Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | werkelijkheid en de wereld leert kennen, des te beter leert hij
2 Inl, 0,1 | beter leert hij zichzelf kennen in zijn onvergelijkelijkheid,
3 Inl, 0,2 | echter zal ik door en door kennen”. (1Kor. 13,12). ~
4 Inl, 0,4 | waarheid en het goede te kennen; verder denke men aan enkele
5 Inl, 0,5 | fundamentele waarheden te leren kennen, die de existentie van de
6 Inl, 0,5 | allen die haar nog niet kennen, mee te delen. ~Aansluitend
7 Inl, 0,5 | heeft om de waarheid te kennen, gaf zij er de voorkeur
8 I, 1,7 | liefde wil God zich laten kennen en de kennis die de mens
9 I, 1,9 | bron, omdat we in de ene kennen door het natuurlijke verstand,
10 I, 1,11 | innige van God zou doen kennen (vgl. Joh 1,1-18). Jezus
11 I, 2,13 | wordt. De God die zich laat kennen, is in het gezag van zijn
12 I, 2,14 | ook voor het filosofische kennen een horizon van echte vernieuwing
13 I, 2,15 | Dan zult u de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken” (
14 I, 2,15 | die de openbaring ons laat kennen, is niet de rijpe vrucht
15 II, 1,16 | het oude Israël was het kennen van de wereld en haar verschijnselen
16 II, 1,16 | het verstand zijn weg kan kennen, maar hem dan alleen snel
17 II, 1,16 | God op passende wijze te kennen. ~
18 II, 1,18 | verhelderen. De eerste is dat het kennen van de mens een weg is die
19 II, 1,19 | over God, die zich ook laat kennen door de natuur. In de Oudheid
20 II, 1,19 | Schepper van alles, niet kan kennen, dan ligt dat niet zozeer
21 II, 2,22 | vermogen om de waarheid te kennen werd sindsdien belemmerd
22 III, 1,24 | Welnu, wat u zonder het te kennen vereert, dat kom ik u verkondigen” (
23 III, 1,26 | waarheid over zijn einde kennen. Hij wil weten, of de dood
24 III, 2,33 | te ontmoeten en haar te kennen. Deze levensbelangrijke
25 III, 2,34 | verstand zoekt, “zonder het te kennen” (Hand 17,23), kan alleen
26 III, 2,35 | waarheid tot het wijsgerige kennen precies te bepalen. We bezien
27 IV, 3,47 | is toegerust, het ware te kennen en naar het absolute te
28 V, 1,49 | de filosofie geniet, te kennen aan het feit dat het verstand
29 V, 1,51 | onderscheiding: want als reeds het kennen van de aangeboren en onvervreemdbare
30 V, 1,54 | opvattingen zelfs grondig kennen, zowel omdat ziektes niet
31 VI, 1,65 | systemen ten diepste te kennen, die deze begrippen en termen
32 VI, 1,69 | in de culturen te leren kennen, “niet wat de mensen denken,
33 VII, 1,82 | vermogen om de waarheid te kennen verifieert, om te komen
34 VII, 1,83 | om het zedelijk goede te kennen, dat zijn diepste grond
35 VII, 1,83 | onvolkomen en analoge wijze, te kennen. Zo begrepen mag de metafysica
36 VII, 1,90(106)| Jullie zullen de waarheid kennen, en de waarheid zal jullie
37 VII, 2,92 | universeel geldige waarheid te kennen is geenszins een aanmoediging
38 VII, 2,99 | de waarheid die redt, te kennen (vgl. Hand 4,12; 1Tm 2,4-
39 Slot, 0,102 | vermogen om de waarheid te kennen124 als van hun verlangen
|