Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dàt 1
datgene 3
datzelfde 2
de 3157
debat 2
december 3
decreet 9
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
3157 de
1784 van
1527 het
1018 en
Ioannes Paulus PP. II
Fides et Ratio

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2500 | 2501-3000 | 3001-3157

     Chapter, Paragraph, Number
501 I, 2,15 | verlangt om als uitdrukking van de liefde te worden aangenomen. 502 I, 2,15 | geopenbaarde waarheid is de in onze geschiedenis gelegde 503 I, 2,15 | dus studieobject van zowel de wijsbegeerte alsook de theologie. 504 I, 2,15 | zowel de wijsbegeerte alsook de theologie. Beide tonen ons, 505 I, 2,15 | geloof ons zegt, uitkomt in de volle en eeuwigdurende vreugde 506 I, 2,15 | eeuwigdurende vreugde van de aanschouwing van de drie-ene 507 I, 2,15 | van de aanschouwing van de drie-ene God. ~ 508 I, 2,15(21) | De vera religione, XXXIX, 72: 509 II, 1 | De Wijsheid Weet En Verstaat 510 II, 1,16 | 16. Hoe diep de samenhang is tussen geloofs- 511 II, 1,16 | verstandskennis, wordt reeds in de heilige Schrift met verbazend 512 II, 1,16 | aanwijzingen getoond. Vooral de wijsheidsboeken getuigen 513 II, 1,16 | Israël vervat is, maar ook de rijkdom van reeds verdwenen 514 II, 1,16 | gemeenschappelijke trekken van de oud-oriëntaalse culturen 515 II, 1,16 | Het is geen toeval dat de heilige schrijver de wijze 516 II, 1,16 | dat de heilige schrijver de wijze mens, die hij zou 517 II, 1,16 | presenteert als degene die de waarheid bemint en die naar 518 II, 1,16 | naar haar zoekt: “Gelukkig de man die zich op de wijsheid 519 II, 1,16 | Gelukkig de man die zich op de wijsheid toelegt en die 520 II, 1,16 | inzicht te krijgen; die de wegen van de wijsheid in 521 II, 1,16 | krijgen; die de wegen van de wijsheid in zijn hart overdenkt 522 II, 1,16 | een speurder nazit en op de loer ligt waar zij heengaat; 523 II, 1,16 | Door haar wordt hij tegen de hitte beschut en onder haar 524 II, 1,16 | Zoals men ziet is voor de geïnspireerde schrijver 525 II, 1,16 | geïnspireerde schrijver de hartenwens naar kennis een 526 II, 1,16 | gelovigen en niet-gelovigen, de mogelijkheid gegeven om “ 527 II, 1,16 | uit het diepe water” van de kennis. (vgl. Spr 20,5). 528 II, 1,16 | Israël was het kennen van de wereld en haar verschijnselen 529 II, 1,16 | abstractie, zoals dat geldt voor de Ionische wijsgeren of de 530 II, 1,16 | de Ionische wijsgeren of de Egyptische wijzen. Nog minder 531 II, 1,16 | wijzen. Nog minder begreep de goede Israëliet zijn kennis 532 II, 1,16 | Israëliet zijn kennis op de wijze van de moderne wereld 533 II, 1,16 | zijn kennis op de wijze van de moderne wereld die meer 534 II, 1,16 | onderscheiden. Desondanks heeft de wereld van de bijbel haar 535 II, 1,16 | Desondanks heeft de wereld van de bijbel haar oorspronkelijke 536 II, 1,16 | bijdrage laten vloeien in de grote zee van de kennisleer. ~ 537 II, 1,16 | vloeien in de grote zee van de kennisleer. ~Wat voor soort 538 II, 1,16 | Wat voor soort bijdrage? De bijzonderheid die de bijbeltekst 539 II, 1,16 | bijdrage? De bijzonderheid die de bijbeltekst kenmerkt ligt 540 II, 1,16 | bijbeltekst kenmerkt ligt in de overtuiging dat er tussen 541 II, 1,16 | onscheidbare eenheid bestaat. De wereld en wat er daarin 542 II, 1,16 | daarin gebeurt, net als de geschiedenis en de wisselende 543 II, 1,16 | net als de geschiedenis en de wisselende wederwaardigheden 544 II, 1,16 | werkelijkheden, die met de middelen van het verstand 545 II, 1,16 | blijft. Het grijpt niet in om de autonomie van het verstand 546 II, 1,16 | maar alleen om het voor de mens begrijpelijk te maken, 547 II, 1,16 | begrijpelijk te maken, dat de God van Israël in deze gebeurtenissen 548 II, 1,16 | zichtbaar wordt en handelt. De wereld en de historische 549 II, 1,16 | en handelt. De wereld en de historische gebeurtenissen 550 II, 1,16 | bekent tot het geloof in de in haar werkende God. Het 551 II, 1,16 | God. Het geloof scherpt de inwendige blik doordat het 552 II, 1,16 | inwendige blik doordat het de rede opent voor de ontdekking 553 II, 1,16 | doordat het de rede opent voor de ontdekking van de actieve 554 II, 1,16 | opent voor de ontdekking van de actieve aanwezigheid van 555 II, 1,16 | actieve aanwezigheid van de Voorzienigheid in de stroom 556 II, 1,16 | van de Voorzienigheid in de stroom der gebeurtenissen. 557 II, 1,16 | veelbetekenend: “Het hart van de mens bedenkt zijn weg, maar 558 II, 1,16 | mens bedenkt zijn weg, maar de Heer leidt zijn schreden” ( 559 II, 1,16 | Men zou kunnen zeggen dat de mens met het licht van het 560 II, 1,16 | scheiden zonder dat het voor de mens onmogelijk wordt, zichzelf, 561 II, 1,16 | onmogelijk wordt, zichzelf, de wereld en God op passende 562 II, 1,17 | deze richting wijst met de uitroep: “Het is Gods eer, 563 II, 1,17 | zaak te verhullen, maar de eer van de koning is het, 564 II, 1,17 | verhullen, maar de eer van de koning is het, een zaak 565 II, 1,17 | zoeken” (Spr 16,9). God en de mens zijn in hun respectieve 566 II, 1,17 | oorsprong, in Hem bevindt zich de volheid van het mysterie, 567 II, 1,17 | maakt zijn eer uit; aan de mens is het, met zijn verstand 568 II, 1,17 | verstand te zoeken naar de waarheid, en daarin bestaat 569 II, 1,17 | voor dit mozaïek wordt door de Psalmist aangedragen, wanneer 570 II, 1,17 | kracht, dat het hart van de mens ondanks de ervaring 571 II, 1,17 | hart van de mens ondanks de ervaring van onoverschrijdbare 572 II, 1,17 | onoverschrijdbare grenzen verlangt naar de oneindige rijkdom, die zich 573 II, 1,18 | reflecties voor het verstand de weg naar het mysterie open 574 II, 1,18 | Gods openbaring kon het de diepten peilen van alles 575 II, 1,18 | aard beter te verhelderen. De eerste is dat het kennen 576 II, 1,18 | eerste is dat het kennen van de mens een weg is die geen 577 II, 1,18 | die geen stilstand kent; de tweede komt voort uit het 578 II, 1,18 | weg niet mag begeven met de hoogmoed van degene die 579 II, 1,18 | degene die meent dat alles de vrucht is van persoonlijke 580 II, 1,18 | een derde regel steunt op de “vreze Gods”: het verstand 581 II, 1,18 | liefde bij het besturen van de wereld erkennen. ~Wanneer 582 II, 1,18 | wereld erkennen. ~Wanneer de mens van deze regels afwijkt 583 II, 1,18 | en komt hij tenslotte in de toestand van de “dwaas”. 584 II, 1,18 | tenslotte in de toestand van dedwaas”. Voor de bijbel 585 II, 1,18 | toestand van de “dwaas”. Voor de bijbel houdt dwaasheid een 586 II, 1,18 | bedreiging van het leven in. Want de dwaas maakt zich wijs, dat 587 II, 1,18 | werkelijkheid niet in staat, de blik te concentreren op 588 II, 1,18 | blik te concentreren op de werkelijk belangrijke dingen. 589 II, 1,18 | hoe ver hij af staat van de volle waarheid over de dingen, 590 II, 1,18 | van de volle waarheid over de dingen, hun oorsprong en 591 II, 1,19 | dit thema. Daarin spreekt de schrijver over God, die 592 II, 1,19 | zich ook laat kennen door de natuur. In de Oudheid viel 593 II, 1,19 | kennen door de natuur. In de Oudheid viel de studie van 594 II, 1,19 | natuur. In de Oudheid viel de studie van de natuurwetenschappen 595 II, 1,19 | Oudheid viel de studie van de natuurwetenschappen grotendeels 596 II, 1,19 | natuurwetenschappen grotendeels samen met de wijsgerige studie. Nadat 597 II, 1,19 | wijsgerige studie. Nadat de heilige tekst heeft onderstreept 598 II, 1,19 | tekst heeft onderstreept dat de mens met zijn rede in staat 599 II, 1,19 | zijn rede in staat is, “de opbouw van de wereld en 600 II, 1,19 | staat is, “de opbouw van de wereld en het werken der 601 II, 1,19 | werken der elementen, (...) de kringloop van de jaren en 602 II, 1,19 | de kringloop van de jaren en de positie van 603 II, 1,19 | kringloop van de jaren en de positie van de sterren, 604 II, 1,19 | jaren en de positie van de sterren, de natuur van de 605 II, 1,19 | positie van de sterren, de natuur van de dieren en 606 II, 1,19 | de sterren, de natuur van de dieren en de wildheid van 607 II, 1,19 | natuur van de dieren en de wildheid van roofdieren” 608 II, 1,19 | stap naar voren. Terwijl de schrijver het Griekse wijsgerige 609 II, 1,19 | verstandig nadenken over de natuur weer bij de Schepper 610 II, 1,19 | over de natuur weer bij de Schepper terug kan komen: “ 611 II, 1,19 | terug kan komen: “Want uit de grootheid en schoonheid 612 II, 1,19 | grootheid en schoonheid van de schepselen ziet men door 613 II, 1,19 | dus een eerste trede van de goddelijke openbaring erkend, 614 II, 1,19 | wonderbaarlijke “boek van de natuur”; als de mens dit 615 II, 1,19 | boek van de natuur”; als de mens dit boek leest met 616 II, 1,19 | mens dit boek leest met de middelen die aan zijn verstand 617 II, 1,19 | dan kan hij tot kennis van de Schepper komen. Wanneer 618 II, 1,19 | Schepper komen. Wanneer de mens met zijn verstand God, 619 II, 1,19 | mens met zijn verstand God, de Schepper van alles, niet 620 II, 1,19 | passend middel als wel aan de hindernis die hem op de 621 II, 1,19 | de hindernis die hem op de weg gelegd is door zijn 622 II, 1,20 | perspectief van het geloof: “De Heer leidt de schreden van 623 II, 1,20 | het geloof: “De Heer leidt de schreden van ieder. Hoe 624 II, 1,20 | schreden van ieder. Hoe zou de mens zijn weg kunnen begrijpen?” ( 625 II, 1,20 | bevrijdt het geloof dus de rede omdat het haar mogelijk 626 II, 1,20 | betekenis krijgt. In één woord: de mens komt door het verstand 627 II, 1,20 | komt door het verstand tot de waarheid, omdat hij tegelijk 628 II, 1,20 | tegelijk met het geloof de diepe zin van alles, en 629 II, 1,20 | alles, en in het bijzonder de zin van zijn eigen bestaan 630 II, 1,20 | Terecht vereenzelvigt daarom de schrijver de vrees voor 631 II, 1,20 | vereenzelvigt daarom de schrijver de vrees voor God met het begin 632 II, 1,20 | voor God met het begin van de ware kennis: “De vrees voor 633 II, 1,20 | begin van de ware kennis: “De vrees voor de Heer is het 634 II, 1,20 | ware kennis: “De vrees voor de Heer is het begin van de 635 II, 1,20 | de Heer is het begin van de kennis” (Spr 1,7; vgl. Sir 636 II, 2,21 | zorgvuldige waarneming van de mens, de wereld en de geschiedenis, 637 II, 2,21 | waarneming van de mens, de wereld en de geschiedenis, 638 II, 2,21 | van de mens, de wereld en de geschiedenis, maar veronderstelt 639 II, 2,21 | relatie met het geloof en met de inhoud van de openbaring. 640 II, 2,21 | geloof en met de inhoud van de openbaring. Hier liggen 641 II, 2,21 | openbaring. Hier liggen ook de uitdagingen, waarvoor het 642 II, 2,21 | waarin hij zich bevond, heeft de bijbelse mens ontdekt dat 643 II, 2,21 | zichzelf, met het volk, met de wereld, met God. Deze opening 644 II, 2,21 | mysterie, die tot hem kwam door de openbaring, was tenslotte 645 II, 2,21 | was tenslotte voor hem de bron van een ware kennis 646 II, 2,21 | mogelijkheden tot inzicht kreeg. De inspanning van het onderzoek 647 II, 2,21 | van het onderzoek was voor de schrijver niet vrij van 648 II, 2,21 | schrijver niet vrij van de moeite die de confrontatie 649 II, 2,21 | niet vrij van de moeite die de confrontatie met de grenzen 650 II, 2,21 | die de confrontatie met de grenzen van het verstand 651 II, 2,21 | blijkt bijvoorbeeld uit de woorden waarmee het Boek 652 II, 2,21 | waarmee het Boek der Spreuken de toestand van uitputting 653 II, 2,21 | beschrijft die optrad bij de poging, de geheimnisvolle 654 II, 2,21 | die optrad bij de poging, de geheimnisvolle plannen van 655 II, 2,21 | begrijpen (vgl. Spr 30,1-6). De gelovige is echter ondanks 656 II, 2,21 | gelovige is echter ondanks de beproeving niet verslagen. 657 II, 2,21 | beproeving niet verslagen. De kracht om zijn weg naar 658 II, 2,21 | kracht om zijn weg naar de waarheid te vervolgen, put 659 II, 2,21 | te vervolgen, put hij uit de zekerheid dat God hem als 660 II, 2,21 | geschapen. (vgl. Pr 1,13), die de opdracht heeft om ondanks 661 II, 2,21 | opdracht heeft om ondanks de voortdurende beproeving 662 II, 2,21 | voortdurende beproeving van de twijfel, niets onbeproefd 663 II, 2,22 | 22. De heilige Paulus helpt ons 664 II, 2,22 | hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen de overweging van 665 II, 2,22 | zijn brief aan de Romeinen de overweging van de wijsheidsboeken 666 II, 2,22 | Romeinen de overweging van de wijsheidsboeken in hun diepte 667 II, 2,22 | diepte beter te waarderen. De apostel ontwikkelt een wijsgerige 668 II, 2,22 | wijsgerige redenering in de taal van het volk en brengt 669 II, 2,22 | waarheid tot uitdrukking: door de schepping kunnen de ‘ogen 670 II, 2,22 | door de schepping kunnen deogen van de redetot kennis 671 II, 2,22 | schepping kunnen de ‘ogen van de redetot kennis van God 672 II, 2,22 | van God komen. Want door de schepselen geeft Hij het 673 II, 2,22 | schepselen geeft Hij het verstand de intuïtie van zijnmacht’ 674 II, 2,22 | niet meer verbannen is naar de zintuiglijke kennis; ook 675 II, 2,22 | door het redeneren over de zintuiglijke waarnemingen 676 II, 2,22 | kan het doordringen tot de oorzaak, die aan het begin 677 II, 2,22 | we kunnen zeggen, dat in de belangrijke tekst het metafysische 678 II, 2,22 | metafysische vermogen van de mens wordt bevestigd. De 679 II, 2,22 | de mens wordt bevestigd. De apostel is ervan overtuigd 680 II, 2,22 | scheppingsplan het vermogen van de mens voorzien was om de 681 II, 2,22 | de mens voorzien was om de wereld van de zintuigen 682 II, 2,22 | voorzien was om de wereld van de zintuigen gemakkelijk te 683 II, 2,22 | gemakkelijk te overstijgen om tot de oorsprong van alles te geraken: 684 II, 2,22 | oorsprong van alles te geraken: de Schepper. Als gevolg van 685 II, 2,22 | Schepper. Als gevolg van de ongehoorzaamheid, waardoor 686 II, 2,22 | ongehoorzaamheid, waardoor de mens volledig en absoluut 687 II, 2,22 | gemakkelijke opstijgen naar de Schepper-God verloren gegaan. 688 II, 2,22 | aanschouwelijk deze toestand van de mens, wanneer het vertelt 689 II, 2,22 | het vertelt dat God hem in de hof van Eden plaatste, in 690 II, 2,22 | plaatste, in welks middende boom van de kennis van goed 691 II, 2,22 | welks midden “de boom van de kennis van goed en kwaad” 692 II, 2,22 | Het symbool is duidelijk: de mens was niet in staat om 693 II, 2,22 | verleidde onze stamouders tot de bedrieglijke gedachte dat 694 II, 2,22 | onafhankelijk waren en dat ze zonder de van God komende kennis konden. 695 II, 2,22 | wonden toe, die van dan af de weg naar de volle waarheid 696 II, 2,22 | die van dan af de weg naar de volle waarheid zouden belemmeren. 697 II, 2,22 | Het menselijke vermogen om de waarheid te kennen werd 698 II, 2,22 | sindsdien belemmerd door de afwijzing van Hem die bron 699 II, 2,22 | die bron en oorsprong van de waarheid is. Weer is het 700 II, 2,22 | waarheid is. Weer is het de apostel die uiteenzet, hoe 701 II, 2,22 | die uiteenzet, hoe door de zonde de gedachten van de 702 II, 2,22 | uiteenzet, hoe door de zonde de gedachten van de mens ‘ijdel’ 703 II, 2,22 | de zonde de gedachten van de mens ‘ijdel’ geworden zijn 704 II, 2,22 | zijn (vgl. Rom 1,21-22). ~De ogen van de rede waren nu 705 II, 2,22 | Rom 1,21-22). ~De ogen van de rede waren nu niet meer 706 II, 2,22 | verstand werd steeds meer de gevangene van zichzelf. 707 II, 2,22 | gevangene van zichzelf. De komst van Christus was de 708 II, 2,22 | De komst van Christus was de heilsgebeurtenis, die het 709 II, 2,22 | verloste en bevrijdde van de boeien waarin het zichzelf 710 II, 2,23 | 23. De verhouding van de christen 711 II, 2,23 | 23. De verhouding van de christen tot de wijsbegeerte 712 II, 2,23 | verhouding van de christen tot de wijsbegeerte verlangt daarom 713 II, 2,23 | Nieuwe Testament, vooral in de brieven van de H. Paulus, 714 II, 2,23 | vooral in de brieven van de H. Paulus, komt één feit 715 II, 2,23 | duidelijk aan het licht: de tegenstelling tussen de “ 716 II, 2,23 | de tegenstelling tussen dewijsheid van deze wereld” 717 II, 2,23 | wijsheid van deze werelden de in Jezus Christus geopenbaarde 718 II, 2,23 | geopenbaarde wijsheid van God. De diepgang van de geopenbaarde 719 II, 2,23 | van God. De diepgang van de geopenbaarde wijsheid verbreekt 720 II, 2,23 | geopenbaarde wijsheid verbreekt de cirkel van onze gewone denkschema’ 721 II, 2,23 | te geven. ~Het begin van de eerste brief aan de Corinthiërs 722 II, 2,23 | van de eerste brief aan de Corinthiërs brengt dit dilemma 723 II, 2,23 | dilemma radicaal naar voren. De gekruisigde Zoon van God 724 II, 2,23 | gekruisigde Zoon van God is de historische gebeurtenis 725 II, 2,23 | verklaring te geven voor de zin van het bestaan. Het 726 II, 2,23 | Het ware knooppunt dat de wijsbegeerte uitdaagt is 727 II, 2,23 | wijsbegeerte uitdaagt is de dood van Jezus Christus 728 II, 2,23 | poging, het heilsplan van de Vader te herleiden tot puur 729 II, 2,23 | in deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet 730 II, 2,23 | Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid 731 II, 2,23 | gemaakt?” (1Kor 1,20), vraagt de apostel nadrukkelijk. Voor 732 II, 2,23 | verwezenlijken, is niet langer de wijsheid van de wijze mens 733 II, 2,23 | niet langer de wijsheid van de wijze mens voldoende, maar 734 II, 2,23 | God heeft het dwaze in de wereld uitgekozen om de 735 II, 2,23 | de wereld uitgekozen om de wijzen te schande te maken (...) 736 II, 2,23 | En het nederige in de wereld en het verachte heeft 737 II, 2,23 | vernietigen” (1Kor 1,27-28). De menselijke wijsheid weigert 738 II, 2,23 | weigert in haar zwakheid de voorwaarde voor haar kracht 739 II, 2,23 | haar kracht te zien; maar de H. Paulus aarzelt niet om 740 II, 2,23 | ik sterk” (2Kor 12, 10). De mens kan niet begrijpen, 741 II, 2,23 | kan niet begrijpen, hoe de dood bron van leven en liefde 742 II, 2,23 | God heeft juist dat voor de onthulling van het geheim 743 II, 2,23 | ergernis’. Met behulp van de taal van de wijsgeren van 744 II, 2,23 | Met behulp van de taal van de wijsgeren van zijn tijd 745 II, 2,23 | hoogtepunt van zijn leer en van de paradox, die hij wil uitdrukken: “ 746 II, 2,23 | uitdrukken: “God heeft in de wereld dat wat niets is, 747 II, 2,23 | vernietigen” (1Kor 1,28). De apostel schroomt niet om 748 II, 2,23 | apostel schroomt niet om de radicaalste taal die de 749 II, 2,23 | de radicaalste taal die de wijsgeren in hun beschouwingen 750 II, 2,23 | gebruiken, om het wezen van de onverschuldigde liefde uit 751 II, 2,23 | Christus heeft geopenbaard. De rede kan het geheim van 752 II, 2,23 | rede kan het geheim van de liefde dat het kruis omvat, 753 II, 2,23 | plaats daarvan kan het kruis de rede het laatste antwoord 754 II, 2,23 | waarnaar zij zoekt. Niet de wijsheid van de woorden, 755 II, 2,23 | zoekt. Niet de wijsheid van de woorden, maar het woord 756 II, 2,23 | woorden, maar het woord van de wijsheid biedt de H. Paulus 757 II, 2,23 | woord van de wijsheid biedt de H. Paulus als criterium 758 II, 2,23 | Paulus als criterium van de waarheid en daarmee van 759 II, 2,23 | en daarmee van het heil. ~De wijsheid van het kruis overwint 760 II, 2,23 | het zich openstellen voor de universaliteit van de waarheid, 761 II, 2,23 | voor de universaliteit van de waarheid, waarvan zij de 762 II, 2,23 | de waarheid, waarvan zij de draagster is. Wat een uitdaging 763 II, 2,23 | het zich eraan overgeeft. De wijsbegeerte die reeds uit 764 II, 2,23 | uit zichzelf in staat is de onophoudelijke zelfoverstijging 765 II, 2,23 | onophoudelijke zelfoverstijging van de mens naar de waarheid, te 766 II, 2,23 | zelfoverstijging van de mens naar de waarheid, te erkennen, kan 767 II, 2,23 | te erkennen, kan zich met de hulp van het geloof openstellen 768 II, 2,23 | het geloof openstellen om dedwaasheidvan het kruis 769 II, 2,23 | kruis te aanvaarden als de echte kritiek op hen die 770 II, 2,23 | zichzelf wijsmaken dat zij de waarheid bezitten, terwijl 771 II, 2,23 | terwijl ze haar vasthouden in de ondiepten van hun systeem. 772 II, 2,23 | ondiepten van hun systeem. De verhouding van geloof en 773 II, 2,23 | en wijsbegeerte stoot in de verkondiging van de gekruisigde 774 II, 2,23 | stoot in de verkondiging van de gekruisigde en opgestane 775 II, 2,23 | en opgestane Christus op de klip waarop ze schipbreuk 776 II, 2,23 | kan lijden. Maar achter de klip kan ze uitmonden in 777 II, 2,23 | klip kan ze uitmonden in de oneindige zee van de waarheid. 778 II, 2,23 | in de oneindige zee van de waarheid. Hier blijkt duidelijk 779 II, 2,23 | waarheid. Hier blijkt duidelijk de grens tussen verstand en 780 II, 2,23 | geloof, maar ook wordt er de ruimte zichtbaar waar beide 781 III, 1 | Op De Zoektocht Naar De Waarheid~ 782 III, 1 | Op De Zoektocht Naar De Waarheid~ 783 III, 1,24 | 24. De evangelist Lucas vertelt 784 III, 1,24 | evangelist Lucas vertelt in de Handelingen van de Apostelen, 785 III, 1,24 | vertelt in de Handelingen van de Apostelen, dat Paulus op 786 III, 1,24 | missiereizen naar Athene kwam. De stad van de wijsgeren was 787 III, 1,24 | Athene kwam. De stad van de wijsgeren was vol beelden 788 III, 1,24 | waarop hij kon beginnen met de verkondiging van het Kerygma. 789 III, 1,24 | aan met het opschrift: Aan de onbekende god. Welnu, wat 790 III, 1,24 | Daarvan uitgaande spreekt de H. Paulus over God als Schepper, 791 III, 1,24 | woongebieden afgegrensd, met de bedoeling dat ze God zouden 792 III, 1,24 | ons” (Hand 17, 26-27). ~De apostel brengt een waarheid 793 III, 1,24 | waarheid naar voren die de Kerk steeds als een schat 794 III, 1,24 | herinnert nadrukkelijk ook de Goede-Vrijdagsliturgie, 795 III, 1,24 | Almachtige, eeuwige God, U hebt de mensen een zo diep verlangen 796 III, 1,24 | bestaat dus een weg die de mens kan gaan als hij wil; 797 III, 1,24 | het oneindige te koersen. De mens heeft op verschillende 798 III, 1,24 | een speciale manier heeft de wijsbegeerte zich dit streven 799 III, 1,25 | voorwerp van dit verlangen is de waarheid. Zelfs het leven 800 III, 1,25 | maar gehoorde woord uit, de dingen in waarheid zijn. 801 III, 1,25 | dingen in waarheid zijn. De mens is het enige wezen 802 III, 1,25 | mens is het enige wezen in de hele zichtbare schepping 803 III, 1,25 | daarom stelt hij belang in de feitelijke waarheid van 804 III, 1,25 | hetgeen voor hem zichtbaar is. De mens kan niet oprecht ongeïnteresseerd 805 III, 1,25 | ongeïnteresseerd zijn in de waarheid van zijn kennis. 806 III, 1,25 | wanneer hij daarentegen de waarheid ervan kan vaststellen, 807 III, 1,25 | is hij tevreden. Dat is de leer van de H. Augustinus, 808 III, 1,25 | tevreden. Dat is de leer van de H. Augustinus, wanneer hij 809 III, 1,25 | worden”. 24 Terecht geldt de mens dán als volwassen, 810 III, 1,25 | zijn oordeel te vormen over de objectieve werkelijkheid 811 III, 1,25 | objectieve werkelijkheid van de dingen. Hier ligt de oorzaak 812 III, 1,25 | van de dingen. Hier ligt de oorzaak van veel onderzoeken, 813 III, 1,25 | vooral op het gebied van de natuurwetenschappen, die 814 III, 1,25 | natuurwetenschappen, die in de laatste eeuwen zulke belangrijke 815 III, 1,25 | een echte vooruitgang van de hele mensheid hebben bevorderd. ~ 816 III, 1,25 | zijn morele handelen slaat de menselijke persoon, als 817 III, 1,25 | vrije en juist gestemde wil, de weg van de gelukzaligheid 818 III, 1,25 | gestemde wil, de weg van de gelukzaligheid in en streeft 819 III, 1,25 | in dit geval gaat het om de waarheid. Deze overtuiging 820 III, 1,25 | Deze overtuiging heb ik in de encycliek Veritatis Splendor 821 III, 1,25 | bestaat niet... Als er voor de mens het recht bestaat op 822 III, 1,25 | gaat daar nog aan vooraf de voor ieder zwaarwegende 823 III, 1,25 | zwaarwegende morele verplichting om de waarheid te zoeken en de 824 III, 1,25 | de waarheid te zoeken en de eenmaal erkende waarheid 825 III, 1,25 | Het is dus nodig dat de aanvaarde en in het eigen 826 III, 1,25 | omdat alleen ware waarden de menselijke persoon door 827 III, 1,25 | menselijke persoon door de verwerkelijking van zijn 828 III, 1,25 | voltooien. Deze waarheid van de waarden vindt de mens niet 829 III, 1,25 | waarheid van de waarden vindt de mens niet door zich in zichzelf 830 III, 1,25 | om ze ook aan te nemen in de dimensies die boven hem 831 III, 1,26 | 26. De waarheid presenteert zich 832 III, 1,26 | waarheid presenteert zich bij de mens aanvankelijk in de 833 III, 1,26 | de mens aanvankelijk in de vorm van een vraag: heeft 834 III, 1,26 | gezicht zou het bestaan van de mens als persoon volkomen 835 III, 1,26 | ongerijmde bij te halen, of de provocerende vragen in het 836 III, 1,26 | in het boek Job, om aan de zin van het leven te twijfelen. 837 III, 1,26 | het leven te twijfelen. De dagelijkse ervaring van 838 III, 1,26 | feiten die in het licht van de waarheid onverklaarbaar 839 III, 1,26 | dramatische vraag als die naar de zin te stellen. 26 Daarbij 840 III, 1,26 | stellen. 26 Daarbij komt dat de eerste absoluut zekere waarheid 841 III, 1,26 | het feit dát we bestaan, de onvermijdelijkheid van onze 842 III, 1,26 | onontkoombaar. Ieder wil - en moet - de waarheid over zijn einde 843 III, 1,26 | kennen. Hij wil weten, of de dood het definitieve einde 844 III, 1,26 | er nog iets is dat over de dood heen reikt; of hij 845 III, 1,26 | oriëntering gekregen van de dood van Socrates, en is 846 III, 1,26 | het licht van het feit van de dood de filosofen zich steeds 847 III, 1,26 | van het feit van de dood de filosofen zich steeds weer 848 III, 1,26 | dit probleem, samen met de vraag naar de zin van het 849 III, 1,26 | samen met de vraag naar de zin van het leven en de 850 III, 1,26 | de zin van het leven en de onsterfelijkheid, hebben 851 III, 1,27 | 27. Niemand, de wijsgeer zo min als de gewone 852 III, 1,27 | de wijsgeer zo min als de gewone mens, kan deze vragen 853 III, 1,27 | een beslissende etappe van de zoektocht af: of het mogelijk 854 III, 1,27 | deze universaliteit zoekt de mens echter naar een absolutum 855 III, 1,27 | geven: iets ultiems, dat de oorzaak van iedere zaak 856 III, 1,27 | zijn. Hypothesen kunnen de mens fascineren, maar ze 857 III, 1,27 | ze het toegeven of niet, de behoefte hebben om hun bestaan 858 III, 1,27 | meer onderworpen is aan de twijfel. De filosofen hebben 859 III, 1,27 | onderworpen is aan de twijfel. De filosofen hebben in de loop 860 III, 1,27 | De filosofen hebben in de loop der eeuwen geprobeerd 861 III, 1,27 | uitdrukkingsvormen, waarin de mens zijnfilosofievorm 862 III, 1,27 | verschijnselen spreekt steeds de levendige wens om te komen 863 III, 1,27 | levendige wens om te komen tot de zekerheid van de waarheid 864 III, 1,27 | komen tot de zekerheid van de waarheid en haar absolute 865 III, 2 | De verschillende gezichten 866 III, 2 | verschillende gezichten van de waarheid van de mens~ 867 III, 2 | gezichten van de waarheid van de mens~ 868 III, 2,28 | 28. Het zoeken naar de waarheid is inderdaad niet 869 III, 2,28 | doorzichtig en consequent. De aangeboren beperktheid van 870 III, 2,28 | beperktheid van het verstand en de onbestendigheid van het 871 III, 2,28 | het hart vertroebelen vaak de persoonlijke zoektocht en 872 III, 2,28 | zoektocht en brengen haar van de weg af. Allerlei andere 873 III, 2,28 | Allerlei andere belangen kunnen de waarheid onderdrukken. Het 874 III, 2,28 | onderdrukken. Het komt voor dat de mens, zodra hij maar een 875 III, 2,28 | zodra hij maar een glimp van de waarheid heeft gezien, spoorslags 876 III, 2,28 | eisen. Desondanks beïnvloedt de waarheid, ook als hij haar 877 III, 2,28 | angst en vrees. Men kan dus de mens definiëren als degene 878 III, 2,28 | definiëren als degene die naar de waarheid zoekt. ~ 879 III, 2,29 | zo diep geworteld is in de menselijke natuur volledig 880 III, 2,29 | zijn. Het vermogen om naar de waarheid te zoeken en vragen 881 III, 2,29 | een eerste antwoord in. De mens zou helemaal niet beginnen 882 III, 2,29 | voor hem aanleiding zijn de eerste stap te zetten. Feitelijk 883 III, 2,29 | wijdt aan het zoeken naar de logische en verifieerbare 884 III, 2,29 | worden van het zoeken naar de waarheid op het gebied van 885 III, 2,29 | waarheid op het gebied van de laatste vragen. Het verlangen 886 III, 2,29 | vragen. Het verlangen naar de waarheid is zo diep geworteld 887 III, 2,29 | stellen dat ieder van ons de kwellende last van enkele 888 III, 2,29 | minstens het ontwerp van de bijbehorende antwoorden 889 III, 2,29 | overtuigd is, omdat men de ervaring heeft, dat zij 890 III, 2,29 | wezen niet onderscheiden van de antwoorden die vele anderen 891 III, 2,29 | echter het vermogen van de mens, fundamenteel tot de 892 III, 2,29 | de mens, fundamenteel tot de waarheid te komen, bevestigd. ~ 893 III, 2,30 | verschillende vormen van de waarheid in het vervolg 894 III, 2,30 | worden. Daarbij gaat het om de waarheidsorde van het dagelijks 895 III, 2,30 | een ander niveau moet men de waarheden van wijsgerige 896 III, 2,30 | wijsgerige aard plaatsen waartoe de mens komt door de speculatieve 897 III, 2,30 | waartoe de mens komt door de speculatieve kracht van 898 III, 2,30 | verstand. Tenslotte zijn er de religieuze waarheden, die 899 III, 2,30 | mate ook geworteld zijn in de wijsbegeerte, en die de 900 III, 2,30 | de wijsbegeerte, en die de verschillende godsdiensten 901 III, 2,30 | tradities als antwoord geven op de laatste vragen. 27 ~Wat 902 III, 2,30 | laatste vragen. 27 ~Wat de wijsgerige waarheden betreft, 903 III, 2,30 | niet alleen beperken tot de soms kortstondige waarheden 904 III, 2,30 | kortstondige waarheden van de beroepsfilosofen. Zoals 905 III, 2,30 | inricht. Hij vormt zich op de een of andere manier een 906 III, 2,30 | visie en een antwoord op de vraag naar de zin van zijn 907 III, 2,30 | antwoord op de vraag naar de zin van zijn bestaan: in 908 III, 2,30 | gedrag. Hier zou hij zich de vraag moeten stellen naar 909 III, 2,30 | vraag moeten stellen naar de verhouding van de wijsgerig-religieuze 910 III, 2,30 | stellen naar de verhouding van de wijsgerig-religieuze waarheden 911 III, 2,30 | wijsgerig-religieuze waarheden tot de in Jezus Christus geopenbaarde 912 III, 2,30 | nog een verder gegeven van de wijsbegeerte overwegen. ~ 913 III, 2,30(27) | Concilie, Verklaring over de Betrekkingen van de Kerk 914 III, 2,30(27) | over de Betrekkingen van de Kerk met de niet-christelijke 915 III, 2,30(27) | Betrekkingen van de Kerk met de niet-christelijke Religies 916 III, 2,31 | 31. De mens is niet geschapen om 917 III, 2,31 | werk deel uit te maken van de samenleving. Vanaf zijn 918 III, 2,31 | waarvan hij niet alleen de taal en de culturele vorming 919 III, 2,31 | hij niet alleen de taal en de culturele vorming ontvangt, 920 III, 2,31 | dat deze waarheden door de bijzondere inzet van het 921 III, 2,31 | dezelfde waarheden op grond van de daarmee opgedane ervaringen 922 III, 2,31 | Desondanks zijn in het leven van de mens de simpelweg geloofde 923 III, 2,31 | in het leven van de mens de simpelweg geloofde waarheden 924 III, 2,31 | Wie zou wel in staat zijn, de ontelbare wetenschappelijke 925 III, 2,31 | onderzoeken? Wie zou persoonlijk de stroom aan informatie kunnen 926 III, 2,31 | uit, uit alle delen van de wereld binnenkomt en die 927 III, 2,31 | aangenomen?: Wie zou tenslotte de ervarings- en denkwegen 928 III, 2,31 | kunnen gaan waarop zich de schatten van de mensheid 929 III, 2,31 | waarop zich de schatten van de mensheid aan wijsheid en 930 III, 2,31 | religiositeit hebben verzameld? De mens, een wezen dat naar 931 III, 2,31 | mens, een wezen dat naar de waarheid zoekt, is dus ook 932 III, 2,32 | vertrouwt ieder zich toe aan de door andere personen verworven 933 III, 2,32 | merkbaar: enerzijds schijnt de geloofskennis een onvolmaakte 934 III, 2,32 | inhoudt en niet slechts de persoonlijke kenvermogens, 935 III, 2,32 | Onderstreept zij, dat de in deze tussenmenselijke 936 III, 2,32 | Gezocht wordt veeleer naar de eigenlijke waarheid van 937 III, 2,32 | eigenlijke waarheid van de persoon: wat hij is en wat 938 III, 2,32 | innerlijk zichtbaar laat worden. De volmaaktheid van de mens 939 III, 2,32 | worden. De volmaaktheid van de mens ligt namelijk niet 940 III, 2,32 | het zich eigen maken van de abstracte kennis van de 941 III, 2,32 | de abstracte kennis van de waarheid, maar ook in een 942 III, 2,32 | zelfgave en trouw tegenover de ander. In deze vertrouwvolle 943 III, 2,32 | vertrouwvolle zelfgave vindt de mens volledige zekerheid 944 III, 2,32 | veiligheid. tegelijkertijd is de kennis door het geloof, 945 III, 2,32 | niet zonder relatie met de waarheid: de gelovige mens 946 III, 2,32 | relatie met de waarheid: de gelovige mens vertrouwt 947 III, 2,32 | mens vertrouwt zich toe aan de waarheid die de ander hem 948 III, 2,32 | toe aan de waarheid die de ander hem verkondigt. ~Hoeveel 949 III, 2,32 | naar het getuigenis van de martelaren. De martelaar 950 III, 2,32 | getuigenis van de martelaren. De martelaar is inderdaad de 951 III, 2,32 | De martelaar is inderdaad de betrouwbaarste getuige van 952 III, 2,32 | betrouwbaarste getuige van de waarheid over het bestaan. 953 III, 2,32 | bestaan. Hij weet, dat hij in de ontmoeting met Jezus Christus 954 III, 2,32 | ontmoeting met Jezus Christus de waarheid over zijn leven 955 III, 2,32 | beroven. Noch het lijden noch de gewelddadige dood zullen 956 III, 2,32 | hem ertoe kunnen brengen, de instemming met de waarheid 957 III, 2,32 | brengen, de instemming met de waarheid te herroepen, die 958 III, 2,32 | te herroepen, die hij in de ontmoeting met Christus 959 III, 2,32 | Daarom fascineert ons tot de dag van vandaag het getuigenis 960 III, 2,32 | vandaag het getuigenis van de martelaren, het wekt instemming 961 III, 2,32 | gehoor en navolging. Dat is de reden waarom men op hun 962 III, 2,32 | gezocht. Tenslotte roept de martelaar bij ons een diep 963 III, 2,32 | maakt, wat ook wij, als we de kracht daartoe zouden vinden, 964 III, 2,33 | 33. Zo zien we dat de delen van dit probleem verder 965 III, 2,33 | schuiven tot een geheel. De mens zoekt van nature naar 966 III, 2,33 | mens zoekt van nature naar de waarheid. Dit zoeken is 967 III, 2,33 | zoeken is niet alleen voor de toe-eigening van partiële, 968 III, 2,33 | wetenschappelijke waarheden bestemd; de mens zoekt niet alleen voor 969 III, 2,33 | die in staat moet zijn, de zin van het leven te verklaren; 970 III, 2,33 | antwoord kan vinden. 28 Dankzij de vermogens die in het denken 971 III, 2,33 | denken vervat liggen is de mens in staat, een dergelijke 972 III, 2,33 | bereikt, maar ook doordat de mens zich vertrouwvol verlaat 973 III, 2,33 | op andere personen, die de zekerheid en echtheid van 974 III, 2,33 | zekerheid en echtheid van de waarheid kunnen garanderen. 975 III, 2,33 | garanderen. Het vermogen en de beslissing om zichzelf en 976 III, 2,33 | vertrouwen, horen zeker tot de antropologisch belangrijkste 977 III, 2,33 | zoeken is aangewezen op de ondersteuning door vertrouwvol 978 III, 2,33 | onderzoek hangt, veronachtzaamt de leer van de antieke wijsgeren, 979 III, 2,33 | veronachtzaamt de leer van de antieke wijsgeren, die de 980 III, 2,33 | de antieke wijsgeren, die de vriendschap als een van 981 III, 2,33 | vriendschap als een van de voor het juiste filosoferen 982 III, 2,33 | gestelde komt naar voren, dat de mens zich bevindt op een 983 III, 2,33 | maat eindeloze zoektocht: de zoektocht naar de waarheid 984 III, 2,33 | zoektocht: de zoektocht naar de waarheid en de zoektocht 985 III, 2,33 | zoektocht naar de waarheid en de zoektocht naar een persoon 986 III, 2,33 | daarin tegemoet, door hem de concrete mogelijkheid te 987 III, 2,33 | verwerkelijkt te zien. Door bij de mens het stadium van het 988 III, 2,33 | leidt het hem binnen in de genade-orde, die hem laat 989 III, 2,33 | van Christus, waarin hem de ware en adequate kennis 990 III, 2,33 | ware en adequate kennis van de drie-ene God geschonken 991 III, 2,33 | In Jezus Christus, die de waarheid is, erkent het 992 III, 2,33 | erkent het geloof aldus de laatste oproep die aan de 993 III, 2,33 | de laatste oproep die aan de mensheid wordt gericht, 994 III, 2,33(28) | gesproken heb. “‘Wat is de mens en waartoe dient hij? 995 III, 2,33(28) | dat als een profetie van de mensheid steeds weer de 996 III, 2,33(28) | de mensheid steeds weer de ernstige vraag stelt, die 997 III, 2,33(28) | ernstige vraag stelt, die de mens pas werkelijk tot mens 998 III, 2,33(28) | Ze zijn uitdrukking van de urgentie, een oorzaak van 999 III, 2,33(28) | van zijn ogenblikken, voor de belangrijke en beslissende 1000 III, 2,33(28) | alledag. In deze vragen wordt de diepe rationaliteit van


1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2500 | 2501-3000 | 3001-3157

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License