1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2500 | 2501-3000 | 3001-3157
Chapter, Paragraph, Number
501 I, 2,15 | verlangt om als uitdrukking van de liefde te worden aangenomen.
502 I, 2,15 | geopenbaarde waarheid is de in onze geschiedenis gelegde
503 I, 2,15 | dus studieobject van zowel de wijsbegeerte alsook de theologie.
504 I, 2,15 | zowel de wijsbegeerte alsook de theologie. Beide tonen ons,
505 I, 2,15 | geloof ons zegt, uitkomt in de volle en eeuwigdurende vreugde
506 I, 2,15 | eeuwigdurende vreugde van de aanschouwing van de drie-ene
507 I, 2,15 | van de aanschouwing van de drie-ene God. ~
508 I, 2,15(21) | De vera religione, XXXIX, 72:
509 II, 1 | De Wijsheid Weet En Verstaat
510 II, 1,16 | 16. Hoe diep de samenhang is tussen geloofs-
511 II, 1,16 | verstandskennis, wordt reeds in de heilige Schrift met verbazend
512 II, 1,16 | aanwijzingen getoond. Vooral de wijsheidsboeken getuigen
513 II, 1,16 | Israël vervat is, maar ook de rijkdom van reeds verdwenen
514 II, 1,16 | gemeenschappelijke trekken van de oud-oriëntaalse culturen
515 II, 1,16 | Het is geen toeval dat de heilige schrijver de wijze
516 II, 1,16 | dat de heilige schrijver de wijze mens, die hij zou
517 II, 1,16 | presenteert als degene die de waarheid bemint en die naar
518 II, 1,16 | naar haar zoekt: “Gelukkig de man die zich op de wijsheid
519 II, 1,16 | Gelukkig de man die zich op de wijsheid toelegt en die
520 II, 1,16 | inzicht te krijgen; die de wegen van de wijsheid in
521 II, 1,16 | krijgen; die de wegen van de wijsheid in zijn hart overdenkt
522 II, 1,16 | een speurder nazit en op de loer ligt waar zij heengaat;
523 II, 1,16 | Door haar wordt hij tegen de hitte beschut en onder haar
524 II, 1,16 | Zoals men ziet is voor de geïnspireerde schrijver
525 II, 1,16 | geïnspireerde schrijver de hartenwens naar kennis een
526 II, 1,16 | gelovigen en niet-gelovigen, de mogelijkheid gegeven om “
527 II, 1,16 | uit het diepe water” van de kennis. (vgl. Spr 20,5).
528 II, 1,16 | Israël was het kennen van de wereld en haar verschijnselen
529 II, 1,16 | abstractie, zoals dat geldt voor de Ionische wijsgeren of de
530 II, 1,16 | de Ionische wijsgeren of de Egyptische wijzen. Nog minder
531 II, 1,16 | wijzen. Nog minder begreep de goede Israëliet zijn kennis
532 II, 1,16 | Israëliet zijn kennis op de wijze van de moderne wereld
533 II, 1,16 | zijn kennis op de wijze van de moderne wereld die meer
534 II, 1,16 | onderscheiden. Desondanks heeft de wereld van de bijbel haar
535 II, 1,16 | Desondanks heeft de wereld van de bijbel haar oorspronkelijke
536 II, 1,16 | bijdrage laten vloeien in de grote zee van de kennisleer. ~
537 II, 1,16 | vloeien in de grote zee van de kennisleer. ~Wat voor soort
538 II, 1,16 | Wat voor soort bijdrage? De bijzonderheid die de bijbeltekst
539 II, 1,16 | bijdrage? De bijzonderheid die de bijbeltekst kenmerkt ligt
540 II, 1,16 | bijbeltekst kenmerkt ligt in de overtuiging dat er tussen
541 II, 1,16 | onscheidbare eenheid bestaat. De wereld en wat er daarin
542 II, 1,16 | daarin gebeurt, net als de geschiedenis en de wisselende
543 II, 1,16 | net als de geschiedenis en de wisselende wederwaardigheden
544 II, 1,16 | werkelijkheden, die met de middelen van het verstand
545 II, 1,16 | blijft. Het grijpt niet in om de autonomie van het verstand
546 II, 1,16 | maar alleen om het voor de mens begrijpelijk te maken,
547 II, 1,16 | begrijpelijk te maken, dat de God van Israël in deze gebeurtenissen
548 II, 1,16 | zichtbaar wordt en handelt. De wereld en de historische
549 II, 1,16 | en handelt. De wereld en de historische gebeurtenissen
550 II, 1,16 | bekent tot het geloof in de in haar werkende God. Het
551 II, 1,16 | God. Het geloof scherpt de inwendige blik doordat het
552 II, 1,16 | inwendige blik doordat het de rede opent voor de ontdekking
553 II, 1,16 | doordat het de rede opent voor de ontdekking van de actieve
554 II, 1,16 | opent voor de ontdekking van de actieve aanwezigheid van
555 II, 1,16 | actieve aanwezigheid van de Voorzienigheid in de stroom
556 II, 1,16 | van de Voorzienigheid in de stroom der gebeurtenissen.
557 II, 1,16 | veelbetekenend: “Het hart van de mens bedenkt zijn weg, maar
558 II, 1,16 | mens bedenkt zijn weg, maar de Heer leidt zijn schreden” (
559 II, 1,16 | Men zou kunnen zeggen dat de mens met het licht van het
560 II, 1,16 | scheiden zonder dat het voor de mens onmogelijk wordt, zichzelf,
561 II, 1,16 | onmogelijk wordt, zichzelf, de wereld en God op passende
562 II, 1,17 | deze richting wijst met de uitroep: “Het is Gods eer,
563 II, 1,17 | zaak te verhullen, maar de eer van de koning is het,
564 II, 1,17 | verhullen, maar de eer van de koning is het, een zaak
565 II, 1,17 | zoeken” (Spr 16,9). God en de mens zijn in hun respectieve
566 II, 1,17 | oorsprong, in Hem bevindt zich de volheid van het mysterie,
567 II, 1,17 | maakt zijn eer uit; aan de mens is het, met zijn verstand
568 II, 1,17 | verstand te zoeken naar de waarheid, en daarin bestaat
569 II, 1,17 | voor dit mozaïek wordt door de Psalmist aangedragen, wanneer
570 II, 1,17 | kracht, dat het hart van de mens ondanks de ervaring
571 II, 1,17 | hart van de mens ondanks de ervaring van onoverschrijdbare
572 II, 1,17 | onoverschrijdbare grenzen verlangt naar de oneindige rijkdom, die zich
573 II, 1,18 | reflecties voor het verstand de weg naar het mysterie open
574 II, 1,18 | Gods openbaring kon het de diepten peilen van alles
575 II, 1,18 | aard beter te verhelderen. De eerste is dat het kennen
576 II, 1,18 | eerste is dat het kennen van de mens een weg is die geen
577 II, 1,18 | die geen stilstand kent; de tweede komt voort uit het
578 II, 1,18 | weg niet mag begeven met de hoogmoed van degene die
579 II, 1,18 | degene die meent dat alles de vrucht is van persoonlijke
580 II, 1,18 | een derde regel steunt op de “vreze Gods”: het verstand
581 II, 1,18 | liefde bij het besturen van de wereld erkennen. ~Wanneer
582 II, 1,18 | wereld erkennen. ~Wanneer de mens van deze regels afwijkt
583 II, 1,18 | en komt hij tenslotte in de toestand van de “dwaas”.
584 II, 1,18 | tenslotte in de toestand van de “dwaas”. Voor de bijbel
585 II, 1,18 | toestand van de “dwaas”. Voor de bijbel houdt dwaasheid een
586 II, 1,18 | bedreiging van het leven in. Want de dwaas maakt zich wijs, dat
587 II, 1,18 | werkelijkheid niet in staat, de blik te concentreren op
588 II, 1,18 | blik te concentreren op de werkelijk belangrijke dingen.
589 II, 1,18 | hoe ver hij af staat van de volle waarheid over de dingen,
590 II, 1,18 | van de volle waarheid over de dingen, hun oorsprong en
591 II, 1,19 | dit thema. Daarin spreekt de schrijver over God, die
592 II, 1,19 | zich ook laat kennen door de natuur. In de Oudheid viel
593 II, 1,19 | kennen door de natuur. In de Oudheid viel de studie van
594 II, 1,19 | natuur. In de Oudheid viel de studie van de natuurwetenschappen
595 II, 1,19 | Oudheid viel de studie van de natuurwetenschappen grotendeels
596 II, 1,19 | natuurwetenschappen grotendeels samen met de wijsgerige studie. Nadat
597 II, 1,19 | wijsgerige studie. Nadat de heilige tekst heeft onderstreept
598 II, 1,19 | tekst heeft onderstreept dat de mens met zijn rede in staat
599 II, 1,19 | zijn rede in staat is, “de opbouw van de wereld en
600 II, 1,19 | staat is, “de opbouw van de wereld en het werken der
601 II, 1,19 | werken der elementen, (...) de kringloop van de jaren en
602 II, 1,19 | de kringloop van de jaren en de positie van
603 II, 1,19 | kringloop van de jaren en de positie van de sterren,
604 II, 1,19 | jaren en de positie van de sterren, de natuur van de
605 II, 1,19 | positie van de sterren, de natuur van de dieren en
606 II, 1,19 | de sterren, de natuur van de dieren en de wildheid van
607 II, 1,19 | natuur van de dieren en de wildheid van roofdieren”
608 II, 1,19 | stap naar voren. Terwijl de schrijver het Griekse wijsgerige
609 II, 1,19 | verstandig nadenken over de natuur weer bij de Schepper
610 II, 1,19 | over de natuur weer bij de Schepper terug kan komen: “
611 II, 1,19 | terug kan komen: “Want uit de grootheid en schoonheid
612 II, 1,19 | grootheid en schoonheid van de schepselen ziet men door
613 II, 1,19 | dus een eerste trede van de goddelijke openbaring erkend,
614 II, 1,19 | wonderbaarlijke “boek van de natuur”; als de mens dit
615 II, 1,19 | boek van de natuur”; als de mens dit boek leest met
616 II, 1,19 | mens dit boek leest met de middelen die aan zijn verstand
617 II, 1,19 | dan kan hij tot kennis van de Schepper komen. Wanneer
618 II, 1,19 | Schepper komen. Wanneer de mens met zijn verstand God,
619 II, 1,19 | mens met zijn verstand God, de Schepper van alles, niet
620 II, 1,19 | passend middel als wel aan de hindernis die hem op de
621 II, 1,19 | de hindernis die hem op de weg gelegd is door zijn
622 II, 1,20 | perspectief van het geloof: “De Heer leidt de schreden van
623 II, 1,20 | het geloof: “De Heer leidt de schreden van ieder. Hoe
624 II, 1,20 | schreden van ieder. Hoe zou de mens zijn weg kunnen begrijpen?” (
625 II, 1,20 | bevrijdt het geloof dus de rede omdat het haar mogelijk
626 II, 1,20 | betekenis krijgt. In één woord: de mens komt door het verstand
627 II, 1,20 | komt door het verstand tot de waarheid, omdat hij tegelijk
628 II, 1,20 | tegelijk met het geloof de diepe zin van alles, en
629 II, 1,20 | alles, en in het bijzonder de zin van zijn eigen bestaan
630 II, 1,20 | Terecht vereenzelvigt daarom de schrijver de vrees voor
631 II, 1,20 | vereenzelvigt daarom de schrijver de vrees voor God met het begin
632 II, 1,20 | voor God met het begin van de ware kennis: “De vrees voor
633 II, 1,20 | begin van de ware kennis: “De vrees voor de Heer is het
634 II, 1,20 | ware kennis: “De vrees voor de Heer is het begin van de
635 II, 1,20 | de Heer is het begin van de kennis” (Spr 1,7; vgl. Sir
636 II, 2,21 | zorgvuldige waarneming van de mens, de wereld en de geschiedenis,
637 II, 2,21 | waarneming van de mens, de wereld en de geschiedenis,
638 II, 2,21 | van de mens, de wereld en de geschiedenis, maar veronderstelt
639 II, 2,21 | relatie met het geloof en met de inhoud van de openbaring.
640 II, 2,21 | geloof en met de inhoud van de openbaring. Hier liggen
641 II, 2,21 | openbaring. Hier liggen ook de uitdagingen, waarvoor het
642 II, 2,21 | waarin hij zich bevond, heeft de bijbelse mens ontdekt dat
643 II, 2,21 | zichzelf, met het volk, met de wereld, met God. Deze opening
644 II, 2,21 | mysterie, die tot hem kwam door de openbaring, was tenslotte
645 II, 2,21 | was tenslotte voor hem de bron van een ware kennis
646 II, 2,21 | mogelijkheden tot inzicht kreeg. De inspanning van het onderzoek
647 II, 2,21 | van het onderzoek was voor de schrijver niet vrij van
648 II, 2,21 | schrijver niet vrij van de moeite die de confrontatie
649 II, 2,21 | niet vrij van de moeite die de confrontatie met de grenzen
650 II, 2,21 | die de confrontatie met de grenzen van het verstand
651 II, 2,21 | blijkt bijvoorbeeld uit de woorden waarmee het Boek
652 II, 2,21 | waarmee het Boek der Spreuken de toestand van uitputting
653 II, 2,21 | beschrijft die optrad bij de poging, de geheimnisvolle
654 II, 2,21 | die optrad bij de poging, de geheimnisvolle plannen van
655 II, 2,21 | begrijpen (vgl. Spr 30,1-6). De gelovige is echter ondanks
656 II, 2,21 | gelovige is echter ondanks de beproeving niet verslagen.
657 II, 2,21 | beproeving niet verslagen. De kracht om zijn weg naar
658 II, 2,21 | kracht om zijn weg naar de waarheid te vervolgen, put
659 II, 2,21 | te vervolgen, put hij uit de zekerheid dat God hem als “
660 II, 2,21 | geschapen. (vgl. Pr 1,13), die de opdracht heeft om ondanks
661 II, 2,21 | opdracht heeft om ondanks de voortdurende beproeving
662 II, 2,21 | voortdurende beproeving van de twijfel, niets onbeproefd
663 II, 2,22 | 22. De heilige Paulus helpt ons
664 II, 2,22 | hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen de overweging van
665 II, 2,22 | zijn brief aan de Romeinen de overweging van de wijsheidsboeken
666 II, 2,22 | Romeinen de overweging van de wijsheidsboeken in hun diepte
667 II, 2,22 | diepte beter te waarderen. De apostel ontwikkelt een wijsgerige
668 II, 2,22 | wijsgerige redenering in de taal van het volk en brengt
669 II, 2,22 | waarheid tot uitdrukking: door de schepping kunnen de ‘ogen
670 II, 2,22 | door de schepping kunnen de ‘ogen van de rede’ tot kennis
671 II, 2,22 | schepping kunnen de ‘ogen van de rede’ tot kennis van God
672 II, 2,22 | van God komen. Want door de schepselen geeft Hij het
673 II, 2,22 | schepselen geeft Hij het verstand de intuïtie van zijn ‘macht’
674 II, 2,22 | niet meer verbannen is naar de zintuiglijke kennis; ook
675 II, 2,22 | door het redeneren over de zintuiglijke waarnemingen
676 II, 2,22 | kan het doordringen tot de oorzaak, die aan het begin
677 II, 2,22 | we kunnen zeggen, dat in de belangrijke tekst het metafysische
678 II, 2,22 | metafysische vermogen van de mens wordt bevestigd. De
679 II, 2,22 | de mens wordt bevestigd. De apostel is ervan overtuigd
680 II, 2,22 | scheppingsplan het vermogen van de mens voorzien was om de
681 II, 2,22 | de mens voorzien was om de wereld van de zintuigen
682 II, 2,22 | voorzien was om de wereld van de zintuigen gemakkelijk te
683 II, 2,22 | gemakkelijk te overstijgen om tot de oorsprong van alles te geraken:
684 II, 2,22 | oorsprong van alles te geraken: de Schepper. Als gevolg van
685 II, 2,22 | Schepper. Als gevolg van de ongehoorzaamheid, waardoor
686 II, 2,22 | ongehoorzaamheid, waardoor de mens volledig en absoluut
687 II, 2,22 | gemakkelijke opstijgen naar de Schepper-God verloren gegaan.
688 II, 2,22 | aanschouwelijk deze toestand van de mens, wanneer het vertelt
689 II, 2,22 | het vertelt dat God hem in de hof van Eden plaatste, in
690 II, 2,22 | plaatste, in welks midden “de boom van de kennis van goed
691 II, 2,22 | welks midden “de boom van de kennis van goed en kwaad”
692 II, 2,22 | Het symbool is duidelijk: de mens was niet in staat om
693 II, 2,22 | verleidde onze stamouders tot de bedrieglijke gedachte dat
694 II, 2,22 | onafhankelijk waren en dat ze zonder de van God komende kennis konden.
695 II, 2,22 | wonden toe, die van dan af de weg naar de volle waarheid
696 II, 2,22 | die van dan af de weg naar de volle waarheid zouden belemmeren.
697 II, 2,22 | Het menselijke vermogen om de waarheid te kennen werd
698 II, 2,22 | sindsdien belemmerd door de afwijzing van Hem die bron
699 II, 2,22 | die bron en oorsprong van de waarheid is. Weer is het
700 II, 2,22 | waarheid is. Weer is het de apostel die uiteenzet, hoe
701 II, 2,22 | die uiteenzet, hoe door de zonde de gedachten van de
702 II, 2,22 | uiteenzet, hoe door de zonde de gedachten van de mens ‘ijdel’
703 II, 2,22 | de zonde de gedachten van de mens ‘ijdel’ geworden zijn
704 II, 2,22 | zijn (vgl. Rom 1,21-22). ~De ogen van de rede waren nu
705 II, 2,22 | Rom 1,21-22). ~De ogen van de rede waren nu niet meer
706 II, 2,22 | verstand werd steeds meer de gevangene van zichzelf.
707 II, 2,22 | gevangene van zichzelf. De komst van Christus was de
708 II, 2,22 | De komst van Christus was de heilsgebeurtenis, die het
709 II, 2,22 | verloste en bevrijdde van de boeien waarin het zichzelf
710 II, 2,23 | 23. De verhouding van de christen
711 II, 2,23 | 23. De verhouding van de christen tot de wijsbegeerte
712 II, 2,23 | verhouding van de christen tot de wijsbegeerte verlangt daarom
713 II, 2,23 | Nieuwe Testament, vooral in de brieven van de H. Paulus,
714 II, 2,23 | vooral in de brieven van de H. Paulus, komt één feit
715 II, 2,23 | duidelijk aan het licht: de tegenstelling tussen de “
716 II, 2,23 | de tegenstelling tussen de “wijsheid van deze wereld”
717 II, 2,23 | wijsheid van deze wereld” en de in Jezus Christus geopenbaarde
718 II, 2,23 | geopenbaarde wijsheid van God. De diepgang van de geopenbaarde
719 II, 2,23 | van God. De diepgang van de geopenbaarde wijsheid verbreekt
720 II, 2,23 | geopenbaarde wijsheid verbreekt de cirkel van onze gewone denkschema’
721 II, 2,23 | te geven. ~Het begin van de eerste brief aan de Corinthiërs
722 II, 2,23 | van de eerste brief aan de Corinthiërs brengt dit dilemma
723 II, 2,23 | dilemma radicaal naar voren. De gekruisigde Zoon van God
724 II, 2,23 | gekruisigde Zoon van God is de historische gebeurtenis
725 II, 2,23 | verklaring te geven voor de zin van het bestaan. Het
726 II, 2,23 | Het ware knooppunt dat de wijsbegeerte uitdaagt is
727 II, 2,23 | wijsbegeerte uitdaagt is de dood van Jezus Christus
728 II, 2,23 | poging, het heilsplan van de Vader te herleiden tot puur
729 II, 2,23 | in deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet
730 II, 2,23 | Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid
731 II, 2,23 | gemaakt?” (1Kor 1,20), vraagt de apostel nadrukkelijk. Voor
732 II, 2,23 | verwezenlijken, is niet langer de wijsheid van de wijze mens
733 II, 2,23 | niet langer de wijsheid van de wijze mens voldoende, maar
734 II, 2,23 | God heeft het dwaze in de wereld uitgekozen om de
735 II, 2,23 | de wereld uitgekozen om de wijzen te schande te maken (...)
736 II, 2,23 | En het nederige in de wereld en het verachte heeft
737 II, 2,23 | vernietigen” (1Kor 1,27-28). De menselijke wijsheid weigert
738 II, 2,23 | weigert in haar zwakheid de voorwaarde voor haar kracht
739 II, 2,23 | haar kracht te zien; maar de H. Paulus aarzelt niet om
740 II, 2,23 | ik sterk” (2Kor 12, 10). De mens kan niet begrijpen,
741 II, 2,23 | kan niet begrijpen, hoe de dood bron van leven en liefde
742 II, 2,23 | God heeft juist dat voor de onthulling van het geheim
743 II, 2,23 | ergernis’. Met behulp van de taal van de wijsgeren van
744 II, 2,23 | Met behulp van de taal van de wijsgeren van zijn tijd
745 II, 2,23 | hoogtepunt van zijn leer en van de paradox, die hij wil uitdrukken: “
746 II, 2,23 | uitdrukken: “God heeft in de wereld dat wat niets is,
747 II, 2,23 | vernietigen” (1Kor 1,28). De apostel schroomt niet om
748 II, 2,23 | apostel schroomt niet om de radicaalste taal die de
749 II, 2,23 | de radicaalste taal die de wijsgeren in hun beschouwingen
750 II, 2,23 | gebruiken, om het wezen van de onverschuldigde liefde uit
751 II, 2,23 | Christus heeft geopenbaard. De rede kan het geheim van
752 II, 2,23 | rede kan het geheim van de liefde dat het kruis omvat,
753 II, 2,23 | plaats daarvan kan het kruis de rede het laatste antwoord
754 II, 2,23 | waarnaar zij zoekt. Niet de wijsheid van de woorden,
755 II, 2,23 | zoekt. Niet de wijsheid van de woorden, maar het woord
756 II, 2,23 | woorden, maar het woord van de wijsheid biedt de H. Paulus
757 II, 2,23 | woord van de wijsheid biedt de H. Paulus als criterium
758 II, 2,23 | Paulus als criterium van de waarheid en daarmee van
759 II, 2,23 | en daarmee van het heil. ~De wijsheid van het kruis overwint
760 II, 2,23 | het zich openstellen voor de universaliteit van de waarheid,
761 II, 2,23 | voor de universaliteit van de waarheid, waarvan zij de
762 II, 2,23 | de waarheid, waarvan zij de draagster is. Wat een uitdaging
763 II, 2,23 | het zich eraan overgeeft. De wijsbegeerte die reeds uit
764 II, 2,23 | uit zichzelf in staat is de onophoudelijke zelfoverstijging
765 II, 2,23 | onophoudelijke zelfoverstijging van de mens naar de waarheid, te
766 II, 2,23 | zelfoverstijging van de mens naar de waarheid, te erkennen, kan
767 II, 2,23 | te erkennen, kan zich met de hulp van het geloof openstellen
768 II, 2,23 | het geloof openstellen om de ‘dwaasheid’ van het kruis
769 II, 2,23 | kruis te aanvaarden als de echte kritiek op hen die
770 II, 2,23 | zichzelf wijsmaken dat zij de waarheid bezitten, terwijl
771 II, 2,23 | terwijl ze haar vasthouden in de ondiepten van hun systeem.
772 II, 2,23 | ondiepten van hun systeem. De verhouding van geloof en
773 II, 2,23 | en wijsbegeerte stoot in de verkondiging van de gekruisigde
774 II, 2,23 | stoot in de verkondiging van de gekruisigde en opgestane
775 II, 2,23 | en opgestane Christus op de klip waarop ze schipbreuk
776 II, 2,23 | kan lijden. Maar achter de klip kan ze uitmonden in
777 II, 2,23 | klip kan ze uitmonden in de oneindige zee van de waarheid.
778 II, 2,23 | in de oneindige zee van de waarheid. Hier blijkt duidelijk
779 II, 2,23 | waarheid. Hier blijkt duidelijk de grens tussen verstand en
780 II, 2,23 | geloof, maar ook wordt er de ruimte zichtbaar waar beide
781 III, 1 | Op De Zoektocht Naar De Waarheid~
782 III, 1 | Op De Zoektocht Naar De Waarheid~
783 III, 1,24 | 24. De evangelist Lucas vertelt
784 III, 1,24 | evangelist Lucas vertelt in de Handelingen van de Apostelen,
785 III, 1,24 | vertelt in de Handelingen van de Apostelen, dat Paulus op
786 III, 1,24 | missiereizen naar Athene kwam. De stad van de wijsgeren was
787 III, 1,24 | Athene kwam. De stad van de wijsgeren was vol beelden
788 III, 1,24 | waarop hij kon beginnen met de verkondiging van het Kerygma.
789 III, 1,24 | aan met het opschrift: Aan de onbekende god. Welnu, wat
790 III, 1,24 | Daarvan uitgaande spreekt de H. Paulus over God als Schepper,
791 III, 1,24 | woongebieden afgegrensd, met de bedoeling dat ze God zouden
792 III, 1,24 | ons” (Hand 17, 26-27). ~De apostel brengt een waarheid
793 III, 1,24 | waarheid naar voren die de Kerk steeds als een schat
794 III, 1,24 | herinnert nadrukkelijk ook de Goede-Vrijdagsliturgie,
795 III, 1,24 | Almachtige, eeuwige God, U hebt de mensen een zo diep verlangen
796 III, 1,24 | bestaat dus een weg die de mens kan gaan als hij wil;
797 III, 1,24 | het oneindige te koersen. De mens heeft op verschillende
798 III, 1,24 | een speciale manier heeft de wijsbegeerte zich dit streven
799 III, 1,25 | voorwerp van dit verlangen is de waarheid. Zelfs het leven
800 III, 1,25 | maar gehoorde woord uit, de dingen in waarheid zijn.
801 III, 1,25 | dingen in waarheid zijn. De mens is het enige wezen
802 III, 1,25 | mens is het enige wezen in de hele zichtbare schepping
803 III, 1,25 | daarom stelt hij belang in de feitelijke waarheid van
804 III, 1,25 | hetgeen voor hem zichtbaar is. De mens kan niet oprecht ongeïnteresseerd
805 III, 1,25 | ongeïnteresseerd zijn in de waarheid van zijn kennis.
806 III, 1,25 | wanneer hij daarentegen de waarheid ervan kan vaststellen,
807 III, 1,25 | is hij tevreden. Dat is de leer van de H. Augustinus,
808 III, 1,25 | tevreden. Dat is de leer van de H. Augustinus, wanneer hij
809 III, 1,25 | worden”. 24 Terecht geldt de mens dán als volwassen,
810 III, 1,25 | zijn oordeel te vormen over de objectieve werkelijkheid
811 III, 1,25 | objectieve werkelijkheid van de dingen. Hier ligt de oorzaak
812 III, 1,25 | van de dingen. Hier ligt de oorzaak van veel onderzoeken,
813 III, 1,25 | vooral op het gebied van de natuurwetenschappen, die
814 III, 1,25 | natuurwetenschappen, die in de laatste eeuwen zulke belangrijke
815 III, 1,25 | een echte vooruitgang van de hele mensheid hebben bevorderd. ~
816 III, 1,25 | zijn morele handelen slaat de menselijke persoon, als
817 III, 1,25 | vrije en juist gestemde wil, de weg van de gelukzaligheid
818 III, 1,25 | gestemde wil, de weg van de gelukzaligheid in en streeft
819 III, 1,25 | in dit geval gaat het om de waarheid. Deze overtuiging
820 III, 1,25 | Deze overtuiging heb ik in de encycliek Veritatis Splendor
821 III, 1,25 | bestaat niet... Als er voor de mens het recht bestaat op
822 III, 1,25 | gaat daar nog aan vooraf de voor ieder zwaarwegende
823 III, 1,25 | zwaarwegende morele verplichting om de waarheid te zoeken en de
824 III, 1,25 | de waarheid te zoeken en de eenmaal erkende waarheid
825 III, 1,25 | Het is dus nodig dat de aanvaarde en in het eigen
826 III, 1,25 | omdat alleen ware waarden de menselijke persoon door
827 III, 1,25 | menselijke persoon door de verwerkelijking van zijn
828 III, 1,25 | voltooien. Deze waarheid van de waarden vindt de mens niet
829 III, 1,25 | waarheid van de waarden vindt de mens niet door zich in zichzelf
830 III, 1,25 | om ze ook aan te nemen in de dimensies die boven hem
831 III, 1,26 | 26. De waarheid presenteert zich
832 III, 1,26 | waarheid presenteert zich bij de mens aanvankelijk in de
833 III, 1,26 | de mens aanvankelijk in de vorm van een vraag: heeft
834 III, 1,26 | gezicht zou het bestaan van de mens als persoon volkomen
835 III, 1,26 | ongerijmde bij te halen, of de provocerende vragen in het
836 III, 1,26 | in het boek Job, om aan de zin van het leven te twijfelen.
837 III, 1,26 | het leven te twijfelen. De dagelijkse ervaring van
838 III, 1,26 | feiten die in het licht van de waarheid onverklaarbaar
839 III, 1,26 | dramatische vraag als die naar de zin te stellen. 26 Daarbij
840 III, 1,26 | stellen. 26 Daarbij komt dat de eerste absoluut zekere waarheid
841 III, 1,26 | het feit dát we bestaan, de onvermijdelijkheid van onze
842 III, 1,26 | onontkoombaar. Ieder wil - en moet - de waarheid over zijn einde
843 III, 1,26 | kennen. Hij wil weten, of de dood het definitieve einde
844 III, 1,26 | er nog iets is dat over de dood heen reikt; of hij
845 III, 1,26 | oriëntering gekregen van de dood van Socrates, en is
846 III, 1,26 | het licht van het feit van de dood de filosofen zich steeds
847 III, 1,26 | van het feit van de dood de filosofen zich steeds weer
848 III, 1,26 | dit probleem, samen met de vraag naar de zin van het
849 III, 1,26 | samen met de vraag naar de zin van het leven en de
850 III, 1,26 | de zin van het leven en de onsterfelijkheid, hebben
851 III, 1,27 | 27. Niemand, de wijsgeer zo min als de gewone
852 III, 1,27 | de wijsgeer zo min als de gewone mens, kan deze vragen
853 III, 1,27 | een beslissende etappe van de zoektocht af: of het mogelijk
854 III, 1,27 | deze universaliteit zoekt de mens echter naar een absolutum
855 III, 1,27 | geven: iets ultiems, dat de oorzaak van iedere zaak
856 III, 1,27 | zijn. Hypothesen kunnen de mens fascineren, maar ze
857 III, 1,27 | ze het toegeven of niet, de behoefte hebben om hun bestaan
858 III, 1,27 | meer onderworpen is aan de twijfel. De filosofen hebben
859 III, 1,27 | onderworpen is aan de twijfel. De filosofen hebben in de loop
860 III, 1,27 | De filosofen hebben in de loop der eeuwen geprobeerd
861 III, 1,27 | uitdrukkingsvormen, waarin de mens zijn ‘filosofie’ vorm
862 III, 1,27 | verschijnselen spreekt steeds de levendige wens om te komen
863 III, 1,27 | levendige wens om te komen tot de zekerheid van de waarheid
864 III, 1,27 | komen tot de zekerheid van de waarheid en haar absolute
865 III, 2 | De verschillende gezichten
866 III, 2 | verschillende gezichten van de waarheid van de mens~
867 III, 2 | gezichten van de waarheid van de mens~
868 III, 2,28 | 28. Het zoeken naar de waarheid is inderdaad niet
869 III, 2,28 | doorzichtig en consequent. De aangeboren beperktheid van
870 III, 2,28 | beperktheid van het verstand en de onbestendigheid van het
871 III, 2,28 | het hart vertroebelen vaak de persoonlijke zoektocht en
872 III, 2,28 | zoektocht en brengen haar van de weg af. Allerlei andere
873 III, 2,28 | Allerlei andere belangen kunnen de waarheid onderdrukken. Het
874 III, 2,28 | onderdrukken. Het komt voor dat de mens, zodra hij maar een
875 III, 2,28 | zodra hij maar een glimp van de waarheid heeft gezien, spoorslags
876 III, 2,28 | eisen. Desondanks beïnvloedt de waarheid, ook als hij haar
877 III, 2,28 | angst en vrees. Men kan dus de mens definiëren als degene
878 III, 2,28 | definiëren als degene die naar de waarheid zoekt. ~
879 III, 2,29 | zo diep geworteld is in de menselijke natuur volledig
880 III, 2,29 | zijn. Het vermogen om naar de waarheid te zoeken en vragen
881 III, 2,29 | een eerste antwoord in. De mens zou helemaal niet beginnen
882 III, 2,29 | voor hem aanleiding zijn de eerste stap te zetten. Feitelijk
883 III, 2,29 | wijdt aan het zoeken naar de logische en verifieerbare
884 III, 2,29 | worden van het zoeken naar de waarheid op het gebied van
885 III, 2,29 | waarheid op het gebied van de laatste vragen. Het verlangen
886 III, 2,29 | vragen. Het verlangen naar de waarheid is zo diep geworteld
887 III, 2,29 | stellen dat ieder van ons de kwellende last van enkele
888 III, 2,29 | minstens het ontwerp van de bijbehorende antwoorden
889 III, 2,29 | overtuigd is, omdat men de ervaring heeft, dat zij
890 III, 2,29 | wezen niet onderscheiden van de antwoorden die vele anderen
891 III, 2,29 | echter het vermogen van de mens, fundamenteel tot de
892 III, 2,29 | de mens, fundamenteel tot de waarheid te komen, bevestigd. ~
893 III, 2,30 | verschillende vormen van de waarheid in het vervolg
894 III, 2,30 | worden. Daarbij gaat het om de waarheidsorde van het dagelijks
895 III, 2,30 | een ander niveau moet men de waarheden van wijsgerige
896 III, 2,30 | wijsgerige aard plaatsen waartoe de mens komt door de speculatieve
897 III, 2,30 | waartoe de mens komt door de speculatieve kracht van
898 III, 2,30 | verstand. Tenslotte zijn er de religieuze waarheden, die
899 III, 2,30 | mate ook geworteld zijn in de wijsbegeerte, en die de
900 III, 2,30 | de wijsbegeerte, en die de verschillende godsdiensten
901 III, 2,30 | tradities als antwoord geven op de laatste vragen. 27 ~Wat
902 III, 2,30 | laatste vragen. 27 ~Wat de wijsgerige waarheden betreft,
903 III, 2,30 | niet alleen beperken tot de soms kortstondige waarheden
904 III, 2,30 | kortstondige waarheden van de beroepsfilosofen. Zoals
905 III, 2,30 | inricht. Hij vormt zich op de een of andere manier een
906 III, 2,30 | visie en een antwoord op de vraag naar de zin van zijn
907 III, 2,30 | antwoord op de vraag naar de zin van zijn bestaan: in
908 III, 2,30 | gedrag. Hier zou hij zich de vraag moeten stellen naar
909 III, 2,30 | vraag moeten stellen naar de verhouding van de wijsgerig-religieuze
910 III, 2,30 | stellen naar de verhouding van de wijsgerig-religieuze waarheden
911 III, 2,30 | wijsgerig-religieuze waarheden tot de in Jezus Christus geopenbaarde
912 III, 2,30 | nog een verder gegeven van de wijsbegeerte overwegen. ~
913 III, 2,30(27) | Concilie, Verklaring over de Betrekkingen van de Kerk
914 III, 2,30(27) | over de Betrekkingen van de Kerk met de niet-christelijke
915 III, 2,30(27) | Betrekkingen van de Kerk met de niet-christelijke Religies
916 III, 2,31 | 31. De mens is niet geschapen om
917 III, 2,31 | werk deel uit te maken van de samenleving. Vanaf zijn
918 III, 2,31 | waarvan hij niet alleen de taal en de culturele vorming
919 III, 2,31 | hij niet alleen de taal en de culturele vorming ontvangt,
920 III, 2,31 | dat deze waarheden door de bijzondere inzet van het
921 III, 2,31 | dezelfde waarheden op grond van de daarmee opgedane ervaringen
922 III, 2,31 | Desondanks zijn in het leven van de mens de simpelweg geloofde
923 III, 2,31 | in het leven van de mens de simpelweg geloofde waarheden
924 III, 2,31 | Wie zou wel in staat zijn, de ontelbare wetenschappelijke
925 III, 2,31 | onderzoeken? Wie zou persoonlijk de stroom aan informatie kunnen
926 III, 2,31 | uit, uit alle delen van de wereld binnenkomt en die
927 III, 2,31 | aangenomen?: Wie zou tenslotte de ervarings- en denkwegen
928 III, 2,31 | kunnen gaan waarop zich de schatten van de mensheid
929 III, 2,31 | waarop zich de schatten van de mensheid aan wijsheid en
930 III, 2,31 | religiositeit hebben verzameld? De mens, een wezen dat naar
931 III, 2,31 | mens, een wezen dat naar de waarheid zoekt, is dus ook
932 III, 2,32 | vertrouwt ieder zich toe aan de door andere personen verworven
933 III, 2,32 | merkbaar: enerzijds schijnt de geloofskennis een onvolmaakte
934 III, 2,32 | inhoudt en niet slechts de persoonlijke kenvermogens,
935 III, 2,32 | Onderstreept zij, dat de in deze tussenmenselijke
936 III, 2,32 | Gezocht wordt veeleer naar de eigenlijke waarheid van
937 III, 2,32 | eigenlijke waarheid van de persoon: wat hij is en wat
938 III, 2,32 | innerlijk zichtbaar laat worden. De volmaaktheid van de mens
939 III, 2,32 | worden. De volmaaktheid van de mens ligt namelijk niet
940 III, 2,32 | het zich eigen maken van de abstracte kennis van de
941 III, 2,32 | de abstracte kennis van de waarheid, maar ook in een
942 III, 2,32 | zelfgave en trouw tegenover de ander. In deze vertrouwvolle
943 III, 2,32 | vertrouwvolle zelfgave vindt de mens volledige zekerheid
944 III, 2,32 | veiligheid. tegelijkertijd is de kennis door het geloof,
945 III, 2,32 | niet zonder relatie met de waarheid: de gelovige mens
946 III, 2,32 | relatie met de waarheid: de gelovige mens vertrouwt
947 III, 2,32 | mens vertrouwt zich toe aan de waarheid die de ander hem
948 III, 2,32 | toe aan de waarheid die de ander hem verkondigt. ~Hoeveel
949 III, 2,32 | naar het getuigenis van de martelaren. De martelaar
950 III, 2,32 | getuigenis van de martelaren. De martelaar is inderdaad de
951 III, 2,32 | De martelaar is inderdaad de betrouwbaarste getuige van
952 III, 2,32 | betrouwbaarste getuige van de waarheid over het bestaan.
953 III, 2,32 | bestaan. Hij weet, dat hij in de ontmoeting met Jezus Christus
954 III, 2,32 | ontmoeting met Jezus Christus de waarheid over zijn leven
955 III, 2,32 | beroven. Noch het lijden noch de gewelddadige dood zullen
956 III, 2,32 | hem ertoe kunnen brengen, de instemming met de waarheid
957 III, 2,32 | brengen, de instemming met de waarheid te herroepen, die
958 III, 2,32 | te herroepen, die hij in de ontmoeting met Christus
959 III, 2,32 | Daarom fascineert ons tot de dag van vandaag het getuigenis
960 III, 2,32 | vandaag het getuigenis van de martelaren, het wekt instemming
961 III, 2,32 | gehoor en navolging. Dat is de reden waarom men op hun
962 III, 2,32 | gezocht. Tenslotte roept de martelaar bij ons een diep
963 III, 2,32 | maakt, wat ook wij, als we de kracht daartoe zouden vinden,
964 III, 2,33 | 33. Zo zien we dat de delen van dit probleem verder
965 III, 2,33 | schuiven tot een geheel. De mens zoekt van nature naar
966 III, 2,33 | mens zoekt van nature naar de waarheid. Dit zoeken is
967 III, 2,33 | zoeken is niet alleen voor de toe-eigening van partiële,
968 III, 2,33 | wetenschappelijke waarheden bestemd; de mens zoekt niet alleen voor
969 III, 2,33 | die in staat moet zijn, de zin van het leven te verklaren;
970 III, 2,33 | antwoord kan vinden. 28 Dankzij de vermogens die in het denken
971 III, 2,33 | denken vervat liggen is de mens in staat, een dergelijke
972 III, 2,33 | bereikt, maar ook doordat de mens zich vertrouwvol verlaat
973 III, 2,33 | op andere personen, die de zekerheid en echtheid van
974 III, 2,33 | zekerheid en echtheid van de waarheid kunnen garanderen.
975 III, 2,33 | garanderen. Het vermogen en de beslissing om zichzelf en
976 III, 2,33 | vertrouwen, horen zeker tot de antropologisch belangrijkste
977 III, 2,33 | zoeken is aangewezen op de ondersteuning door vertrouwvol
978 III, 2,33 | onderzoek hangt, veronachtzaamt de leer van de antieke wijsgeren,
979 III, 2,33 | veronachtzaamt de leer van de antieke wijsgeren, die de
980 III, 2,33 | de antieke wijsgeren, die de vriendschap als een van
981 III, 2,33 | vriendschap als een van de voor het juiste filosoferen
982 III, 2,33 | gestelde komt naar voren, dat de mens zich bevindt op een
983 III, 2,33 | maat eindeloze zoektocht: de zoektocht naar de waarheid
984 III, 2,33 | zoektocht: de zoektocht naar de waarheid en de zoektocht
985 III, 2,33 | zoektocht naar de waarheid en de zoektocht naar een persoon
986 III, 2,33 | daarin tegemoet, door hem de concrete mogelijkheid te
987 III, 2,33 | verwerkelijkt te zien. Door bij de mens het stadium van het
988 III, 2,33 | leidt het hem binnen in de genade-orde, die hem laat
989 III, 2,33 | van Christus, waarin hem de ware en adequate kennis
990 III, 2,33 | ware en adequate kennis van de drie-ene God geschonken
991 III, 2,33 | In Jezus Christus, die de waarheid is, erkent het
992 III, 2,33 | erkent het geloof aldus de laatste oproep die aan de
993 III, 2,33 | de laatste oproep die aan de mensheid wordt gericht,
994 III, 2,33(28) | gesproken heb. “‘Wat is de mens en waartoe dient hij?
995 III, 2,33(28) | dat als een profetie van de mensheid steeds weer de
996 III, 2,33(28) | de mensheid steeds weer de ernstige vraag stelt, die
997 III, 2,33(28) | ernstige vraag stelt, die de mens pas werkelijk tot mens
998 III, 2,33(28) | Ze zijn uitdrukking van de urgentie, een oorzaak van
999 III, 2,33(28) | van zijn ogenblikken, voor de belangrijke en beslissende
1000 III, 2,33(28) | alledag. In deze vragen wordt de diepe rationaliteit van
1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2500 | 2501-3000 | 3001-3157 |