Chapter, Paragraph, Number
1 I, 1,11 | eens voor altijd in het mysterie van Jezus van Nazareth verkondigd.
2 I, 1,12 | aangeboden: “Alleen in het mysterie van het mens geworden Woord
3 I, 1,12 | geworden Woord licht het mysterie van de mens op” 12, stelt
4 I, 2 | Het verstand vóór het mysterie~
5 I, 2,13 | in de intimiteit van het mysterie binnen te gaan, op een wijze
6 I, 2,13 | te maken ook binnen het mysterie zelfstandig op verkenning
7 I, 2,13 | maakt, de diepte van het mysterie te bevatten. Christus is
8 I, 2,13 | teken: het verbergt in het mysterie verheven werkelijkheden”. 16
9 I, 2,13 | De geloofskennis heft het mysterie dus niet op: ze maakt het
10 I, 2,14 | kennis voortdurend naar het mysterie van God, dat het verstand
11 I, 2,14 | eindigheid voor het oneindige mysterie van God. ~De openbaring
12 I, 2,15 | het iedereen mogelijk het ‘mysterie’ van het eigen leven aan
13 II, 1,17 | zich de volheid van het mysterie, en dat maakt zijn eer uit;
14 II, 1,18 | verstand de weg naar het mysterie open te leggen. In Gods
15 II, 2,21 | God. Deze opening voor het mysterie, die tot hem kwam door de
16 IV, 2,43 | verheffen tot de kennis van het mysterie van de drie-ene God. De
17 IV, 2,44 | onderzoekt, waardoor zij aan het mysterie van God zelf raakt. ~Ten
18 IV, 3,46 | zijn inhouden, ja zelfs het mysterie van dood en opstanding van
19 V, 1,51 | leidt tot de kennis van het mysterie. ~
20 V, 2,60 | mijn leven: “Inderdaad, het mysterie van de mens wordt eerst
21 V, 2,60 | eerst echt verhelderd in het mysterie van het mensgeworden Woord.
22 V, 2,60 | door de openbaring van het mysterie van de Vader en zijn liefde
23 V, 2,61 | een diepere kennis van het mysterie van de mens. 85 Het appèl
24 VI, 1,66 | geloof heeft hij aan dit mysterie deel. ~De dogmatische theologie
25 VI, 1,66 | universele betekenis van het mysterie van de drie-ene God en van
26 VI, 1,70 | door de deelname aan zijn mysterie. Deze eenheid is zo diep,
27 VI, 1,71 | voortdurende openheid voor het mysterie en zijn onuitputtelijk verlangen
28 VII, 1,80 | komt in Jezus Christus. Het mysterie van de menswording zal altijd
29 VII, 1,80 | begrijpen. De uitdaging van dit mysterie drijft de wijsbegeerte naar
30 VII, 1,80 | worden begrijpbaar: in het mysterie van het mensgeworden Woord
31 VII, 1,83 | diens denken; maar dit “mysterie” zou niet geopenbaard kunnen
32 VII, 2,92(109)| werkelijkheid van het geopenbaarde mysterie. Het ‘leiden in de volle
33 VII, 2,93 | daarom de beschouwing van het mysterie van de drie-ene God zijn.
34 VII, 2,93 | wanneer men nadenkt over het mysterie van de incarnatie van Gods
35 VII, 2,93 | van lijden en dood, een mysterie dat zal uitmonden in zijn
36 VII, 2,99 | begripswaarheden is, maar het mysterie van de levende God. 120 ~
37 Slot, 0,106 | vragen die de toegang tot het mysterie mogelijk maken.” 131 ~
|