Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | 1. Zowel in het Oosten alsook
2 I, 1,7 | zelf heeft (vgl. 2 Kor 4, 1-2). De kennis die zij de
3 I, 1,7 | bekend te maken (vgl. Eph 1,9): dat de mensen door Christus,
4 I, 1,9 | genade en waarheid’ (vgl. Joh 1,14) erkent, die God in de
5 I, 1,9 | heeft geopenbaard (vgl. 1 Joh 5, 9; Joh 5, 31-32). ~
6 I, 1,10 | onzichtbare God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim 1, 17) uit de
7 I, 1,10 | onzichtbare God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim 1, 17) uit de overvloed
8 I, 1,10 | God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim 1, 17) uit de overvloed van
9 I, 1,11 | vooruitlopen. (vgl. Hebr 1, 2). ~De waarheid, die God
10 I, 1,11 | gesproken door de Zoon’ (Hebr 1, 1-2). Want Hij heeft zijn
11 I, 1,11 | gesproken door de Zoon’ (Hebr 1, 1-2). Want Hij heeft zijn
12 I, 1,11 | zou doen kennen (vgl. Joh 1,1-18). Jezus Christus dus,
13 I, 1,11 | doen kennen (vgl. Joh 1,1-18). Jezus Christus dus,
14 I, 2,14(20) | Prologion, Prooemium en nr. 1, 15: PL 158, 223-224; 226;
15 II, 1,18 | verstand te ordenen (vgl. Spr 1,7) en tegenover zichzelf
16 II, 1,18 | is geen God” (vgl. Ps 14,1), onthult hij volkomen helder
17 II, 1,20 | begin van de kennis” (Spr 1,7; vgl. Sir 1,14). ~
18 II, 1,20 | kennis” (Spr 1,7; vgl. Sir 1,14). ~
19 II, 2,21 | te begrijpen (vgl. Spr 30,1-6). De gelovige is echter
20 II, 2,21 | heeft geschapen. (vgl. Pr 1,13), die de opdracht heeft
21 II, 2,22 | zijn ‘godheid’ (vgl. Rom 1,20). Het menselijk verstand
22 II, 2,22 | gebleken zijn (vgl. Rom 1,21-22). ~De ogen van de
23 II, 2,23 | dwaasheid gemaakt?” (1Kor 1,20), vraagt de apostel nadrukkelijk.
24 II, 2,23 | is te vernietigen” (1Kor 1,27-28). De menselijke wijsheid
25 II, 2,23 | is te vernietigen” (1Kor 1,28). De apostel schroomt
26 III, 1,25(23) | Aristoteles, Metaphysica, I, 1. ~
27 III, 2,33(28) | 19 oktober 1983), nrs. 1-2: Insegnamenti VI, 2 (1983),
28 III, 2,34 | Christus” (vgl. Ef 4,21; Kol 1, 15-20). Hij is het eeuwige
29 III, 2,34 | Vader openbaart (vgl. Joh 1,14.18). 30 Dat wat het menselijk
30 III, 2,34 | waarheid” zich (vgl. Joh 1, 14-16) van dat wezen dat
31 III, 2,34 | voltooiing vindt (vgl. Kol 1,17). ~
32 IV, 1,36 | van iedere mens (vgl. Rom 1,19-21; 2,14-15; Hand 14,
33 IV, 1,36 | was verworden (vgl. Rom 1,21-32), hield de apostel
34 IV, 1,38(32) | Dialoog met Trypho, 8, 1: PG 6, 492. ~
35 IV, 1,38(33) | Stromata I, 18, 90, 1: SC 30, 115. ~
36 IV, 1,38(35) | Vgl. ibid., I, 5, 28, 1: SC 30, 65. ~
37 IV, 1,38(36) | Ibid., VI, 7, 55, 1-2: PG 9, 277. ~
38 IV, 1,38(37) | Ibid., I, 20, 100, 1: SC 30, 124. ~
39 IV, 1,42(42) | Sint Anselmus, Proslogion, 1: PL 158, 226. “Ik ben geschapen
40 IV, 2,43(45) | Vgl. Summa Theologiae, I, 1, 8 ad 2: “cum enim gratia
41 IV, 2,44(48) | Vgl. I, 1, 6: “Praeterea, haec doctrina
42 IV, 2,44(49) | Ibid., II, II , 45, 1 ad 2; vgl. ook II, II, 45,
43 IV, 2,44(50) | Ibid., I-II, 109, 1 ad 1, dat een weerklank
44 IV, 2,44(50) | Ibid., I-II, 109, 1 ad 1, dat een weerklank is van
45 V, 1,52(57) | Inscrutabilis iudiciorum (1 april 1631): Bullarium Romanum
46 V, 1,52(57) | 1631): Bullarium Romanum 6/1, Rome 1758, 268-270. ~
47 V, 1,53(63) | Filius, II: DS 3004; canon 2, 1: DS 3026. ~
48 V, 2,60(84) | 1986): Insegnamenti IX, 1 (1986), 18-24. Ook de Heilige
49 VI, 1,67 | Paulijnse leer (vgl. Rom 1, 19-20) opnieuw naar voren
50 VI, 1,69(93) | Thomas van Aquino, De Caelo, 1, 22. ~
51 VI, 1,70 | grenzen der aarde” (Hand 1, 8), om de door Hem geopenbaarde
52 VII, 1,82(99) | Summa Theologiae, I, 16, 1; H. Bonaventura, Coll. in
53 VII, 1,82(99) | Bonaventura, Coll. in Hex., 3, 8, 1. ~
54 VII, 2,92(109) | Christus ‘deed en leerde’ (Hand.1,1). Want het mysterium Christi
55 VII, 2,92(109) | deed en leerde’ (Hand.1,1). Want het mysterium Christi
56 Slot, 0,102(124)| Dignitatis humanae, nrs. 1-3. ~
|