1-500 | 501-1000 | 1001-1018
Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | toenemende mate tot de ontmoeting en het gesprek met de waarheid
2 Inl, 0,1 | de mens de werkelijkheid en de wereld leert kennen,
3 Inl, 0,1 | betekenis van de dingen en van zijn eigen bestaan opkomt.
4 Inl, 0,1 | ik? Waar kom ik vandaan en waar ga ik heen? Waarom
5 Inl, 0,1 | duiken ook op in de Veda’s en ook in de Avesta; we vinden
6 Inl, 0,1 | geschriften van Confucius en Lao-Tse alsook in de verkondiging
7 Inl, 0,1 | verkondiging van Tirthankara en bij Boeddha. Ze verschijnen
8 Inl, 0,1 | de gedichten van Homerus en in de tragedies van Euripides
9 Inl, 0,1 | tragedies van Euripides en Sophocles, alsook in de
10 Inl, 0,1 | wijsgerige traktaten van Plato en Aristoteles. Het zijn vragen
11 Inl, 0,2 | vreemdeling op deze zoektocht en kan dat ook helemaal niet
12 Inl, 0,2 | Christus “de Weg, de Waarheid en het Leven” is (Joh 14,6).
13 Inl, 0,2(1) | profetische taak van Christus en krachtens diezelfde taak
14 Inl, 0,2(1) | dat wij haar liefhebben en zo nauwkeurig mogelijk trachten
15 Inl, 0,2(1) | begrijpen, om haar voor onszelf en de anderen beter toegankelijk
16 Inl, 0,2(1) | schittering, in haar diepte en eenvoud tegelijk”; n.19:
17 Inl, 0,2 | kijken wij in een spiegel en zien slechts raadselachtige
18 Inl, 0,2 | dan echter zal ik door en door kennen”. (1Kor. 13,
19 Inl, 0,3 | de waarheid te bevorderen en zo zijn bestaan steeds menselijker
20 Inl, 0,3 | van het leven te stellen en het antwoord daarop te ontwerpen;
21 Inl, 0,3 | wijsheid”. Het ontstaan en de ontwikkeling van de wijsbegeerte
22 Inl, 0,3 | te stellen over oorzaak en doel van de dingen. Ze laat
23 Inl, 0,3 | op verschillende wijzen en in diverse vormen zien dat
24 Inl, 0,3 | invloed had op de vorming en ontwikkeling van de culturen
25 Inl, 0,3 | wijsgerige vormen uit te drukken en tot rijpheid te komen. Hoezeer
26 Inl, 0,3 | verschillende nationale en internationale wetgevingen
27 Inl, 0,4 | zichzelf beter te begrijpen en vooruit te komen in zijn
28 Inl, 0,4 | hij deel is van de wereld en in betrekking met anderen
29 Inl, 0,4 | staat, die op hem lijken en wier lot hij deelt. Hier
30 Inl, 0,4 | monotonie van de herhaling en zeer spoedig zou hij niet
31 Inl, 0,4 | een vorm van streng denken en aldus, door de logische
32 Inl, 0,4 | consequentie van de uitspraken en de organische eenheid van
33 Inl, 0,4 | culturele omstandigheden en in verschillende perioden
34 Inl, 0,4 | denken waaruit het voortkomt en dat het loyaal moet dienen. ~
35 Inl, 0,4 | veranderingen van de tijd en de vooruitgang van de kennis
36 Inl, 0,4 | van de oorzakelijkheid en ook aan de opvatting van
37 Inl, 0,4 | van de persoon als vrij en verstandelijk begaafd subject
38 Inl, 0,4 | verstandelijk begaafd subject en aan zijn vermogen om God,
39 Inl, 0,4 | vermogen om God, de waarheid en het goede te kennen; verder
40 Inl, 0,4 | algemeen gedeeld worden. Deze en andere thema’s geven aan
41 Inl, 0,4 | rede in staat is, de eerste en algemene beginselen van
42 Inl, 0,4 | beginselen van het zijn te vatten en te formuleren en daarop
43 Inl, 0,4 | vatten en te formuleren en daarop op juiste wijze consequente,
44 Inl, 0,4 | wijze consequente, logische en ethische, conclusies te
45 Inl, 0,5 | het geloof te verdiepen en om de waarheid van het evangelie
46 Inl, 0,5 | streven naar steeds meer en steeds diepere kennis verder
47 Inl, 0,5 | ontplooiing van cultuur en geschiedenis bevorderden.
48 Inl, 0,5 | afhankelijk van eigen goeddunken en zijn status als persoon
49 Inl, 0,5 | over zichzelf heeft gebogen en steeds minder in staat was,
50 Inl, 0,5 | naar het zijn verwaarloosd en haar zoeken geconcentreerd
51 Inl, 0,5 | voorkeur aan de grenzen en condities daarvan te accentueren. ~
52 Inl, 0,5 | vormen van agnosticisme en relativisme ontstaan, die
53 Inl, 0,5 | als een golf naar boven en naar beneden beweegt. Terwijl
54 Inl, 0,5 | de menselijke existentie en haar uitdrukkingsvormen
55 Inl, 0,5 | als persoon, van het zijn en van God. Dientengevolge
56 Inl, 0,5 | zijn bij moderne mensen, en dat niet alleen bij enkele
57 Inl, 0,5 | radicale vragen over de zin en de grondoorzaak van het
58 Inl, 0,5 | menselijke, persoonlijke en maatschappelijke leven te
59 Inl, 0,6 | verkondigen, als tot de theologen en filosofen, wier taak het
60 Inl, 0,6 | inslaan om haar te bereiken en om in haar rust te vinden
61 Inl, 0,6 | vinden in zijn inspanningen, en geestelijke vreugde. ~De
62 Inl, 0,6 | getuigen van de goddelijke en katholieke waarheid” zijn3.
63 Inl, 0,6 | geven in zijn kenvermogens en aan de wijsbegeerte een
64 Inl, 0,6 | volle waardigheid herkrijgen en ontplooien kan. Nog een
65 Inl, 0,6 | gedachten verder ontwikkelen en daarbij de aandacht juist
66 Inl, 0,6 | juist op het thema waarheid en op haar grondslag in relatie
67 Inl, 0,6 | onze tijd met zijn snelle en ingrijpende veranderingen
68 Inl, 0,6 | wie de toekomst toebehoort en van wie zij afhangt, blootstelt
69 Inl, 0,6 | bestaan van ieder afzonderlijk en van de samenleving kan worden
70 Inl, 0,6 | waarheid hebben afgewend en aan onmiddellijk succes
71 Inl, 0,6 | te geven aan het denken en aan de cultuur door steeds
72 Inl, 0,6 | die zij heeft ontvangen, en zich met nieuwe moed inzet
73 I, 1,7 | God heeft in zijn goedheid en wijsheid besloten, Zichzelf
74 I, 1,7 | besloten, Zichzelf te openbaren en het geheim van zijn wil
75 I, 1,7 | toegang hebben tot de Vader en deelachtig worden aan de
76 I, 1,7 | de mensheid te bereiken en te redden. Als bron van
77 I, 1,7 | wil God zich laten kennen en de kennis die de mens van
78 I, 1,8 | Concilie gepresenteerde leer en met inachtneming van de
79 I, 1,8 | licht van de bijbelse leer en van de hele traditie van
80 I, 1,9 | is door wijsgerig denken en de waarheid van de Openbaring
81 I, 1,9 | die in God verborgen zijn en die, als ze niet door God
82 I, 1,9 | stoelt op Gods getuigenis en dat de bovennatuurlijke
83 I, 1,9 | waarneming, op de ervaring, en beweegt zich alleen in het
84 I, 1,9 | de rede. De wijsbegeerte en de wetenschappen dwalen
85 I, 1,9 | geloof, door God verlicht en geleid, in de heilsboodschap
86 I, 1,9 | de ‘volheid van de genade en waarheid’ (vgl. Joh 1,14)
87 I, 1,10 | openbarende Jezus gericht en daarbij het heilskarakter
88 I, 1,10 | Ex 33,11; Joh 15, 14-15) en gaat met hen om (vgl. Bar
89 I, 1,10 | tot de gemeenschap met Hem en hen daarin op te nemen.
90 I, 1,10 | openbaring geschiedt door daden en woorden, die innerlijk met
91 I, 1,10 | heilsgeschiedenis verricht, de leer en de werkelijkheden, die door
92 I, 1,10 | woorden worden betekend, tonen en bevestigen, en de woorden
93 I, 1,10 | betekend, tonen en bevestigen, en de woorden de werken verkondigen
94 I, 1,10 | woorden de werken verkondigen en het geheim dat daarin vervat
95 I, 1,10 | die tegelijk de middelaar en de volheid van de gehele
96 I, 1,11 | openbaring ingebed in tijd en geschiedenis. Ja, de menswording
97 I, 1,11 | hele werk van de schepping en de verlossing aan het licht;
98 I, 1,11 | voleinding van de tijd beleven en daarop vooruitlopen. (vgl.
99 I, 1,11 | aan de mens over Zichzelf en over zijn leven heeft gegeven,
100 I, 1,11 | is daarom ingebed in tijd en geschiedenis. En ze is eens
101 I, 1,11 | in tijd en geschiedenis. En ze is eens voor altijd in
102 I, 1,11 | welsprekend: “Na echter vele malen en op velerlei wijze gesproken
103 I, 1,11 | onder de mensen zou wonen en hun het meest innige van
104 I, 1,11 | eigen woorden’ (Joh 3, 34), en volbrengt het heilswerk
105 I, 1,11 | brengt haar tot voltooiing en bekrachtigt haar met goddelijk
106 I, 1,11 | geheel zijn tegenwoordigheid en verschijning”. 10 ~De geschiedenis
107 I, 1,12 | ons het vertrouwdste is en gemakkelijk verifieerbaar,
108 I, 1,12 | God laat ons de eeuwige en definitieve synthese voltrokken
109 I, 1,12 | nauw begrensd territoriaal en cultureel gebied, maar opent
110 I, 1,12 | opent zich voor iedere man en iedere vrouw, die haar als
111 I, 1,12 | de Vader; door zijn dood en zijn verrijzenis heeft Hij
112 I, 1,12 | waarheid over zijn leven en over het lot der geschiedenis
113 I, 1,12 | van het lijden, de dood en de opstanding van Christus,
114 I, 1,12 | lijden van onschuldigen en de dood? ~
115 I, 2,13 | door het fragmentarische en beperkte van ons begrijpen.
116 I, 2,13 | godheid, transcendentie en hoogste vrijheid erkend
117 I, 2,13 | wil zeggen dat hij geheel en al de waarheid erkent van
118 I, 2,13 | Deze aan de mens geschonken en door hem niet opeisbare
119 I, 2,13 | voor haar open te stellen en haar diepere betekenis aan
120 I, 2,13 | persoon is betrokken. Rede en wil zetten tot het uiterste
121 I, 2,13 | van de waarheid bereikt en besluit in haar te leven. ~
122 I, 2,13 | naar de waarheid te zoeken en het de rede mogelijk te
123 I, 2,13 | waarnaar de rede wordt verwezen en waarvan zij niet kan afzien
124 I, 2,13 | karakter van de openbaring en in het bijzonder op het
125 I, 2,13 | tussen de werkelijkheid en haar betekenis het mogelijk
126 I, 2,13 | eucharistie waarlijk aanwezig en levend, Hij werkt en handelt
127 I, 2,13 | aanwezig en levend, Hij werkt en handelt door zijn Geest,
128 I, 2,13(15) | de inzet van het verstand en de wil vraagt: “Aangezien
129 I, 2,13(15) | van God als zijn Schepper en Heer, en de geschapen rede
130 I, 2,13(15) | als zijn Schepper en Heer, en de geschapen rede geheel
131 I, 2,13(15) | gehoorzaamheid van het verstand en van de wil te betonen.” (
132 I, 2,13 | van de algemene opinies. En zo blijft de eucharistie
133 I, 2,13(16) | het Allerheiligste Lichaam en Bloed van Christus. ~
134 I, 2,13 | het alleen inzichtelijker en openbaart het als een voor
135 I, 2,13 | het geheim van de Vader en van zijn liefde, de mens
136 I, 2,13 | zelf ten volle aan de mens en ontsluit voor hem zijn hoogste
137 I, 2,14 | alleen in geloof ontvangen en aannemen. Tussen deze beide
138 I, 2,14 | mogelijk maakt te onderzoeken en te begrijpen, zonder door
139 I, 2,14 | geschiedenis een universele en laatste waarheid, die het
140 I, 2,14 | een van de spiritueelste en belangrijkste scheppende
141 I, 2,14 | te kunnen vinden, verloor en het zoeken naar iets dat
142 I, 2,14 | niet zouden bezighouden en mij zouden afhouden van
143 I, 2,14 | begonnen te ondernemen, en wat is mij gelukt? Waarheen
144 I, 2,14 | Waarheen ging mijn neiging en waar ben ik terechtgekomen?
145 I, 2,14 | terechtgekomen? Waar streefde ik naar en wat verlang ik nog steeds? (...)
146 I, 2,14(20) | Prologion, Prooemium en nr. 1, 15: PL 158, 223-224;
147 I, 2,15 | autonomie van het schepsel en zijn vrijheid, verplicht
148 I, 2,15 | verhouding van vrijheid en waarheid haar hoogtepunt
149 I, 2,15 | waarheid haar hoogtepunt en begrijpt men volledig het
150 I, 2,15 | zult u de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken” (
151 I, 2,15 | immanentistische denkwijze en de beperkingen van een technocratische
152 I, 2,15 | is de blik boven zichzelf en zijn eigen plannen uit te
153 I, 2,15 | zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw
154 I, 2,15 | Ze zijn niet in de hemel en u hoeft niet te zeggen: ‘
155 I, 2,15 | om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat
156 I, 2,15 | volbrengen?’ Ze zijn niet overzee en u hoeft niet te zeggen: ‘
157 I, 2,15 | om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat
158 I, 2,15 | is dichtbij u, in uw mond en in uw hart. U kunt het dus
159 I, 2,15 | heilige Augustinus, wijsgeer en theoloog, aan met de beroemde
160 I, 2,15 | onverschuldigds, wekt het denken op en verlangt om als uitdrukking
161 I, 2,15 | voorsmaak van die uiteindelijke en definitieve aanschouwing
162 I, 2,15 | met verschillende middelen en inhouden, deze ‘weg ten
163 I, 2,15 | zegt, uitkomt in de volle en eeuwigdurende vreugde van
164 II, 1 | De Wijsheid Weet En Verstaat Alles (Vgl. Wijsh
165 II, 1,16 | samenhang is tussen geloofs- en verstandskennis, wordt reeds
166 II, 1,16 | reeds verdwenen beschavingen en culturen. Als volgens een
167 II, 1,16 | bijzonder plan laten Egypte en Mesopotamië weer hun stem
168 II, 1,16 | Mesopotamië weer hun stem horen, en veel gemeenschappelijke
169 II, 1,16 | degene die de waarheid bemint en die naar haar zoekt: “Gelukkig
170 II, 1,16 | zich op de wijsheid toelegt en die eropuit is om inzicht
171 II, 1,16 | wijsheid in zijn hart overdenkt en haar geheimen probeert te
172 II, 1,16 | ontdekken; die op weg gaat en haar als een speurder nazit
173 II, 1,16 | haar als een speurder nazit en op de loer ligt waar zij
174 II, 1,16 | die door haar ramen gluurt en aan haar deuren staat te
175 II, 1,16 | dichtbij haar woning kampeert en zijn tentpin in haar muren
176 II, 1,16 | tent vlak naast haar opzet en zijn intrek neemt op een
177 II, 1,16 | kinderen onder haar beschutting en hij woont onder haar takken.
178 II, 1,16 | hij tegen de hitte beschut en onder haar pracht vindt
179 II, 1,16 | is aan allen, gelovigen en niet-gelovigen, de mogelijkheid
180 II, 1,16 | het kennen van de wereld en haar verschijnselen zeker
181 II, 1,16 | moderne wereld die meer en meer ertoe neigt om verschillende
182 II, 1,16 | dat er tussen verstands- en geloofskennis een diepe,
183 II, 1,16 | eenheid bestaat. De wereld en wat er daarin gebeurt, net
184 II, 1,16 | net als de geschiedenis en de wisselende wederwaardigheden
185 II, 1,16 | verstand beschouwd, ontleed en beoordeeld worden, zonder
186 II, 1,16 | gebeurtenissen zichtbaar wordt en handelt. De wereld en de
187 II, 1,16 | wordt en handelt. De wereld en de historische gebeurtenissen
188 II, 1,16 | maar hem dan alleen snel en zonder hindernissen ten
189 II, 1,16 | van het geloof. Verstand en geloof laten zich daarom
190 II, 1,16 | wordt, zichzelf, de wereld en God op passende wijze te
191 II, 1,17 | concurrentiestrijd tussen verstand en geloof.: het een bevat het
192 II, 1,17 | het een bevat het ander, en beide hebben hun eigen ruimte
193 II, 1,17 | zoeken” (Spr 16,9). God en de mens zijn in hun respectieve
194 II, 1,17 | volheid van het mysterie, en dat maakt zijn eer uit;
195 II, 1,17 | zoeken naar de waarheid, en daarin bestaat zijn adel.
196 II, 1,17 | naar kennis is zo groot en is verbonden met een dergelijke
197 II, 1,18 | soevereine transcendentie en tegelijkertijd zijn zorgende
198 II, 1,18 | het gevaar van mislukking en komt hij tenslotte in de
199 II, 1,18 | te ordenen (vgl. Spr 1,7) en tegenover zichzelf en zijn
200 II, 1,18 | 7) en tegenover zichzelf en zijn omgeving een juiste
201 II, 1,18 | ontoereikend zijn weten is en hoe ver hij af staat van
202 II, 1,18 | de dingen, hun oorsprong en hun bestemming. ~
203 II, 1,19 | de opbouw van de wereld en het werken der elementen, (...)
204 II, 1,19 | de kringloop van de jaren en de positie van de sterren,
205 II, 1,19 | de natuur van de dieren en de wildheid van roofdieren”
206 II, 1,19 | Want uit de grootheid en schoonheid van de schepselen
207 II, 1,19 | gelegd is door zijn vrije wil en zijn zonden. ~
208 II, 1,20 | kennisobject consequent te bereiken en het in die hoogste orde
209 II, 1,20 | de diepe zin van alles, en in het bijzonder de zin
210 II, 2,21 | waarneming van de mens, de wereld en de geschiedenis, maar veronderstelt
211 II, 2,21 | voortdurende relatie met het geloof en met de inhoud van de openbaring.
212 II, 2,21 | volk zich geplaatst zag en waarop het heeft geantwoord.
213 II, 2,21 | op God blijft hij steeds en overal gericht op het schone,
214 II, 2,21 | gericht op het schone, goede en ware. ~
215 II, 2,22 | in de taal van het volk en brengt daarmee een diepe
216 II, 2,22 | intuïtie van zijn ‘macht’ en zijn ‘godheid’ (vgl. Rom
217 II, 2,22 | waardoor de mens volledig en absoluut onafhankelijk wilde
218 II, 2,22 | boom van de kennis van goed en kwaad” stond (Gen 2,17).
219 II, 2,22 | zichzelf te onderscheiden en te beslissen wat goed en
220 II, 2,22 | en te beslissen wat goed en wat kwaad was, maar moest
221 II, 2,22 | gedachte dat ze soeverein en onafhankelijk waren en dat
222 II, 2,22 | soeverein en onafhankelijk waren en dat ze zonder de van God
223 II, 2,22 | oer-ongehoorzaamheid trokken ze iedere man en vrouw mee en brachten het
224 II, 2,22 | iedere man en vrouw mee en brachten het verstand wonden
225 II, 2,22 | afwijzing van Hem die bron en oorsprong van de waarheid
226 II, 2,22 | mens ‘ijdel’ geworden zijn en hoe hun overwegingen misvormd
227 II, 2,22 | hun overwegingen misvormd en verkeerd georiënteerd gebleken
228 II, 2,22 | uit zijn zwakheid verloste en bevrijdde van de boeien
229 II, 2,23 | wijsheid van deze wereld” en de in Jezus Christus geopenbaarde
230 II, 2,23 | te schande te maken (...) En het nederige in de wereld
231 II, 2,23 | het nederige in de wereld en het verachte heeft God uitgekozen:
232 II, 2,23 | hoe de dood bron van leven en liefde zou kunnen zijn,
233 II, 2,23 | beschouwt als ‘dwaasheid’ en ‘ergernis’. Met behulp van
234 II, 2,23 | hoogtepunt van zijn leer en van de paradox, die hij
235 II, 2,23 | criterium van de waarheid en daarmee van het heil. ~De
236 II, 2,23 | die men haar wil stellen, en verplicht tot het zich openstellen
237 II, 2,23 | uitdaging voor ons verstand, en wat een voordeel haalt het
238 II, 2,23 | De verhouding van geloof en wijsbegeerte stoot in de
239 II, 2,23 | verkondiging van de gekruisigde en opgestane Christus op de
240 II, 2,23 | de grens tussen verstand en geloof, maar ook wordt er
241 III, 1,24 | altaar trok zijn aandacht, en hij nam het tegelijk als
242 III, 1,24 | verkondiging van het Kerygma. En zo sprak hij: “Atheners,
243 III, 1,24 | godsdienstig bent. Toen ik rondliep en uw heiligdommen bezichtigde,
244 III, 1,24 | degene die alles overstijgt en alles tot leven brengt.
245 III, 1,24 | bepaalde tijden vastgesteld en hun woongebieden afgegrensd,
246 III, 1,24 | dat ze God zouden zoeken en Hem wellicht tastenderwijs
247 III, 1,24 | gekoesterd: het streven en het zoeken naar God is diep
248 III, 1,24 | beeldhouwkunst, architectuur en ieder ander blijk van zijn
249 III, 1,24 | dit streven eigen gemaakt, en met haar middelen en overeenkomstig
250 III, 1,24 | gemaakt, en met haar middelen en overeenkomstig haar wetenschappelijke
251 III, 1,25 | onderscheiden tussen echt en vals, door zijn oordeel
252 III, 1,25 | resultaten hebben opgeleverd en die daarmee een echte vooruitgang
253 III, 1,25 | overeenkomstig zijn vrije en juist gestemde wil, de weg
254 III, 1,25 | van de gelukzaligheid in en streeft hij naar volmaaktheid.
255 III, 1,25 | om de waarheid te zoeken en de eenmaal erkende waarheid
256 III, 1,25 | dus nodig dat de aanvaarde en in het eigen leven gevolgde
257 III, 1,25 | eenieder zichzelf kan worden en kan groeien als een volwassen,
258 III, 1,26 | dagelijkse ervaring van eigen en andermans leed, het zien
259 III, 1,26 | onontkoombaar. Ieder wil - en moet - de waarheid over
260 III, 1,26 | van de dood van Socrates, en is het meer dan tweeduizend
261 III, 1,26 | naar de zin van het leven en de onsterfelijkheid, hebben
262 III, 1,27 | komen tot een universele en absolute waarheid of niet.
263 III, 1,27 | waar is, moet voor allen en voor altijd waar zijn. Buiten
264 III, 1,27 | dat aan heel zijn zoeken en speuren antwoord en zin
265 III, 1,27 | zoeken en speuren antwoord en zin kan geven: iets ultiems,
266 III, 1,27 | n waarheid te ontdekken en uit te drukken, door denksystemen
267 III, 1,27 | drukken, door denksystemen en -scholen in het leven te
268 III, 1,27 | zekerheid van de waarheid en haar absolute waarde. ~
269 III, 2,28 | niet altijd zo doorzichtig en consequent. De aangeboren
270 III, 2,28 | beperktheid van het verstand en de onbestendigheid van het
271 III, 2,28 | de persoonlijke zoektocht en brengen haar van de weg
272 III, 2,28 | bedreigd worden door angst en vrees. Men kan dus de mens
273 III, 2,29 | natuur volledig nutteloos en vergeefs zou kunnen zijn.
274 III, 2,29 | naar de waarheid te zoeken en vragen te stellen houdt
275 III, 2,29 | zoeken naar de logische en verifieerbare verklaring
276 III, 2,29 | een antwoord te vinden, en geeft niet op bij mislukkingen.
277 III, 2,29 | existentiële vragen in zich draagt en tegelijk in zijn hart minstens
278 III, 2,30 | van het dagelijks leven en van het wetenschappelijk
279 III, 2,30 | zijn in de wijsbegeerte, en die de verschillende godsdiensten
280 III, 2,30 | manier een alomvattende visie en een antwoord op de vraag
281 III, 2,30 | hij zijn persoonlijk lot en regelt zijn gedrag. Hier
282 III, 2,31 | leven. Hij wordt geboren en groeit op in een gezin,
283 III, 2,31 | hij niet alleen de taal en de culturele vorming ontvangt,
284 III, 2,31 | gelooft. Persoonlijke groei en rijping maken echter, dat
285 III, 2,31 | getrokken kunnen worden, en getest. Dat belet niet,
286 III, 2,31 | van de wereld binnenkomt en die toch als fundamenteel
287 III, 2,31 | tenslotte de ervarings- en denkwegen opnieuw kunnen
288 III, 2,31 | de mensheid aan wijsheid en religiositeit hebben verzameld?
289 III, 2,32 | tussen personen inhoudt en niet slechts de persoonlijke
290 III, 2,32 | doordat men een vastere en innige verbinding met hen
291 III, 2,32 | van de persoon: wat hij is en wat hij van zijn innerlijk
292 III, 2,32 | betrekking van zelfgave en trouw tegenover de ander.
293 III, 2,32 | mens volledige zekerheid en veiligheid. tegelijkertijd
294 III, 2,32 | leven heeft gevonden; niets en niemand zal hem ooit van
295 III, 2,32 | instemming op, vindt gehoor en navolging. Dat is de reden
296 III, 2,32 | als waar heeft beluisterd en sinds lang heeft gezocht.
297 III, 2,32 | zegt wat wij reeds ervaren, en openbaar maakt, wat ook
298 III, 2,33 | dergelijke waarheid te ontmoeten en haar te kennen. Deze levensbelangrijke
299 III, 2,33 | Deze levensbelangrijke en voor zijn bestaan essentiële
300 III, 2,33 | personen, die de zekerheid en echtheid van de waarheid
301 III, 2,33 | garanderen. Het vermogen en de beslissing om zichzelf
302 III, 2,33 | de beslissing om zichzelf en zijn leven aan een andere
303 III, 2,33 | antropologisch belangrijkste en meest expressieve akten. ~
304 III, 2,33 | door vertrouwvol gesprek en oprechte vriendschap. Een
305 III, 2,33 | Een klimaat van verdenking en wantrouwen, dat soms om
306 III, 2,33 | zoektocht naar de waarheid en de zoektocht naar een persoon
307 III, 2,33 | Christus, waarin hem de ware en adequate kennis van de drie-ene
308 III, 2,33 | zij ervaart als streven en verlangen, tot vervulling
309 III, 2,33(28) | dat ik al lang behandel en waarover ik bij verschillende
310 III, 2,33(28) | gesproken heb. “‘Wat is de mens en waartoe dient hij? Wat is
311 III, 2,33(28) | hij? Wat is goed aan hem en wat slecht?’ (Sir.18,8)...
312 III, 2,33(28) | dichterlijke genie van alle tijden en volkeren bewijst, dat als
313 III, 2,33(28) | ogenblikken, voor de belangrijke en beslissende perioden evenzogoed
314 III, 2,33(28) | bevestigd, want het verstand en de wil van de mens worden
315 III, 2,33(28) | menselijke rede haar top en opent zij zich voor het
316 III, 2,33(28) | de mens naar de waarheid en vormt de grondslag van zijn
317 III, 2,33(28) | grondslag van zijn vrije en persoonlijke zoeken naar
318 III, 2,34 | heilsgeschiedenis is. Een en dezelfde God, die de begrijpelijkheid
319 III, 2,34 | die de begrijpelijkheid en de redelijkheid van de natuurlijke
320 III, 2,34 | vertrouwvol steunen29 fundeert en garandeert, is identiek
321 III, 2,34 | eenheid van natuurlijke en geopenbaarde waarheid vindt
322 III, 2,34 | waarheid vindt haar levende en personele vereenzelviging
323 III, 2,34 | waarin alles geschapen is, en tegelijk is hij het vleesgeworden
324 III, 2,34(29) | waarheden, die van het geloof en die van de wetenschap, elkaar
325 III, 2,34(29) | aangezien de Heilige Schrift en de natuur gelijkelijk voortkomen
326 III, 2,34(29) | werkelijkheid van de wereld en van het geloof hebben hun
327 III, 2,34(29) | zijn intuïties anticipeert en bijstaat, doordat Hij in
328 III, 2,34 | van dat wezen dat in Hem en door Hem geschapen is en
329 III, 2,34 | en door Hem geschapen is en dat daarom in Hem zijn voltooiing
330 III, 2,35 | tussen geopenbaarde waarheid en wijsbegeerte. Deze verhouding
331 III, 2,35 | betrekkingen tussen geloof en wijsbegeerte in de loop
332 IV | De Verhouding Van Geloof En Rede~
333 IV, 1 | De Ontmoeting Van Geloof En Rede~
334 IV, 1,36 | met enkele epicureïsche en stoïcijnse wijsgeren” discussieerde (
335 IV, 1,36 | een verwijzing naar “Mozes en de profeten”; ze moesten
336 IV, 1,36 | de natuurlijke Godskennis en op de stem van het morele
337 IV, 1,36 | begin af tegen de mythen en mysterieculten noties hadden
338 IV, 1,36 | zij zover, dat ze dingen en natuurverschijnselen vergoddelijkte.
339 IV, 1,36 | de oorsprong van de goden en, in hen, van het heelal
340 IV, 1,36 | samenhang tussen verstand en religie zichtbaar te maken.
341 IV, 1,36 | werden als zodanig herkend en de religie werd door de
342 IV, 1,36 | met de antieke wijsgeren en baanden zo de weg voor de
343 IV, 1,36 | weg voor de verkondiging en het begrip van de God van
344 IV, 1,37 | Als praktische wijsheid en levensschool kon de wijsbegeerte
345 IV, 1,37 | verleidt met zijn wijsbegeerte en valse leer, die enkel steunen
346 IV, 1,37 | menselijke overlevering en die zich beroepen op de
347 IV, 1,37 | bijzonder de H. Irenaeus en Tertullianus, van hun kant
348 IV, 1,38 | bezigheid van de wijsgeren en het bezoek van hun scholen
349 IV, 1,38 | tot innerlijke omkering en tot een vraag om het doopsel.
350 IV, 1,38 | opgave om het geloofsbegrip en zijn motieven te verdiepen,
351 IV, 1,38 | ervan beticht, “onbeschaafde en lompe” 31 mensen te zijn,
352 IV, 1,38 | te zijn, blijkt ongegrond en onwaar te zijn. De verklaring
353 IV, 1,38 | wijsgeren voorkwam als een verre en in zeker opzicht achterhaalde
354 IV, 1,38 | maatschappelijke stand en geslacht, vanaf het begin
355 IV, 1,38 | had, stelde hij duidelijk en beslist, in het christendom “
356 IV, 1,38 | christendom “de enige zekere en nut brengende wijsbegeerte”
357 IV, 1,38 | de ware wijsbegeerte” 33 en interpreteerde hij de wijsbegeerte
358 IV, 1,38 | het christelijk geloof34 en een wegbereiding van het
359 IV, 1,38 | de wijsheid vriendelijk en liefdevol gezind en doen
360 IV, 1,38 | vriendelijk en liefdevol gezind en doen alles om haar deelachtig
361 IV, 1,38 | alle dingen geschapen heeft en alles leert, dat wil zeggen:
362 IV, 1,38 | In zichzelf volmaakt en zonder behoefte aan enige
363 IV, 1,38 | omdat zij goddelijke kracht en wijsheid is. Wanneer nu
364 IV, 1,38 | sofistische aanvallen ontkracht en de listige aanvallen tegen
365 IV, 1,38 | heeft men haar terecht haag en muur van de wijnberg genoemd.” 37 ~
366 IV, 1,39 | Celsus gedane aanvallen en hen te pareren, neemt Origenes
367 IV, 1,39 | het Platoonse denken over en werkt voor de eerste keer
368 IV, 1,39 | uitdrukking het voornaamste deel en het eigenlijke hoogtepunt
369 IV, 1,39 | vergoddelijking van de mens en oorsprong van het kwaad
370 IV, 1,40 | kersteningswerk van het Platoonse en neo-Platoonse denken de
371 IV, 1,40 | Dionysius de Areopagiet en vooral de H. Augustinus.
372 IV, 1,40 | belofte van kennis deden en lachten over de gelovigheid,
373 IV, 1,40 | lachten over de gelovigheid, en later bevalen dat je verzonnen,
374 IV, 1,40 | synthese van het wijsgerige en theologische denken op te
375 IV, 1,40 | stromingen van het Griekse en Latijnse denken samenvloeiden.
376 IV, 1,40 | bijbelse denken uitgangspunt en basis vormde, door diepgravend
377 IV, 1,40 | speculatief denken bevestigd en gedragen. De door de H.
378 IV, 1,40 | hoogste vorm van wijsgerig en theologisch denken blijven,
379 IV, 1,40 | persoonlijke levensgeschiedenis en steunend op een wonderlijke
380 IV, 1,41 | kerkvaders van het Oosten en van het Avondland hebben
381 IV, 1,41 | Tertullianus: “Wat hebben Athene en Jeruzalem gemeen? Wat de
382 IV, 1,41 | gemeen? Wat de Academie en de Kerk?” 40 is een duidelijke
383 IV, 1,41 | de verhouding van geloof en wijsbegeerte; ze zagen het
384 IV, 1,41 | Daarom is het onrechtvaardig en oppervlakkig om hun werk
385 IV, 1,41 | zich nog onuitgesproken en propaedeutisch aankondigde
386 IV, 1,41 | transcendente. Een gelouterd en oprecht verstand kon zich
387 IV, 1,41 | hoogste niveaus van reflectie, en schiep daarmee een solide
388 IV, 1,41 | zijn, het transcendente en het absolute. ~Precies hierin
389 IV, 1,41 | absolute openstaande verstand en plantten daarin de rijkdom
390 IV, 1,41 | vond plaats in het hart en was ontmoeting tussen het
391 IV, 1,41 | ontmoeting tussen het schepsel en zijn Schepper. Het verstand
392 IV, 1,41 | komen tot het hoogste goed en de hoogste waarheid. De
393 IV, 1,42 | iets dat zo onbegrijpelijk en onuitsprekelijk is als dat
394 IV, 1,42 | verklaren hoe zij zichzelf kent en zich noemt - zij, over wie
395 IV, 1,42(42) | geschapen om U te zien; en ik heb nog niet gedaan waarvoor
396 IV, 1,42 | eenheid van wijsgerige kennis en geloofskennis wordt nog
397 IV, 2,43 | dialoog met het Arabische en Joodse denken van zijn tijd
398 IV, 2,43 | harmonie die tussen rede en geloof bestaat, op de voorgrond
399 IV, 2,43 | Het licht van het verstand en het licht van het geloof
400 IV, 2,43 | verstand niet, maar zoekt het en vertrouwt erop. Zoals de
401 IV, 2,43 | de natuur veronderstelt en haar voltooit, 45 zo veronderstelt
402 IV, 2,43 | voltooit, 45 zo veronderstelt en voltooit het geloof het
403 IV, 2,43 | bevrijd van zijn broosheid en van zijn begrenzingen die
404 IV, 2,43 | ongehoorzaamheid der zonde en vindt het de nodige kracht
405 IV, 2,43 | hij kon in de diepte gaan en de zin van deze redelijkheid
406 IV, 2,43 | geval door vrije beslissing en het eigen geweten. 46 ~Om
407 IV, 2,43 | het denken gepresenteerd en voorbeeld van de wijze waarop
408 IV, 2,43 | weg van de wijsbegeerte en van de universele cultuur.
409 IV, 2,43 | nieuwe tegenstelling van rede en geloof vond, was de verzoening
410 IV, 2,43 | seculariteit van de wereld en de radicaliteit van het
411 IV, 2,43 | tegennatuurlijke neiging de wereld en haar waarden te loochenen,
412 IV, 2,43 | zonder echter de hoogste en onbuigzame aanspraken van
413 IV, 2,44 | is van de heilige Geest en die binnenleidt in de kennis
414 IV, 2,44 | enge relatie met het geloof en met de Godskennis te begrijpen.
415 IV, 2,44 | veronderstelt het geloof en formuleert tenslotte haar
416 IV, 2,44 | werkelijkheid te onderzoeken, en de theologische die berust
417 IV, 2,44 | berust op de openbaring en die de geloofsinhouden onderzoekt,
418 IV, 2,44 | waar ze zich kon tonen, en maakte haar universaliteit
419 IV, 2,44 | voor de waarheid erkend en gewaardeerd; zijn denken
420 IV, 2,44 | de universele, objectieve en transcendente waarheid bleef, “
421 IV, 2,44 | filosofie van het ‘zijn’ en niet louter van de ‘schijn’. ~
422 IV, 3 | de scheiding van geloof en rede~
423 IV, 3,45 | andere vormen van onderzoek en wetenschappelijke kennis.
424 IV, 3,45 | kennis. De H. Albertus Magnus en de H. Thomas waren de eersten
425 IV, 3,45 | verbinding tussen de wijsbegeerte en de godgeleerdheid, aan de
426 IV, 3,45 | godgeleerdheid, aan de wijsbegeerte en de wetenschappen de nodige
427 IV, 3,45 | feitelijk bij een gescheiden en tegenover de geloofsinhouden
428 IV, 3,45 | een algemeen, sceptisch en agnostisch wantrouwen, ofwel
429 IV, 3,45 | brengen. Wat het patristische en middeleeuwse denken had
430 IV, 3,45 | middeleeuwse denken had bedacht en verwerkelijkt als diepe
431 IV, 3,45 | van het geloof gescheiden en in zijn plaats tredende
432 IV, 3,46 | radicaliseringen zijn bekend en vooral in de geschiedenis
433 IV, 3,46 | manieren geprobeerd het geloof en zijn inhouden, ja zelfs
434 IV, 3,46 | zelfs het mysterie van dood en opstanding van Jezus Christus
435 IV, 3,46 | presenteerden als schadelijk en vervreemdend voor de ontwikkeling
436 IV, 3,46 | tot totalitaire systemen en daarmee tot een trauma voor
437 IV, 3,46 | wereldbeschouwing maar die ook en vooral elke verwijzing naar
438 IV, 3,46 | verwijzing naar een metafysische en morele visie heeft laten
439 IV, 3,46 | dat niet langer de mens en het geheel van zijn leven
440 IV, 3,46 | quasi-goddelijke macht over de natuur en zelfs over de mens. ~Als
441 IV, 3,46 | gelegenheid voor indrukken en ervaringen, waarin het vluchtige
442 IV, 3,46 | immers alles vergankelijk en voorlopig is. ~
443 IV, 3,47 | veranderd is. Van wijsheid en universele kennis is zij
444 IV, 3,47 | groter gewicht opgekomen en hebben daarbij benadrukt
445 IV, 3,47 | beschouwing van de waarheid en het zoeken naar het uiteindelijke
446 IV, 3,47 | naar het uiteindelijke doel en de zin van het leven gericht,
447 IV, 3,47 | de arbeid van zijn hand en nog meer door die van zijn
448 IV, 3,47 | die van zijn geestesarbeid en van zijn wilsbeschikkingen.
449 IV, 3,47 | voortgebracht; maar al te snel en vaak onvoorzien keren de
450 IV, 3,47 | bestaan in zijn breedste en meest universele dimensie.
451 IV, 3,47 | haarzelf te willen zoeken, en als hun enige doel genomen:
452 IV, 3,47 | toegerust, het ware te kennen en naar het absolute te zoeken. ~
453 IV, 3,48 | scheiding is tussen geloof en wijsgerige rede. Wel is
454 IV, 3,48 | de afstand tussen geloof en rede, soms waardevolle aanzetten
455 IV, 3,48 | met juist gestemde geest en hart verdiept en ontwikkeld
456 IV, 3,48 | gestemde geest en hart verdiept en ontwikkeld worden, kunnen
457 IV, 3,48 | analyses over waarneming en ervaring, over persoonlijkheid
458 IV, 3,48 | ervaring, over persoonlijkheid en intersubjectiviteit, over
459 IV, 3,48 | intersubjectiviteit, over vrijheid en waarden, over tijd en geschiedenis;
460 IV, 3,48 | vrijheid en waarden, over tijd en geschiedenis; ook het thema
461 IV, 3,48 | hedendaagse verhouding van geloof en rede een subtiel onderzoek
462 IV, 3,48 | zonder de ander zijn verarmd en verzwakt. Toen het verstand
463 IV, 3,48 | nadruk gelegd op gevoel en ervaring en loopt daarmee
464 IV, 3,48 | gelegd op gevoel en ervaring en loopt daarmee het risico
465 IV, 3,48 | richten op de nieuwheid en de radicaliteit van het
466 IV, 3,48 | Daarom doe ik deze sterke en indringende oproep en, naar
467 IV, 3,48 | sterke en indringende oproep en, naar ik vertrouw, op het
468 IV, 3,48 | juiste moment, dat het geloof en de wijsbegeerte de diepe
469 V, 1,49 | volgens haar eigen regels en methoden; anders zou er
470 V, 1,49 | waarheid gericht blijft en naar de waarheid streeft
471 V, 1,49 | volgens eigen beginselen en de voor haar specifieke
472 V, 1,49 | georiënteerd is op de waarheid en bovendien in zichzelf is
473 V, 1,49 | grondwet, moet ook de eisen en inzichten van de geopenbaarde
474 V, 1,49 | zien op welke dwaalwegen en in welke dwalingen vooral
475 V, 1,49 | zijn plicht om duidelijk en beslist te reageren, wanneer
476 V, 1,49 | geopenbaarde bedreigen, en wanneer valse en partijdige
477 V, 1,49 | bedreigen, en wanneer valse en partijdige theorieën verspreid
478 V, 1,49 | die doordat ze de eenvoud en zuiverheid van het geloof
479 V, 1,50 | kerkelijk leergezag kan en moet daarom in het licht
480 V, 1,50 | onderscheiding tegenover filosofieën en opvattingen uitoefenen,
481 V, 1,50 | filosofische vooronderstellingen en conclusies onverenigbaar
482 V, 1,50 | de geopenbaarde waarheid en tegelijkertijd de eisen
483 V, 1,50 | aanspraken van het woord van God en het theologisch onderzoek. ~
484 V, 1,50 | God, mens, zijn vrijheid en zijn morele handelen, appelleren
485 V, 1,51 | te wekken, te bevorderen en te bemoedigen. De filosofen
486 V, 1,51 | van eventuele dwalingen en de noodzaak om de al te
487 V, 1,51 | van de geschiedenis dragen en bovendien het werk zijn
488 V, 1,51 | door de zonde aangetast en verzwakt menselijk verstand.
489 V, 1,51 | verklaring van de mens, de wereld en de betrekking van de mens
490 V, 1,51 | systemen, methoden, begrippen en argumenten een kritische
491 V, 1,51 | kennen van de aangeboren en onvervreemdbare mogelijkheden
492 V, 1,51 | verstand met hun inherente en historische grenzen moeilijk
493 V, 1,51 | van het geloof aan geldigs en vruchtbaars bieden, te onderscheiden
494 V, 1,51 | de “schatten van wijsheid en kennis” in Christus verborgen
495 V, 1,51 | 3); daarom grijpt zij in en spoort het wijsgerig onderzoek
496 V, 1,52 | verschillende vormen van afgoderij en bijgelovige esoteriek, die
497 V, 1,52 | afgleden op wegen die verkeerd en negatief waren. Zo werden
498 V, 1,52 | enerzijds het fideïsme59 en het radicale traditionalisme60
499 V, 1,52 | anderzijds het rationalisme61 en het ontologisme62, omdat
500 V, 1,52 | betrekkingen tussen rede en geloof. De in die tekst
1-500 | 501-1000 | 1001-1018 |