Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | bestaan karakteriseren: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan
2 Inl, 0,6 | bisschopsambt te wenden, met wie ik de zending deel “openlijk
3 Inl, 0,6 | de jonge generaties, aan wie de toekomst toebehoort en
4 Inl, 0,6 | toekomst toebehoort en van wie zij afhangt, blootstelt
5 I, 1,11 | 17,4). Hij dus die zegt: wie Mij ziet, ziet de Vader (
6 I, 2,15 | u hoeft niet te zeggen: ‘Wie zal naar de hemel gaan om
7 I, 2,15 | u hoeft niet te zeggen: ‘Wie zal de zee oversteken om
8 III, 2,31 | persoonlijk onderzoek verwerft. Wie zou wel in staat zijn, de
9 III, 2,31 | kritisch te onderzoeken? Wie zou persoonlijk de stroom
10 III, 2,31 | waar wordt aangenomen?: Wie zou tenslotte de ervarings-
11 III, 2,33 | zoektocht naar een persoon aan wie hij zich kan toevertrouwen.
12 IV, 1,40 | Dezelfde Platonici, aan wie hij bij voorkeur refereerde,
13 IV, 1,42 | verlangt zij naar kennis. Wie leeft voor de waarheid,
14 IV, 1,42 | comprehendit incomprensibile esse), wie zal dan kunnen verklaren
15 IV, 1,42 | en zich noemt - zij, over wie de mens niets of bijna niets
16 IV, 2,44(50)| PL 17, 258: “Al het ware, wie het ook zegt, is van de
17 IV, 3,47 | eenvoudigweg worden ontnomen aan wie ze heeft voortgebracht;
18 V, 1,54 | theologen en filosofen, op wie de zware taak rust, de goddelijke
19 V, 2,60 | liefde de mens ten volle zien wie hij is en onthult Hij hem
20 VI, 1,74 | voor de kerkvaders, onder wie tenminste de H. Gregorius
21 VI, 1,74 | denkers hebben verricht, onder wie ik met vreugde vermeldt,
22 VI, 2,79 | Gelovigen zijn ook denkers: wie gelooft, denkt, en wie denkt,
23 VI, 2,79 | wie gelooft, denkt, en wie denkt, gelooft.(...) Als
24 VII, 2,93 | de menselijke geest, voor wie het onhoudbaar schijnt dat
25 Slot, 0,104 | religies en met allen, aan wie de vernieuwing van de mensheid
26 Slot, 0,106 | wetenschappelijk onderzoek, aan wie de mensheid in hoge mate
|