 V, 2,60 | was de voorafbeelding van Hem die komen zou, Christus
54 V, 2,60 | wie hij is en onthult Hij hem de sublieme grootheid van
55 VI, 1,67(90) | wil geven, en naar dat wat hem na de dood wacht, vormt
56 VI, 1,70 | Hand 1, 8), om de door Hem geopenbaarde waarheid door
57 VI, 1,71 | uitingen draagt hij iets wat hem boven de schepping uittilt:
58 VI, 2,78 | Thomas heeft geprezen en hem als leider en voorbeeld
59 VII, 1,83 | van de werkelijkheid voor hem: in waarheid, in schoonheid,
60 VII, 1,90 | het gelaat te wissen, en hem zo te brengen tot ofwel
61 VII, 2,92(109)| getuigenis zal afleggen” van Hem. Nu zegt Hij: “Hij zal u
62 VII, 2,97 | zij elke grens, tot zij Hem bereikt die alles tot vervulling
63 Slot, 0,107 | filosofische systemen hebben hem er door misleiding van overtuigd,
|