1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-1784
Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | traceren, die in de loop van de eeuwen de mensheid in
2 Inl, 0,1 | niet - binnen de horizon van het zelfbewustzijn van de
3 Inl, 0,1 | horizon van het zelfbewustzijn van de menselijke persoon heeft
4 Inl, 0,1 | vraag naar de betekenis van de dingen en van zijn eigen
5 Inl, 0,1 | betekenis van de dingen en van zijn eigen bestaan opkomt.
6 Inl, 0,1 | Alles wat zich als voorwerp van onze kennis voordoet, wordt
7 Inl, 0,1 | wordt aldus zelf een deel van ons leven. Op de architraaf
8 Inl, 0,1 | leven. Op de architraaf van de tempel van Delphi was
9 Inl, 0,1 | architraaf van de tempel van Delphi was de vermanende
10 Inl, 0,1 | jezelf!” - als getuigenis van een fundamentele waarheid
11 Inl, 0,1 | blik op de geschiedenis van de oudheid duidelijk dat
12 Inl, 0,1 | in verscheidene streken van de aarde met heel verschillende
13 Inl, 0,1 | grondvragen opdoken, die de gang van het menselijke bestaan karakteriseren:
14 Inl, 0,1 | in de heilige geschriften van Israël, maar ze duiken ook
15 Inl, 0,1 | vinden ze in de geschriften van Confucius en Lao-Tse alsook
16 Inl, 0,1 | alsook in de verkondiging van Tirthankara en bij Boeddha.
17 Inl, 0,1 | verschijnen ook in de gedichten van Homerus en in de tragedies
18 Inl, 0,1 | Homerus en in de tragedies van Euripides en Sophocles,
19 Inl, 0,1 | de wijsgerige traktaten van Plato en Aristoteles. Het
20 Inl, 0,1 | tijden in de ziel beroert: van het antwoord op deze vragen
21 Inl, 0,2 | waarheid over het leven van de mens als geschenk heeft
22 Inl, 0,2 | tot pelgrim op de straten van de wereld geworden, om te
23 Inl, 0,2(1) | aan deze profetische taak van Christus en krachtens diezelfde
24 Inl, 0,2 | bekommeren om de verkondiging van de verworven zekerheden;
25 Inl, 0,2 | in de laatste openbaring van God zal worden onthuld: “
26 Inl, 0,2 | omtrekken: dan echter zien wij van aangezicht tot aangezicht;
27 Inl, 0,2(2) | over de Kerk in de wereld van vandaag Gaudium et spes,
28 Inl, 0,3 | vooruitgang in de kennis van de waarheid te bevorderen
29 Inl, 0,3 | bijdraagt de vraag naar de zin van het leven te stellen en
30 Inl, 0,3 | ontwerpen; zo vormt zij een van de voornaamste opgaven van
31 Inl, 0,3 | van de voornaamste opgaven van de mensheid. Naar haar Griekse
32 Inl, 0,3 | ontstaan en de ontwikkeling van de wijsbegeerte valt inderdaad
33 Inl, 0,3 | stellen over oorzaak en doel van de dingen. Ze laat op verschillende
34 Inl, 0,3 | de waarheid tot de natuur van de mens hoort. Het is een
35 Inl, 0,3 | aangeboren, naar de betekenis van de dingen te vragen, ook
36 Inl, 0,3 | vorming en ontwikkeling van de culturen van het Avondland,
37 Inl, 0,3 | ontwikkeling van de culturen van het Avondland, mag ons niet
38 Inl, 0,3 | dagen aanwezige grondvorm van wijsgerige kennis zelfs
39 Inl, 0,3 | inspireren bij de regeling van het maatschappelijk leven. ~
40 Inl, 0,4 | opkomt door de beschouwing van de schepping; de mens wordt
41 Inl, 0,4 | ontdekt dat hij deel is van de wereld en in betrekking
42 Inl, 0,4 | leiden tot de ontdekking van steeds nieuwe horizonten
43 Inl, 0,4 | steeds nieuwe horizonten van kennis. Zonder de verbazing
44 Inl, 0,4 | vervallen in de monotonie van de herhaling en zeer spoedig
45 Inl, 0,4 | werk tot de ontwikkeling van een vorm van streng denken
46 Inl, 0,4 | ontwikkeling van een vorm van streng denken en aldus,
47 Inl, 0,4 | de logische consequentie van de uitspraken en de organische
48 Inl, 0,4 | en de organische eenheid van hun inhoud, tot de opbouw
49 Inl, 0,4 | hun inhoud, tot de opbouw van een systematische kennis.
50 Inl, 0,4 | behaald die tot de uitwerking van echte denksystemen hebben
51 Inl, 0,4 | Daardoor was men in de loop van de geschiedenis steeds weer
52 Inl, 0,4 | de alomvattende duiding van de werkelijkheid te maken.
53 Inl, 0,4 | ondanks de veranderingen van de tijd en de vooruitgang
54 Inl, 0,4 | de tijd en de vooruitgang van de kennis een kern van filosofische
55 Inl, 0,4 | vooruitgang van de kennis een kern van filosofische inzichten te
56 Inl, 0,4 | die in de geschiedenis van het denken steeds aanwezig
57 Inl, 0,4 | noemen, aan de beginselen van de non-contradictie, van
58 Inl, 0,4 | van de non-contradictie, van de doelgerichtheid, van
59 Inl, 0,4 | van de doelgerichtheid, van de oorzakelijkheid en ook
60 Inl, 0,4 | en ook aan de opvatting van de persoon als vrij en verstandelijk
61 Inl, 0,4 | geven aan dat er afgezien van de onderscheiden denkrichtingen
62 Inl, 0,4 | denkrichtingen een geheel van kennis bestaat, waarin men
63 Inl, 0,4 | als een geestelijk erfgoed van de mensheid kan zien; net
64 Inl, 0,4 | een soort referentiepunt van de verschillende wijsgerige
65 Inl, 0,4 | eerste en algemene beginselen van het zijn te vatten en te
66 Inl, 0,5 | 5. De Kerk van haar kant moet de inzet
67 Inl, 0,5 | haar kant moet de inzet van de rede om doelen te bereiken,
68 Inl, 0,5 | kennen, die de existentie van de mens betreffen. Tegelijkertijd
69 Inl, 0,5 | onontbeerlijke hulp om het begrip van het geloof te verdiepen
70 Inl, 0,5 | verdiepen en om de waarheid van het evangelie aan allen
71 Inl, 0,5 | soortgelijke initiatieven van mijn voorgangers wil ook
72 Inl, 0,5 | richten op dit bijzondere werk van de rede. Daartoe noopt mij
73 Inl, 0,5 | omdat ze de ontplooiing van cultuur en geschiedenis
74 Inl, 0,5 | in zekere zin het totaal van de kennis werd daarin betrokken.
75 Inl, 0,5 | blijft ieder afhankelijk van eigen goeddunken en zijn
76 Inl, 0,5 | het dat de rede, in plaats van de menselijke oriëntatie
77 Inl, 0,5 | verwoorden, onder de last van de vele kennis zich over
78 Inl, 0,5 | te gaan, tot de waarheid van het zijn te komen. De moderne
79 Inl, 0,5 | geconcentreerd op de kennis van de mens. In plaats van gebruik
80 Inl, 0,5 | kennis van de mens. In plaats van gebruik te maken van de
81 Inl, 0,5 | plaats van gebruik te maken van de mogelijkheid die de mens
82 Inl, 0,5 | Daaruit zijn veel vormen van agnosticisme en relativisme
83 Inl, 0,5 | terechtkwam in het drijfzand van een algemeen scepticisme.
84 Inl, 0,5 | Een gewettigde pluraliteit van stellingnames in het denken
85 Inl, 0,5 | gelijkwaardig zijn. Dat is een van de meest verbreide symptomen
86 Inl, 0,5 | meest verbreide symptomen van het huidige gebrek aan vertrouwen
87 Inl, 0,5 | karakter. Daarbij gaat men uit van de opvatting dat de waarheid
88 Inl, 0,5 | mening. Men heeft de indruk van een beweging die zich als
89 Inl, 0,5 | radicale vraag naar de waarheid van het leven als persoon, van
90 Inl, 0,5 | van het leven als persoon, van het zijn en van God. Dientengevolge
91 Inl, 0,5 | persoon, van het zijn en van God. Dientengevolge zijn
92 Inl, 0,5 | enkele filosofen, houdingen van een wijdverbreid wantrouwen
93 Inl, 0,5 | de zin en de grondoorzaak van het menselijke, persoonlijke
94 Inl, 0,5 | leven te stellen. De hoop om van de wijsbegeerte definitieve
95 Inl, 0,6 | 6. Zeker van haar competentie als draagster
96 Inl, 0,6 | competentie als draagster van de Openbaring van Jezus
97 Inl, 0,6 | draagster van de Openbaring van Jezus Christus, wil de Kerk
98 Inl, 0,6 | wil de Kerk nu de noodzaak van het nadenken over de waarheid
99 Inl, 0,6 | de verschillende aspecten van de waarheid is, alsook tot
100 Inl, 0,6 | de bisschoppen “getuigen van de goddelijke en katholieke
101 Inl, 0,6 | waarheid” zijn3. Getuigen van de waarheid is dus een taak
102 Inl, 0,6 | een nieuwe bekrachtiging van de geloofswaarheid kunnen
103 Inl, 0,6 | geloofswaarheid kunnen we aan de mens van onze tijd weer echt vertrouwen
104 Inl, 0,6 | enkele fundamentele waarheden van de katholieken leer in herinnering”
105 Inl, 0,6 | de toekomst toebehoort en van wie zij afhangt, blootstelt
106 Inl, 0,6 | fundament, waarop het bestaan van ieder afzonderlijk en van
107 Inl, 0,6 | van ieder afzonderlijk en van de samenleving kan worden
108 Inl, 0,6 | komen tot de ware betekenis van het bestaan wordt weggemoffeld.
109 Inl, 0,6 | voortslepen tot bijna aan de rand van de afgrond, zonder te weten
110 Inl, 0,6 | roeping het was om de vrucht van hun denken in culturele
111 Inl, 0,6 | uit te drukken, de blik van de waarheid hebben afgewend
112 Inl, 0,6 | gegeven boven de inspanning van het geduldige zoeken naar
113 Inl, 0,6 | de mensheid op de drempel van het derde millennium van
114 Inl, 0,6 | van het derde millennium van de christelijke tijdrekening
115 Inl, 0,6 | duidelijker bewust wordt van de geweldige mogelijkheden
116 Inl, 0,6 | voor de verwezenlijking van het heilsplan, waarin haar
117 I | Hoofdstuk I~De Openbaring Van Gods Wijsheid~
118 I, 1,7 | 7. Aan al het denken van de Kerk ligt het besef ten
119 I, 1,7 | dat zij de draagster is van een boodschap die haar oorsprong
120 I, 1,7 | 1Thess 2,13). Aan het begin van ons leven als gelovigen
121 I, 1,7 | die het openbaar worden van een eeuwig verborgen, maar
122 I, 1,7 | openbaren en het geheim van zijn wil bekend te maken (
123 I, 1,7 | onverschuldigd initiatief, dat van God uitgaat, om de mensheid
124 I, 1,7 | bereiken en te redden. Als bron van liefde wil God zich laten
125 I, 1,7 | en de kennis die de mens van Hem heeft, brengt alle andere
126 I, 1,7 | ware kennis over de zin van zijn eigen bestaan tot de
127 I, 1,8 | bijna woordelijke overname van de door de dogmatische constitutie
128 I, 1,8 | dogmatische constitutie Dei Filius van het Eerste Vaticaans Concilie
129 I, 1,8 | leer en met inachtneming van de door het Concilie van
130 I, 1,8 | van de door het Concilie van Trente voorgelegde principes
131 I, 1,8 | de Constitutie Dei Verbum van Vaticanum II de tocht van
132 I, 1,8 | van Vaticanum II de tocht van het geloofsinzicht, intelligentia
133 I, 1,8 | Openbaring in het licht van de bijbelse leer en van
134 I, 1,8 | van de bijbelse leer en van de hele traditie van de
135 I, 1,8 | en van de hele traditie van de kerkvaders. De concilievaders
136 I, 1,8 | kerkvaders. De concilievaders van Vaticanum I hadden de nadruk
137 I, 1,8 | bovennatuurlijke karakter van Gods Openbaring. De rationalistische
138 I, 1,8 | kritiek die destijds op grond van wijdverbreide valse stellingen
139 I, 1,8 | gebracht, betrof de ontkenning van alle kennis die niet voortkwam
140 I, 1,8 | de natuurlijke vermogens van het verstand. Deze situatie
141 I, 1,8 | dat er buiten de kennis van het menselijke verstand
142 I, 1,8 | kennis is de uitdrukking van een waarheid die stoelt
143 I, 1,8 | waarheid die stoelt op het feit van de zich openbarende God
144 I, 1,9 | wijsgerig denken en de waarheid van de Openbaring noch zich
145 I, 1,9 | bestaat een tweevoudige orde van kennis, niet alleen onderscheiden
146 I, 1,9 | hun object. Ten aanzien van de bron, omdat we in de
147 I, 1,9 | goddelijk geloof; ten aanzien van het object, omdat er naast
148 I, 1,9 | de bovennatuurlijke hulp van de genade geniet, is inderdaad
149 I, 1,9 | genade geniet, is inderdaad van een andere orde dan de wijsgerige
150 I, 1,9 | zich alleen in het licht van de rede. De wijsbegeerte
151 I, 1,9 | dwalen rond door het gebied van het natuurlijke verstand,
152 I, 1,9 | heilsboodschap de ‘volheid van de genade en waarheid’ (
153 I, 1,9(7) | over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium et spes,
154 I, 1,10 | 10. De Concilievaders van Vaticanum II hebben de blik
155 I, 1,10 | daarbij het heilskarakter van Gods openbaring in de geschiedenis
156 I, 1,10 | 1, 17) uit de overvloed van zijn liefde de mensen aan
157 I, 1,10 | te nemen. Deze bedeling van de openbaring geschiedt
158 I, 1,10 | middelaar en de volheid van de gehele openbaring is,
159 I, 1,11 | geschiedenis. Ja, de menswording van Jezus Christus geschiedt
160 I, 1,11 | geschiedt in de “volheid van de tijd” (Gal 4,4). Tweeduizend
161 I, 1,11 | tijd treedt het hele werk van de schepping en de verlossing
162 I, 1,11 | wij door de menswording van de Zoon van God reeds nu
163 I, 1,11 | menswording van de Zoon van God reeds nu de toekomstige
164 I, 1,11 | de toekomstige voleinding van de tijd beleven en daarop
165 I, 1,11 | voor altijd in het mysterie van Jezus van Nazareth verkondigd.
166 I, 1,11 | in het mysterie van Jezus van Nazareth verkondigd. Dat
167 I, 1,11 | en hun het meest innige van God zou doen kennen (vgl.
168 I, 1,11 | geschiedenis wordt zo voor het volk van God een weg die moet worden
169 I, 1,11 | het onophoudelijke werken van de heilige Geest haar inhoud
170 I, 1,11 | onafgebroken naar de volheid van de goddelijke waarheid,
171 I, 1,12 | begrijpen. ~De menswording van God laat ons de eeuwige
172 I, 1,12 | fragment, God neemt de gedaante van een mens aan. De in de openbaring
173 I, 1,12 | aan. De in de openbaring van Christus tot uitdrukking
174 I, 1,12 | Alleen in het mysterie van het mens geworden Woord
175 I, 1,12 | Woord licht het mysterie van de mens op” 12, stelt de
176 I, 1,12 | zicht blijft het geheim van de menselijke persoon een
177 I, 1,12 | het licht, dat afstraalt van het lijden, de dood en de
178 I, 1,12 | de dood en de opstanding van Christus, zou de mens het
179 I, 1,12 | dramatische kwesties als die van de pijn, het lijden van
180 I, 1,12 | van de pijn, het lijden van onschuldigen en de dood? ~
181 I, 2,13 | zijn leven het aanschijn van de Vader, want Hij is immers
182 I, 2,13 | maar de kennis die wij van dit aanschijn hebben, is
183 I, 2,13 | fragmentarische en beperkte van ons begrijpen. Alleen het
184 I, 2,13 | ons toe in de intimiteit van het mysterie binnen te gaan,
185 I, 2,13 | openbarende God de gehoorzaamheid van het geloof betracht moet
186 I, 2,13 | een fundamentele waarheid van het christendom. Daarin
187 I, 2,13 | kennen, is in het gezag van zijn absolute transcendentie
188 I, 2,13 | transcendentie ook de bron van de geloofwaardigheid van
189 I, 2,13 | van de geloofwaardigheid van wat Hij openbaart. Door
190 I, 2,13 | en al de waarheid erkent van hetgeen geopenbaard werd,
191 I, 2,13 | voegt zich in het kader van de interpersoonlijke communicatie.
192 I, 2,13 | het subject de voltrekking van een akt mogelijk te maken
193 I, 2,13 | geloofwaardige toepassing van de vrijheid gezien kunnen
194 I, 2,13 | meest betekenisvolle akt van zijn bestaan; hier is het
195 I, 2,13 | de vrijheid de zekerheid van de waarheid bereikt en besluit
196 I, 2,13 | terecht trots is, het geheim van binnenuit doorgrondt; anderzijds
197 I, 2,13 | verder te gaan dan hun aard van tekens, om de diepere betekenis
198 I, 2,13 | het sacramentele karakter van de openbaring en in het
199 I, 2,13 | het bijzonder op het teken van de eucharistie, waar de
200 I, 2,13 | mogelijk maakt, de diepte van het mysterie te bevatten.
201 I, 2,13(15) | geloofsgehoorzaamheid de inzet van het verstand en de wil vraagt: “
202 I, 2,13(15) | volledig afhankelijk is van God als zijn Schepper en
203 I, 2,13(15) | de volle gehoorzaamheid van het verstand en van de wil
204 I, 2,13(15) | gehoorzaamheid van het verstand en van de wil te betonen.” (Dogmatische
205 I, 2,13 | waarheid zich uiterlijk niet van de algemene opinies. En
206 I, 2,13(16) | Sequentie op het Feest van het Allerheiligste Lichaam
207 I, 2,13(16) | Allerheiligste Lichaam en Bloed van Christus. ~
208 I, 2,13 | het als een voor het leven van de mens wezenlijk feit: “
209 I, 2,13 | openbaart juist in de openbaring van het geheim van de Vader
210 I, 2,13 | openbaring van het geheim van de Vader en van zijn liefde,
211 I, 2,13 | het geheim van de Vader en van zijn liefde, de mens zelf
212 I, 2,13 | te hebben aan het geheim van het drievuldige leven van
213 I, 2,13 | van het drievuldige leven van God. 19 ~
214 I, 2,14 | 14. De leer van de beide Vaticaanse Concilies
215 I, 2,14 | filosofische kennen een horizon van echte vernieuwing open.
216 I, 2,14 | ertoe wil komen het geheim van zijn bestaan te begrijpen;
217 I, 2,14 | voortdurend naar het mysterie van God, dat het verstand niet
218 I, 2,14 | voor het oneindige mysterie van God. ~De openbaring brengt
219 I, 2,14 | spoort hem aan de ruimte van zijn kennis steeds uit te
220 I, 2,14 | overdenking komt ons een van de spiritueelste en belangrijkste
221 I, 2,14 | scheppende persoonlijkheden van de mensengeschiedenis te
222 I, 2,14 | Proslogion schrijft de bisschop van Kantelberg: “Terwijl ik
223 I, 2,14 | bezighouden en mij zouden afhouden van andere problemen, waaruit
224 I, 2,14 | wat ben ik armzalige, een van Eva’s zonen, ver van God,
225 I, 2,14 | een van Eva’s zonen, ver van God, begonnen te ondernemen,
226 I, 2,15 | 15. De waarheid van de christelijke openbaring,
227 I, 2,15 | openbaring, die wij in Jezus van Nazareth ontmoeten, maakt
228 I, 2,15 | mogelijk het ‘mysterie’ van het eigen leven aan te nemen,
229 I, 2,15 | ten diepste de autonomie van het schepsel en zijn vrijheid,
230 I, 2,15 | verplicht het echter in naam van de waarheid, zich open te
231 I, 2,15 | Hier bereikt de verhouding van vrijheid en waarheid haar
232 I, 2,15 | begrijpt men volledig het woord van de Heer: “Dan zult u de
233 I, 2,15 | voor de mens tussen de druk van een immanentistische denkwijze
234 I, 2,15 | denkwijze en de beperkingen van een technocratische logica;
235 I, 2,15 | het oorspronkelijke plan van de liefde, dat met de schepping
236 I, 2,15 | die verlangt naar kennis van het ware wordt, inzoverre
237 I, 2,15 | herwinnen doordat hij de weg van de waarheid gaat. De woorden
238 I, 2,15 | terug. In het binnenste van de mens woont de waarheid]. 21 ~
239 I, 2,15 | waarheid]. 21 ~In het licht van deze beschouwingen komt
240 I, 2,15 | vrucht of het hoogtepunt van een door het verstand ontwikkeld
241 I, 2,15 | verlangt om als uitdrukking van de liefde te worden aangenomen.
242 I, 2,15 | geschiedenis gelegde voorsmaak van die uiteindelijke en definitieve
243 I, 2,15 | definitieve aanschouwing van God, die is voorbehouden
244 I, 2,15 | zoeken. Het laatste doel van het menselijke bestaan als
245 I, 2,15 | persoon is dus studieobject van zowel de wijsbegeerte alsook
246 I, 2,15 | en eeuwigdurende vreugde van de aanschouwing van de drie-ene
247 I, 2,15 | vreugde van de aanschouwing van de drie-ene God. ~
248 II, 1,16 | vooringenomenheid lezen van deze bladzijden, is het
249 II, 1,16 | teksten niet alleen het geloof van Israël vervat is, maar ook
250 II, 1,16 | is, maar ook de rijkdom van reeds verdwenen beschavingen
251 II, 1,16 | gemeenschappelijke trekken van de oud-oriëntaalse culturen
252 II, 1,16 | aan innerlijke intuïties van een unieke diepte, weer
253 II, 1,16 | te krijgen; die de wegen van de wijsheid in zijn hart
254 II, 1,16 | putten uit het diepe water” van de kennis. (vgl. Spr 20,
255 II, 1,16 | oude Israël was het kennen van de wereld en haar verschijnselen
256 II, 1,16 | zeker niet het resultaat van abstractie, zoals dat geldt
257 II, 1,16 | zijn kennis op de wijze van de moderne wereld die meer
258 II, 1,16 | om verschillende soorten van kennis te onderscheiden.
259 II, 1,16 | Desondanks heeft de wereld van de bijbel haar oorspronkelijke
260 II, 1,16 | vloeien in de grote zee van de kennisleer. ~Wat voor
261 II, 1,16 | wisselende wederwaardigheden van het volk zijn werkelijkheden,
262 II, 1,16 | werkelijkheden, die met de middelen van het verstand beschouwd,
263 II, 1,16 | niet in om de autonomie van het verstand teniet te doen
264 II, 1,16 | begrijpelijk te maken, dat de God van Israël in deze gebeurtenissen
265 II, 1,16 | opent voor de ontdekking van de actieve aanwezigheid
266 II, 1,16 | de actieve aanwezigheid van de Voorzienigheid in de
267 II, 1,16 | veelbetekenend: “Het hart van de mens bedenkt zijn weg,
268 II, 1,16 | dat de mens met het licht van het verstand zijn weg kan
269 II, 1,16 | zoeken kadert in het raam van het geloof. Verstand en
270 II, 1,17 | geen reden voor het bestaan van een soort concurrentiestrijd
271 II, 1,17 | te verhullen, maar de eer van de koning is het, een zaak
272 II, 1,17 | bevindt zich de volheid van het mysterie, en dat maakt
273 II, 1,17 | dynamische kracht, dat het hart van de mens ondanks de ervaring
274 II, 1,17 | mens ondanks de ervaring van onoverschrijdbare grenzen
275 II, 1,18 | kon het de diepten peilen van alles wat het met het verstand
276 II, 1,18 | trachtte te bereiken. Uitgaande van deze diepste vorm van kennis
277 II, 1,18 | Uitgaande van deze diepste vorm van kennis heeft het uitverkoren
278 II, 1,18 | eerste is dat het kennen van de mens een weg is die geen
279 II, 1,18 | begeven met de hoogmoed van degene die meent dat alles
280 II, 1,18 | meent dat alles de vrucht is van persoonlijke verwerving;
281 II, 1,18 | liefde bij het besturen van de wereld erkennen. ~Wanneer
282 II, 1,18 | erkennen. ~Wanneer de mens van deze regels afwijkt loopt
283 II, 1,18 | afwijkt loopt hij het gevaar van mislukking en komt hij tenslotte
284 II, 1,18 | tenslotte in de toestand van de “dwaas”. Voor de bijbel
285 II, 1,18 | dwaasheid een bedreiging van het leven in. Want de dwaas
286 II, 1,18 | en hoe ver hij af staat van de volle waarheid over de
287 II, 1,19 | 19. Hoofdstuk 13 van het Boek der Wijsheid bevat
288 II, 1,19 | de Oudheid viel de studie van de natuurwetenschappen grotendeels
289 II, 1,19 | in staat is, “de opbouw van de wereld en het werken
290 II, 1,19 | elementen, (...) de kringloop van de jaren en de positie van
291 II, 1,19 | van de jaren en de positie van de sterren, de natuur van
292 II, 1,19 | van de sterren, de natuur van de dieren en de wildheid
293 II, 1,19 | de dieren en de wildheid van roofdieren” te begrijpen (
294 II, 1,19 | grootheid en schoonheid van de schepselen ziet men door
295 II, 1,19 | wordt dus een eerste trede van de goddelijke openbaring
296 II, 1,19 | het wonderbaarlijke “boek van de natuur”; als de mens
297 II, 1,19 | dan kan hij tot kennis van de Schepper komen. Wanneer
298 II, 1,19 | verstand God, de Schepper van alles, niet kan kennen,
299 II, 1,19 | zozeer aan het ontbreken van een passend middel als wel
300 II, 1,20 | het wijdere perspectief van het geloof: “De Heer leidt
301 II, 1,20 | De Heer leidt de schreden van ieder. Hoe zou de mens zijn
302 II, 1,20 | het geloof de diepe zin van alles, en in het bijzonder
303 II, 1,20 | in het bijzonder de zin van zijn eigen bestaan ontdekt.
304 II, 1,20 | vrees voor God met het begin van de ware kennis: “De vrees
305 II, 1,20 | voor de Heer is het begin van de kennis” (Spr 1,7; vgl.
306 II, 2,21 | op zorgvuldige waarneming van de mens, de wereld en de
307 II, 2,21 | geloof en met de inhoud van de openbaring. Hier liggen
308 II, 2,21 | tenslotte voor hem de bron van een ware kennis die zijn
309 II, 2,21 | liet binnengaan in het rijk van het oneindige, waardoor
310 II, 2,21 | inzicht kreeg. De inspanning van het onderzoek was voor de
311 II, 2,21 | voor de schrijver niet vrij van de moeite die de confrontatie
312 II, 2,21 | confrontatie met de grenzen van het verstand kost. Dat blijkt
313 II, 2,21 | der Spreuken de toestand van uitputting beschrijft die
314 II, 2,21 | de geheimnisvolle plannen van God te begrijpen (vgl. Spr
315 II, 2,21 | voortdurende beproeving van de twijfel, niets onbeproefd
316 II, 2,22 | in het eerste hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen
317 II, 2,22 | de Romeinen de overweging van de wijsheidsboeken in hun
318 II, 2,22 | wijsgerige redenering in de taal van het volk en brengt daarmee
319 II, 2,22 | schepping kunnen de ‘ogen van de rede’ tot kennis van
320 II, 2,22 | van de rede’ tot kennis van God komen. Want door de
321 II, 2,22 | het verstand de intuïtie van zijn ‘macht’ en zijn ‘godheid’ (
322 II, 2,22 | oorzaak, die aan het begin van elke zintuiglijk waarneembare
323 II, 2,22 | het metafysische vermogen van de mens wordt bevestigd.
324 II, 2,22 | scheppingsplan het vermogen van de mens voorzien was om
325 II, 2,22 | voorzien was om de wereld van de zintuigen gemakkelijk
326 II, 2,22 | overstijgen om tot de oorsprong van alles te geraken: de Schepper.
327 II, 2,22 | de Schepper. Als gevolg van de ongehoorzaamheid, waardoor
328 II, 2,22 | onafhankelijk wilde worden van zijn Schepper, is dit gemakkelijke
329 II, 2,22 | aanschouwelijk deze toestand van de mens, wanneer het vertelt
330 II, 2,22 | vertelt dat God hem in de hof van Eden plaatste, in welks
331 II, 2,22 | in welks midden “de boom van de kennis van goed en kwaad”
332 II, 2,22 | midden “de boom van de kennis van goed en kwaad” stond (Gen
333 II, 2,22 | waren en dat ze zonder de van God komende kennis konden.
334 II, 2,22 | verstand wonden toe, die van dan af de weg naar de volle
335 II, 2,22 | belemmerd door de afwijzing van Hem die bron en oorsprong
336 II, 2,22 | Hem die bron en oorsprong van de waarheid is. Weer is
337 II, 2,22 | door de zonde de gedachten van de mens ‘ijdel’ geworden
338 II, 2,22 | Rom 1,21-22). ~De ogen van de rede waren nu niet meer
339 II, 2,22 | steeds meer de gevangene van zichzelf. De komst van Christus
340 II, 2,22 | gevangene van zichzelf. De komst van Christus was de heilsgebeurtenis,
341 II, 2,22 | zwakheid verloste en bevrijdde van de boeien waarin het zichzelf
342 II, 2,23 | 23. De verhouding van de christen tot de wijsbegeerte
343 II, 2,23 | Testament, vooral in de brieven van de H. Paulus, komt één feit
344 II, 2,23 | tegenstelling tussen de “wijsheid van deze wereld” en de in Jezus
345 II, 2,23 | Christus geopenbaarde wijsheid van God. De diepgang van de
346 II, 2,23 | wijsheid van God. De diepgang van de geopenbaarde wijsheid
347 II, 2,23 | wijsheid verbreekt de cirkel van onze gewone denkschema’s,
348 II, 2,23 | weer te geven. ~Het begin van de eerste brief aan de Corinthiërs
349 II, 2,23 | voren. De gekruisigde Zoon van God is de historische gebeurtenis
350 II, 2,23 | gebeurtenis waarop iedere poging van het verstand stukloopt om
351 II, 2,23 | verklaring te geven voor de zin van het bestaan. Het ware knooppunt
352 II, 2,23 | wijsbegeerte uitdaagt is de dood van Jezus Christus aan het kruis.
353 II, 2,23 | iedere poging, het heilsplan van de Vader te herleiden tot
354 II, 2,23 | wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid
355 II, 2,23 | niet langer de wijsheid van de wijze mens voldoende,
356 II, 2,23 | stap naar het aanvaarden van iets volledig nieuws nodig: “
357 II, 2,23 | begrijpen, hoe de dood bron van leven en liefde zou kunnen
358 II, 2,23 | juist dat voor de onthulling van het geheim van zijn heilsplan
359 II, 2,23 | onthulling van het geheim van zijn heilsplan uitgekozen,
360 II, 2,23 | en ‘ergernis’. Met behulp van de taal van de wijsgeren
361 II, 2,23 | Met behulp van de taal van de wijsgeren van zijn tijd
362 II, 2,23 | de taal van de wijsgeren van zijn tijd bereikt Paulus
363 II, 2,23 | bereikt Paulus het hoogtepunt van zijn leer en van de paradox,
364 II, 2,23 | hoogtepunt van zijn leer en van de paradox, die hij wil
365 II, 2,23 | gebruiken, om het wezen van de onverschuldigde liefde
366 II, 2,23 | drukken, die zich in het kruis van Jezus Christus heeft geopenbaard.
367 II, 2,23 | De rede kan het geheim van de liefde dat het kruis
368 II, 2,23 | zoekt. Niet de wijsheid van de woorden, maar het woord
369 II, 2,23 | woorden, maar het woord van de wijsheid biedt de H.
370 II, 2,23 | H. Paulus als criterium van de waarheid en daarmee van
371 II, 2,23 | van de waarheid en daarmee van het heil. ~De wijsheid van
372 II, 2,23 | van het heil. ~De wijsheid van het kruis overwint zo elke
373 II, 2,23 | openstellen voor de universaliteit van de waarheid, waarvan zij
374 II, 2,23 | onophoudelijke zelfoverstijging van de mens naar de waarheid,
375 II, 2,23 | erkennen, kan zich met de hulp van het geloof openstellen om
376 II, 2,23 | openstellen om de ‘dwaasheid’ van het kruis te aanvaarden
377 II, 2,23 | vasthouden in de ondiepten van hun systeem. De verhouding
378 II, 2,23 | hun systeem. De verhouding van geloof en wijsbegeerte stoot
379 II, 2,23 | stoot in de verkondiging van de gekruisigde en opgestane
380 II, 2,23 | uitmonden in de oneindige zee van de waarheid. Hier blijkt
381 III, 1,24 | vertelt in de Handelingen van de Apostelen, dat Paulus
382 III, 1,24 | naar Athene kwam. De stad van de wijsgeren was vol beelden
383 III, 1,24 | wijsgeren was vol beelden van verschillende afgoden. Eén
384 III, 1,24 | beginnen met de verkondiging van het Kerygma. En zo sprak
385 III, 1,24 | Hij is immers niet ver van ieder van ons” (Hand 17,
386 III, 1,24 | immers niet ver van ieder van ons” (Hand 17, 26-27). ~
387 III, 1,24 | architectuur en ieder ander blijk van zijn creatieve verstand
388 III, 1,25 | verlangen te weten”; 23 voorwerp van dit verlangen is de waarheid.
389 III, 1,25 | waarheid. Zelfs het leven van alledag laat zien hoezeer
390 III, 1,25 | weten, maar ook weet heeft van dit weten; daarom stelt
391 III, 1,25 | in de feitelijke waarheid van hetgeen voor hem zichtbaar
392 III, 1,25 | ongeïnteresseerd zijn in de waarheid van zijn kennis. Wanneer hij
393 III, 1,25 | tevreden. Dat is de leer van de H. Augustinus, wanneer
394 III, 1,25 | objectieve werkelijkheid van de dingen. Hier ligt de
395 III, 1,25 | dingen. Hier ligt de oorzaak van veel onderzoeken, vooral
396 III, 1,25 | onderzoeken, vooral op het gebied van de natuurwetenschappen,
397 III, 1,25 | daarmee een echte vooruitgang van de hele mensheid hebben
398 III, 1,25 | juist gestemde wil, de weg van de gelukzaligheid in en
399 III, 1,25 | recht bestaat op zijn weg van zoeken naar waarheid gerespecteerd
400 III, 1,25 | door de verwerkelijking van zijn natuur kunnen voltooien.
401 III, 1,25 | voltooien. Deze waarheid van de waarden vindt de mens
402 III, 1,26 | aanvankelijk in de vorm van een vraag: heeft het leven
403 III, 1,26 | gezicht zou het bestaan van de mens als persoon volkomen
404 III, 1,26 | hoeft er geen wijsgeren van het ongerijmde bij te halen,
405 III, 1,26 | boek Job, om aan de zin van het leven te twijfelen.
406 III, 1,26 | De dagelijkse ervaring van eigen en andermans leed,
407 III, 1,26 | andermans leed, het zien van zoveel feiten die in het
408 III, 1,26 | feiten die in het licht van de waarheid onverklaarbaar
409 III, 1,26 | absoluut zekere waarheid van ons bestaan, buiten het
410 III, 1,26 | bestaan, de onvermijdelijkheid van onze dood is. Gegeven dit
411 III, 1,26 | dood het definitieve einde van zijn bestaan is, óf of er
412 III, 1,26 | beslissende oriëntering gekregen van de dood van Socrates, en
413 III, 1,26 | oriëntering gekregen van de dood van Socrates, en is het meer
414 III, 1,26 | toeval dat in het licht van het feit van de dood de
415 III, 1,26 | in het licht van het feit van de dood de filosofen zich
416 III, 1,26 | met de vraag naar de zin van het leven en de onsterfelijkheid,
417 III, 1,27 | kan deze vragen ontlopen. Van het antwoord daarop hangt
418 III, 1,27 | hangt een beslissende etappe van de zoektocht af: of het
419 III, 1,27 | ultiems, dat de oorzaak van iedere zaak zal blijken.
420 III, 1,27 | toevertrouwt aan het gezag van een leraar. Uit elk van
421 III, 1,27 | van een leraar. Uit elk van deze verschijnselen spreekt
422 III, 1,27 | te komen tot de zekerheid van de waarheid en haar absolute
423 III, 2 | verschillende gezichten van de waarheid van de mens~
424 III, 2 | gezichten van de waarheid van de mens~
425 III, 2,28 | De aangeboren beperktheid van het verstand en de onbestendigheid
426 III, 2,28 | verstand en de onbestendigheid van het hart vertroebelen vaak
427 III, 2,28 | zoektocht en brengen haar van de weg af. Allerlei andere
428 III, 2,28 | zodra hij maar een glimp van de waarheid heeft gezien,
429 III, 2,29 | verifieerbare verklaring van een bepaald verschijnsel,
430 III, 2,29 | Datzelfde moet ook gezegd worden van het zoeken naar de waarheid
431 III, 2,29 | de waarheid op het gebied van de laatste vragen. Het verlangen
432 III, 2,29 | vast te stellen dat ieder van ons de kwellende last van
433 III, 2,29 | van ons de kwellende last van enkele existentiële vragen
434 III, 2,29 | hart minstens het ontwerp van de bijbehorende antwoorden
435 III, 2,29 | koestert. Het zijn antwoorden van welker waarheid men ook
436 III, 2,29 | wezen niet onderscheiden van de antwoorden die vele anderen
437 III, 2,29 | wordt echter het vermogen van de mens, fundamenteel tot
438 III, 2,30 | deze verschillende vormen van de waarheid in het vervolg
439 III, 2,30 | het om de waarheidsorde van het dagelijks leven en van
440 III, 2,30 | van het dagelijks leven en van het wetenschappelijk onderzoek.
441 III, 2,30 | niveau moet men de waarheden van wijsgerige aard plaatsen
442 III, 2,30 | door de speculatieve kracht van zijn verstand. Tenslotte
443 III, 2,30 | soms kortstondige waarheden van de beroepsfilosofen. Zoals
444 III, 2,30 | op de vraag naar de zin van zijn bestaan: in dit licht
445 III, 2,30 | stellen naar de verhouding van de wijsgerig-religieuze
446 III, 2,30 | we nog een verder gegeven van de wijsbegeerte overwegen. ~
447 III, 2,30(27) | Verklaring over de Betrekkingen van de Kerk met de niet-christelijke
448 III, 2,31 | zijn werk deel uit te maken van de samenleving. Vanaf zijn
449 III, 2,31 | door de bijzondere inzet van het kritische denken in
450 III, 2,31 | dezelfde waarheden op grond van de daarmee opgedane ervaringen
451 III, 2,31 | Desondanks zijn in het leven van de mens de simpelweg geloofde
452 III, 2,31 | dag uit, uit alle delen van de wereld binnenkomt en
453 III, 2,31 | waarop zich de schatten van de mensheid aan wijsheid
454 III, 2,31 | dus ook degene die leeft van het geloof. ~
455 III, 2,32 | gezochte waarheden niet primair van empirische of wijsgerige
456 III, 2,32 | naar de eigenlijke waarheid van de persoon: wat hij is en
457 III, 2,32 | persoon: wat hij is en wat hij van zijn innerlijk zichtbaar
458 III, 2,32 | worden. De volmaaktheid van de mens ligt namelijk niet
459 III, 2,32 | in het zich eigen maken van de abstracte kennis van
460 III, 2,32 | van de abstracte kennis van de waarheid, maar ook in
461 III, 2,32 | in een levende betrekking van zelfgave en trouw tegenover
462 III, 2,32 | onmiddellijk naar het getuigenis van de martelaren. De martelaar
463 III, 2,32 | de betrouwbaarste getuige van de waarheid over het bestaan.
464 III, 2,32 | en niemand zal hem ooit van deze zekerheid kunnen beroven.
465 III, 2,32 | fascineert ons tot de dag van vandaag het getuigenis van
466 III, 2,32 | van vandaag het getuigenis van de martelaren, het wekt
467 III, 2,33 | Zo zien we dat de delen van dit probleem verder in elkaar
468 III, 2,33 | een geheel. De mens zoekt van nature naar de waarheid.
469 III, 2,33 | alleen voor de toe-eigening van partiële, empirische of
470 III, 2,33 | zoekt niet alleen voor elk van zijn beslissingen het ware
471 III, 2,33 | staat moet zijn, de zin van het leven te verklaren;
472 III, 2,33 | de zekerheid en echtheid van de waarheid kunnen garanderen.
473 III, 2,33 | vriendschap. Een klimaat van verdenking en wantrouwen,
474 III, 2,33 | veronachtzaamt de leer van de antieke wijsgeren, die
475 III, 2,33 | die de vriendschap als een van de voor het juiste filosoferen
476 III, 2,33 | mogelijkheid te bieden, het doel van dit zoeken verwerkelijkt
477 III, 2,33 | bij de mens het stadium van het gewone geloven te overwinnen,
478 III, 2,33 | laat delen in het geheim van Christus, waarin hem de
479 III, 2,33 | ware en adequate kennis van de drie-ene God geschonken
480 III, 2,33(28) | iedere mens in het diepst van zijn hart, zoals het dichterlijke
481 III, 2,33(28) | zoals het dichterlijke genie van alle tijden en volkeren
482 III, 2,33(28) | bewijst, dat als een profetie van de mensheid steeds weer
483 III, 2,33(28) | maakt. Ze zijn uitdrukking van de urgentie, een oorzaak
484 III, 2,33(28) | de urgentie, een oorzaak van het bestaan te vinden, voor
485 III, 2,33(28) | bestaan te vinden, voor elk van zijn ogenblikken, voor de
486 III, 2,33(28) | evenzogoed als voor het leven van alledag. In deze vragen
487 III, 2,33(28) | wordt de diepe rationaliteit van het menselijk bestaan bevestigd,
488 III, 2,33(28) | want het verstand en de wil van de mens worden hier geactiveerd
489 III, 2,33(28) | meest verheven uitdrukking van de menselijke natuur: dientengevolge
490 III, 2,33(28) | de meest verheven uiting van de menselijke persoon, omdat
491 III, 2,33(28) | omdat zij het hoogtepunt van zijn natuur als met rede
492 III, 2,33(28) | uit het diepe verlangen van de mens naar de waarheid
493 III, 2,33(28) | waarheid en vormt de grondslag van zijn vrije en persoonlijke
494 III, 2,34 | haar volheid. De eenheid van de waarheid is reeds een
495 III, 2,34 | een fundamenteel postulaat van het menselijk verstand,
496 III, 2,34 | Schepper-God ook de God van de heilsgeschiedenis is.
497 III, 2,34 | begrijpelijkheid en de redelijkheid van de natuurlijke orde der
498 III, 2,34 | met God die zich als Vader van onze Heer Jezus Christus
499 III, 2,34 | openbaart. Deze eenheid van natuurlijke en geopenbaarde
500 III, 2,34(29) | de beide waarheden, die van het geloof en die van de
1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-1784 |