1-500 | 501-749
Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | 1. Zowel in het Oosten alsook in het
2 Inl, 0,1 | Zowel in het Oosten alsook in het Avondland kan men een
3 Inl, 0,1 | men een weg traceren, die in de loop van de eeuwen de
4 Inl, 0,1 | van de eeuwen de mensheid in toenemende mate tot de ontmoeting
5 Inl, 0,1 | leert hij zichzelf kennen in zijn onvergelijkelijkheid,
6 Inl, 0,1 | de oudheid duidelijk dat in verscheidene streken van
7 Inl, 0,1 | Deze vragen bevinden zich in de heilige geschriften van
8 Inl, 0,1 | Israël, maar ze duiken ook op in de Veda’s en ook in de Avesta;
9 Inl, 0,1 | ook op in de Veda’s en ook in de Avesta; we vinden ze
10 Inl, 0,1 | de Avesta; we vinden ze in de geschriften van Confucius
11 Inl, 0,1 | Confucius en Lao-Tse alsook in de verkondiging van Tirthankara
12 Inl, 0,1 | Boeddha. Ze verschijnen ook in de gedichten van Homerus
13 Inl, 0,1 | gedichten van Homerus en in de tragedies van Euripides
14 Inl, 0,1 | Euripides en Sophocles, alsook in de wijsgerige traktaten
15 Inl, 0,1 | gemeenschappelijke oorsprong hebben in de zoektocht naar zin, die
16 Inl, 0,1 | sedert de vroegste tijden in de ziel beroert: van het
17 Inl, 0,2(1) | In mijn eerste encycliek Redemptor
18 Inl, 0,2(1) | Hem de goddelijke waarheid in de Kerk. De verantwoordelijkheid
19 Inl, 0,2(1) | beter toegankelijk te maken in haar volle heilskracht,
20 Inl, 0,2(1) | heilskracht, haar schittering, in haar diepte en eenvoud tegelijk”;
21 Inl, 0,2 | verworven zekerheden; dit echter in het besef dat iedere verworven
22 Inl, 0,2 | volledige waarheid, die in de laatste openbaring van
23 Inl, 0,2 | onthuld: “Thans kijken wij in een spiegel en zien slechts
24 Inl, 0,2(2) | Constitutie over de Kerk in de wereld van vandaag Gaudium
25 Inl, 0,3 | mogelijkheden om de vooruitgang in de kennis van de waarheid
26 Inl, 0,3 | wijsbegeerte valt inderdaad juist in de tijd toen de mens begonnen
27 Inl, 0,3 | verschillende wijzen en in diverse vormen zien dat
28 Inl, 0,3 | te vragen, ook wanneer de in de loop der tijd gegeven
29 Inl, 0,3 | gegeven antwoorden zich voegen in een perspectief dat duidelijk
30 Inl, 0,3 | rijkdom naar streeft, zich ook in puur wijsgerige vormen uit
31 Inl, 0,3 | omstandigheid dat een tot in onze dagen aanwezige grondvorm
32 Inl, 0,3 | kennis zelfs aanwijsbaar is in de postulaten die de verschillende
33 Inl, 0,4 | kennis te verwerven, die hem in staat stelt zichzelf beter
34 Inl, 0,4 | begrijpen en vooruit te komen in zijn zelfverwerkelijking.
35 Inl, 0,4 | deel is van de wereld en in betrekking met anderen staat,
36 Inl, 0,4 | verbazing zou de mens vervallen in de monotonie van de herhaling
37 Inl, 0,4 | Dankzij dit proces werden in verschillende culturele
38 Inl, 0,4 | culturele omstandigheden en in verschillende perioden resultaten
39 Inl, 0,4 | geleid. Daardoor was men in de loop van de geschiedenis
40 Inl, 0,4 | denken. Heel duidelijk treedt in deze gevallen echter een
41 Inl, 0,4 | enige instrumentalisering in zijn volheid wordt erkend,
42 Inl, 0,4 | inzichten te erkennen, die in de geschiedenis van het
43 Inl, 0,4 | deze beginselen, zij het in onduidelijke, niet doordachte
44 Inl, 0,4 | moeten zijn. Wanneer de rede in staat is, de eerste en algemene
45 Inl, 0,5 | erkennen. Want zij ziet in de wijsbegeerte de weg om
46 Inl, 0,5 | de waarneming, dat vooral in onze tijd het zoeken naar
47 Inl, 0,5 | geschiedenis, de taal..., in zekere zin het totaal van
48 Inl, 0,5 | berustende criteria beoordeeld, in de valse overtuiging dat
49 Inl, 0,5 | Zo kwam het dat de rede, in plaats van de menselijke
50 Inl, 0,5 | gebogen en steeds minder in staat was, de blik omhoog
51 Inl, 0,5 | op de kennis van de mens. In plaats van gebruik te maken
52 Inl, 0,5 | wijsgerige zoeken terechtkwam in het drijfzand van een algemeen
53 Inl, 0,5 | een algemeen scepticisme. In de jongste tijd hebben verschillende
54 Inl, 0,5 | pluraliteit van stellingnames in het denken heeft plaatsgemaakt
55 Inl, 0,5 | huidige gebrek aan vertrouwen in de waarheid. Ook sommige
56 Inl, 0,5 | opvatting dat de waarheid in verschillende, ja zelfs
57 Inl, 0,5 | wijsgerig denken er enerzijds in geslaagd is om op de weg
58 Inl, 0,6 | zowel tot de medebroeders in het bisschopsambt te wenden,
59 Inl, 0,6 | ik wil hen laten delen in enige overwegingen met betrekking
60 Inl, 0,6 | die de liefde voor haar in het hart draagt, de juiste
61 Inl, 0,6 | om haar te bereiken en om in haar rust te vinden in zijn
62 Inl, 0,6 | om in haar rust te vinden in zijn inspanningen, en geestelijke
63 Inl, 0,6 | weer echt vertrouwen geven in zijn kenvermogens en aan
64 Inl, 0,6 | overwegingen te formuleren. In de encycliek Veritatis Splendor
65 Inl, 0,6 | van de katholieken leer in herinnering” gebracht, “
66 Inl, 0,6 | herinnering” gebracht, “die in de huidige context het risico
67 Inl, 0,6 | waarheid en op haar grondslag in relatie tot het geloof concentreren.
68 Inl, 0,6 | de vrucht van hun denken in culturele vormen uit te
69 I, 1,7 | boodschap die haar oorsprong in God zelf heeft (vgl. 2 Kor
70 I, 1,7 | 26) markeert: “God heeft in zijn goedheid en wijsheid
71 I, 1,7 | het vleesgeworden Woord, in de heilige Geest toegang
72 I, 1,8 | nadacht over de Openbaring in het licht van de bijbelse
73 I, 1,9 | niet alleen onderscheiden in hun vertrekpunt, maar ook
74 I, 1,9 | hun vertrekpunt, maar ook in hun object. Ten aanzien
75 I, 1,9 | aanzien van de bron, omdat we in de ene kennen door het natuurlijke
76 I, 1,9 | het natuurlijke verstand, in de andere door het goddelijk
77 I, 1,9 | geheimen voorgelegd worden die in God verborgen zijn en die,
78 I, 1,9 | en beweegt zich alleen in het licht van de rede. De
79 I, 1,9 | God verlicht en geleid, in de heilsboodschap de ‘volheid
80 I, 1,9 | Joh 1,14) erkent, die God in de geschiedenis definitief
81 I, 1,9(7) | DS 3015; ook geciteerd in Tweede Vaticaans Oecumenisch
82 I, 1,9(7) | Constitutie over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium
83 I, 1,10 | heilskarakter van Gods openbaring in de geschiedenis aangegeven: “
84 I, 1,10 | zodat de werken, door God in de heilsgeschiedenis verricht,
85 I, 1,10 | geheim dat daarin vervat ligt in het licht stellen. Door
86 I, 1,10 | openbaring verschijnt ons in Christus, die tegelijk de
87 I, 1,11 | is de openbaring ingebed in tijd en geschiedenis. Ja,
88 I, 1,11 | Jezus Christus geschiedt in de “volheid van de tijd” (
89 I, 1,11 | naar voren te brengen, dat “in het christendom aan de tijd
90 I, 1,11 | betekenis” toekomt. 9 Want in de tijd treedt het hele
91 I, 1,11 | gegeven, is daarom ingebed in tijd en geschiedenis. En
92 I, 1,11 | En ze is eens voor altijd in het mysterie van Jezus van
93 I, 1,11 | vaststelt: “De Kerk streeft in de loop der eeuwen onafgebroken
94 I, 1,11 | goddelijke waarheid, totdat in haar Gods woorden in vervulling
95 I, 1,11 | totdat in haar Gods woorden in vervulling gaan”. 11 ~
96 I, 1,12 | vaststellen. Hij bereikt ons in hetgeen voor ons het vertrouwdste
97 I, 1,12 | het eeuwige treedt binnen in de tijd, het geheel verbergt
98 I, 1,12 | het geheel verbergt zich in een fragment, God neemt
99 I, 1,12 | gedaante van een mens aan. De in de openbaring van Christus
100 I, 1,12 | aldus niet meer opgesloten in een nauw begrensd territoriaal
101 I, 1,12 | geven. Nu hebben alle mensen in Christus toegang tot de
102 I, 1,12 | geschiedenis aangeboden: “Alleen in het mysterie van het mens
103 I, 1,12 | raadsel. Waar anders dan in het licht, dat afstraalt
104 I, 2,13 | geloof staat het ons toe in de intimiteit van het mysterie
105 I, 2,13 | veronderstelt echter, dat Deze in zijn godheid, transcendentie
106 I, 2,13 | die zich laat kennen, is in het gezag van zijn absolute
107 I, 2,13 | opeisbare waarheid voegt zich in het kader van de interpersoonlijke
108 I, 2,13 | uiterste hun geestelijke natuur in, om aan het subject de voltrekking
109 I, 2,13 | de persoonlijke vrijheid in de volle zin beleefd wordt15.
110 I, 2,13 | volle zin beleefd wordt15. In het geloof is de vrijheid
111 I, 2,13 | verwerkelijkt zich niet in beslissingen tegen God.
112 I, 2,13 | vrijheid gezien kunnen worden? In het geloof voltrekt de mens
113 I, 2,13 | waarheid bereikt en besluit in haar te leven. ~Ook de in
114 I, 2,13 | in haar te leven. ~Ook de in de openbaring aanwezige
115 I, 2,13 | zij dragen, te begrijpen. In die tekens is dus reeds
116 I, 2,13 | vernietigt. ~Er wordt ons in zekere zin gewezen op het
117 I, 2,13 | karakter van de openbaring en in het bijzonder op het teken
118 I, 2,13 | te bevatten. Christus is in de eucharistie waarlijk
119 I, 2,13 | een teken: het verbergt in het mysterie verheven werkelijkheden”. 16
120 I, 2,13(15) | waarheid, zijn wij verplicht in het geloof aan de zich openbarende
121 I, 2,13 | Heer (...) openbaart juist in de openbaring van het geheim
122 I, 2,13(18) | Constitutie over de Kerk in de Moderne Wereld Gaudium
123 I, 2,14 | doorgronden, maar alleen in geloof ontvangen en aannemen.
124 I, 2,14 | zonder verzuim alles wat in zijn macht stond heeft gedaan.
125 I, 2,14 | theologie: de heilige Anselmus. In zijn Proslogion schrijft
126 I, 2,15 | christelijke openbaring, die wij in Jezus van Nazareth ontmoeten,
127 I, 2,15 | vrijheid, verplicht het echter in naam van de waarheid, zich
128 I, 2,15 | wordt, inzoverre hij nog in staat is de blik boven zichzelf
129 I, 2,15 | uw bereik. Ze zijn niet in de hemel en u hoeft niet
130 I, 2,15 | het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart. U
131 I, 2,15 | dichtbij u, in uw mond en in uw hart. U kunt het dus
132 I, 2,15 | gedachte: “Noli foras ire, in te ipsum redi. In interiore
133 I, 2,15 | foras ire, in te ipsum redi. In interiore homine habitat
134 I, 2,15 | keer tot jezelf terug. In het binnenste van de mens
135 I, 2,15 | woont de waarheid]. 21 ~In het licht van deze beschouwingen
136 I, 2,15 | geopenbaarde waarheid is de in onze geschiedenis gelegde
137 I, 2,15 | voorbehouden aan hen die in Hem geloven of Hem met oprecht
138 I, 2,15 | geloof ons zegt, uitkomt in de volle en eeuwigdurende
139 II, 1,16 | verstandskennis, wordt reeds in de heilige Schrift met verbazend
140 II, 1,16 | bladzijden, is het feit dat in deze teksten niet alleen
141 II, 1,16 | de wegen van de wijsheid in zijn hart overdenkt en haar
142 II, 1,16 | kampeert en zijn tentpin in haar muren slaat; die zijn
143 II, 1,16 | kennis. (vgl. Spr 20,5). In het oude Israël was het
144 II, 1,16 | oorspronkelijke bijdrage laten vloeien in de grote zee van de kennisleer. ~
145 II, 1,16 | bijbeltekst kenmerkt ligt in de overtuiging dat er tussen
146 II, 1,16 | blijft. Het grijpt niet in om de autonomie van het
147 II, 1,16 | maken, dat de God van Israël in deze gebeurtenissen zichtbaar
148 II, 1,16 | tegelijkertijd bekent tot het geloof in de in haar werkende God.
149 II, 1,16 | bekent tot het geloof in de in haar werkende God. Het geloof
150 II, 1,16 | aanwezigheid van de Voorzienigheid in de stroom der gebeurtenissen.
151 II, 1,16 | het Boek der Spreuken is in deze samenhang veelbetekenend: “
152 II, 1,16 | hart zijn zoeken kadert in het raam van het geloof.
153 II, 1,17 | Boek der Spreuken dat ons in deze richting wijst met
154 II, 1,17 | 9). God en de mens zijn in hun respectieve werelden
155 II, 1,17 | hun respectieve werelden in een unieke relatie gesteld.
156 II, 1,17 | unieke relatie gesteld. In God heeft alles zijn oorsprong,
157 II, 1,17 | heeft alles zijn oorsprong, in Hem bevindt zich de volheid
158 II, 1,18 | kunnen dus zeggen, dat Israël in staat was, met zijn reflecties
159 II, 1,18 | mysterie open te leggen. In Gods openbaring kon het
160 II, 1,18 | verstand enkele grondregels in acht moet nemen om zijn
161 II, 1,18 | mislukking en komt hij tenslotte in de toestand van de “dwaas”.
162 II, 1,18 | bedreiging van het leven in. Want de dwaas maakt zich
163 II, 1,18 | veel dingen weet, maar is in werkelijkheid niet in staat,
164 II, 1,18 | is in werkelijkheid niet in staat, de blik te concentreren
165 II, 1,19 | laat kennen door de natuur. In de Oudheid viel de studie
166 II, 1,19 | dat de mens met zijn rede in staat is, “de opbouw van
167 II, 1,19 | begrijpen (Wijsh 7,17. 19-20), in één woord, dat hij in staat
168 II, 1,19 | in één woord, dat hij in staat is te filosoferen,
169 II, 1,19 | denken oppakt, waarnaar hij in deze context klaarblijkelijk
170 II, 1,20 | 20. In dit licht wordt het verstand
171 II, 1,20 | zijn inhoud wordt geplaatst in het wijdere perspectief
172 II, 1,20 | consequent te bereiken en het in die hoogste orde een plaats
173 II, 1,20 | alles zijn betekenis krijgt. In één woord: de mens komt
174 II, 1,20 | diepe zin van alles, en in het bijzonder de zin van
175 II, 2,21 | begrijpen kan voorzover hij ‘in relatie staat’: in relatie
176 II, 2,21 | hij ‘in relatie staat’: in relatie met zichzelf, met
177 II, 2,21 | verstand liet binnengaan in het rijk van het oneindige,
178 II, 2,22 | heilige Paulus helpt ons in het eerste hoofdstuk van
179 II, 2,22 | overweging van de wijsheidsboeken in hun diepte beter te waarderen.
180 II, 2,22 | een wijsgerige redenering in de taal van het volk en
181 II, 2,22 | waarneembare werkelijkheid staat. In wijsgerige vaktaal zouden
182 II, 2,22 | zouden we kunnen zeggen, dat in de belangrijke tekst het
183 II, 2,22 | apostel is ervan overtuigd dat in het oorspronkelijke scheppingsplan
184 II, 2,22 | het vertelt dat God hem in de hof van Eden plaatste,
185 II, 2,22 | de hof van Eden plaatste, in welks midden “de boom van
186 II, 2,22 | duidelijk: de mens was niet in staat om uit zichzelf te
187 II, 2,22 | God komende kennis konden. In hun oer-ongehoorzaamheid
188 II, 2,22 | rede waren nu niet meer in staat helder te zien: het
189 II, 2,23 | diepgaande onderscheiding. In het Nieuwe Testament, vooral
190 II, 2,23 | Nieuwe Testament, vooral in de brieven van de H. Paulus,
191 II, 2,23 | wijsheid van deze wereld” en de in Jezus Christus geopenbaarde
192 II, 2,23 | denkschema’s, die geenszins in staat zijn, haar adequaat
193 II, 2,23 | schriftgeleerde? Waar een woordvoerder in deze wereld? Heeft God de
194 II, 2,23 | nodig: “God heeft het dwaze in de wereld uitgekozen om
195 II, 2,23 | maken (...) En het nederige in de wereld en het verachte
196 II, 2,23 | menselijke wijsheid weigert in haar zwakheid de voorwaarde
197 II, 2,23 | wil uitdrukken: “God heeft in de wereld dat wat niets
198 II, 2,23 | radicaalste taal die de wijsgeren in hun beschouwingen over God
199 II, 2,23 | uit te drukken, die zich in het kruis van Jezus Christus
200 II, 2,23 | omvat, niet elimineren; in plaats daarvan kan het kruis
201 II, 2,23 | wijsbegeerte die reeds uit zichzelf in staat is de onophoudelijke
202 II, 2,23 | terwijl ze haar vasthouden in de ondiepten van hun systeem.
203 II, 2,23 | geloof en wijsbegeerte stoot in de verkondiging van de gekruisigde
204 II, 2,23 | de klip kan ze uitmonden in de oneindige zee van de
205 III, 1,24 | evangelist Lucas vertelt in de Handelingen van de Apostelen,
206 III, 1,24 | zoeken naar God is diep in het mensenhart gezaaid.
207 III, 1,24 | Goede-Vrijdagsliturgie, wanneer ze ons in het gebed voor alle niet-gelovenden
208 III, 1,24 | zo diep verlangen naar U in het hart gestort, dat ze
209 III, 1,24 | verschillende manieren, in verschillende tijden bewezen
210 III, 1,24 | verschillende tijden bewezen dat hij in staat is, aan dit diepste
211 III, 1,25 | gehoorde woord uit, de dingen in waarheid zijn. De mens is
212 III, 1,25 | mens is het enige wezen in de hele zichtbare schepping
213 III, 1,25 | schepping dat niet alleen in staat is om te weten, maar
214 III, 1,25 | daarom stelt hij belang in de feitelijke waarheid van
215 III, 1,25 | oprecht ongeïnteresseerd zijn in de waarheid van zijn kennis.
216 III, 1,25 | natuurwetenschappen, die in de laatste eeuwen zulke
217 III, 1,25 | weg van de gelukzaligheid in en streeft hij naar volmaaktheid.
218 III, 1,25 | hij naar volmaaktheid. Ook in dit geval gaat het om de
219 III, 1,25 | Deze overtuiging heb ik in de encycliek Veritatis Splendor
220 III, 1,25 | nodig dat de aanvaarde en in het eigen leven gevolgde
221 III, 1,25 | vindt de mens niet door zich in zichzelf op te sluiten,
222 III, 1,25 | stellen om ze ook aan te nemen in de dimensies die boven hem
223 III, 1,26 | bij de mens aanvankelijk in de vorm van een vraag: heeft
224 III, 1,26 | of de provocerende vragen in het boek Job, om aan de
225 III, 1,26 | zien van zoveel feiten die in het licht van de waarheid
226 III, 1,26 | absoluut geen toeval dat in het licht van het feit van
227 III, 1,27 | hun bestaan te verankeren in een als definitief erkende
228 III, 1,27 | twijfel. De filosofen hebben in de loop der eeuwen geprobeerd
229 III, 1,27 | denksystemen en -scholen in het leven te roepen. Maar
230 III, 2,29 | dat zo diep geworteld is in de menselijke natuur volledig
231 III, 2,29 | reeds een eerste antwoord in. De mens zou helemaal niet
232 III, 2,29 | gebeurt precies dat normaliter in het wetenschappelijk onderzoek.
233 III, 2,29 | waarheid is zo diep geworteld in het mensenhart, dat daarvan
234 III, 2,29 | enkele existentiële vragen in zich draagt en tegelijk
235 III, 2,29 | zich draagt en tegelijk in zijn hart minstens het ontwerp
236 III, 2,29 | ervaring heeft, dat zij zich in wezen niet onderscheiden
237 III, 2,30 | verschillende vormen van de waarheid in het vervolg kort te vermelden.
238 III, 2,30 | religieuze waarheden, die in zekere mate ook geworteld
239 III, 2,30 | mate ook geworteld zijn in de wijsbegeerte, en die
240 III, 2,30 | verschillende godsdiensten in hun tradities als antwoord
241 III, 2,30 | gezegd heb, is iedere mens in zekere zin filosoof met
242 III, 2,30 | de zin van zijn bestaan: in dit licht duidt hij zijn
243 III, 2,30 | wijsgerig-religieuze waarheden tot de in Jezus Christus geopenbaarde
244 III, 2,31 | wordt geboren en groeit op in een gezin, om later met
245 III, 2,31 | bevindt hij zich dus ingevoegd in verschillende tradities,
246 III, 2,31 | van het kritische denken in twijfel getrokken kunnen
247 III, 2,31 | worden. Desondanks zijn in het leven van de mens de
248 III, 2,31 | onderzoek verwerft. Wie zou wel in staat zijn, de ontelbare
249 III, 2,31 | kunnen controleren, die dag in dag uit, uit alle delen
250 III, 2,32 | 32. In het geloof vertrouwt ieder
251 III, 2,32 | het diepergaande vermogen in het spel brengt, zich aan
252 III, 2,32 | Onderstreept zij, dat de in deze tussenmenselijke betrekking
253 III, 2,32 | ligt namelijk niet alleen in het zich eigen maken van
254 III, 2,32 | van de waarheid, maar ook in een levende betrekking van
255 III, 2,32 | trouw tegenover de ander. In deze vertrouwvolle zelfgave
256 III, 2,32 | bestaan. Hij weet, dat hij in de ontmoeting met Jezus
257 III, 2,32 | waarheid te herroepen, die hij in de ontmoeting met Christus
258 III, 2,32 | woord vertrouwt: men ontdekt in hen heel duidelijk een liefde,
259 III, 2,32 | spreekt over hetgeen hij in zijn binnenste reeds als
260 III, 2,33 | van dit probleem verder in elkaar schuiven tot een
261 III, 2,33 | waarheid aan gene zijde, die in staat moet zijn, de zin
262 III, 2,33 | om een zoeken dat alleen in het absolute antwoord kan
263 III, 2,33 | Dankzij de vermogens die in het denken vervat liggen
264 III, 2,33 | vervat liggen is de mens in staat, een dergelijke waarheid
265 III, 2,33 | overwinnen, leidt het hem binnen in de genade-orde, die hem
266 III, 2,33 | genade-orde, die hem laat delen in het geheim van Christus,
267 III, 2,33 | drie-ene God geschonken wordt. In Jezus Christus, die de waarheid
268 III, 2,33(28) | vragen draagt iedere mens in het diepst van zijn hart,
269 III, 2,33(28) | voor het leven van alledag. In deze vragen wordt de diepe
270 III, 2,33(28) | worden hier geactiveerd om in vrijheid naar een oplossing
271 III, 2,33(28) | oplossing te zoeken die in staat is aan het leven een
272 III, 2,33(28) | hij zijn bestaan beheerst. In het bijzonder wanneer men
273 III, 2,34 | waarheid’, die God ons in Jezus Christus openbaart,
274 III, 2,34 | Christus openbaart, is niet in tegenspraak met de waarheden
275 III, 2,34 | integendeel tot de waarheid in haar volheid. De eenheid
276 III, 2,34 | verstand, dat wordt uitgedrukt in het non-contradictie-beginsel.
277 III, 2,34 | personele vereenzelviging in Christus, waarop de apostel
278 III, 2,34 | apostel doelt: “De waarheid is in Christus” (vgl. Ef 4,21;
279 III, 2,34 | vleesgeworden Woord, dat in zijn hele Persoon de Vader
280 III, 2,34(29) | beschikkingen’, zoals hij schreef in zijn brief aan P. Benedetto
281 III, 2,34(29) | het de zedelijke normen in acht neemt, nooit echt tegengesteld
282 III, 2,34(29) | geloof hebben hun oorsprong in dezelfde God” (Gaudium et
283 III, 2,34(29) | en bijstaat, doordat Hij in de diepte van zijn geest
284 III, 2,34 | Christus gevonden worden: want in Hem openbaart de “volle
285 III, 2,34 | 14-16) van dat wezen dat in Hem en door Hem geschapen
286 III, 2,34 | geschapen is en dat daarom in Hem zijn voltooiing vindt (
287 III, 2,35 | tegelijk een waarheid is, die in het licht van de rede moet
288 III, 2,35 | moet worden begrepen. Eerst in deze dubbele betekenis is
289 III, 2,35 | tussen geloof en wijsbegeerte in de loop van de geschiedenis.
290 IV, 1 | Belangrijke Stappen In De Ontmoeting Van Geloof
291 IV, 1,36 | erover, dat de H. Paulus in Athene “met enkele epicureïsche
292 IV, 1,36 | de eerste christenen het in hun toespraken niet laten
293 IV, 1,36 | natuurlijke kennis echter in de heidense religie tot
294 IV, 1,36 | oorsprong van de goden en, in hen, van het heelal te begrijpen,
295 IV, 1,36 | vonden hun eerste uitdrukking in de dichtkunst. De theogonieën
296 IV, 1,36 | ze wilden aan hun geloof in de godheid een rationele
297 IV, 1,37 | schrijvers van de eerste eeuwen, in het bijzonder de H. Irenaeus
298 IV, 1,38 | verkondiging van de opgestane Heer in een persoonlijke ontmoeting,
299 IV, 1,38 | moeten we elders zoeken. In werkelijkheid bood de ontmoeting
300 IV, 1,38 | voorkwam als een verre en in zeker opzicht achterhaalde
301 IV, 1,38 | God te komen, moeten allen in staat zijn deze weg te kunnen
302 IV, 1,38 | hij duidelijk en beslist, in het christendom “de enige
303 IV, 1,38 | verdediging van het geloof:: “In zichzelf volmaakt en zonder
304 IV, 1,39 | 39. In de geschiedenis van deze
305 IV, 1,39 | haar Griekse oorsprong. In de Aristotelische wijsbegeerte
306 IV, 1,39 | goden, kreeg daarentegen in het licht van de christelijke
307 IV, 1,39 | over God wil formuleren. In zijn ontwikkeling maakte
308 IV, 1,39 | geschiedenis leert dat het in de theologie overgenomen
309 IV, 1,40 | Bijzondere vermelding verdienen in dit kersteningswerk van
310 IV, 1,40 | verschillende wijsgerige scholen in contact gekomen, maar ze
311 IV, 1,40 | van het christelijk geloof in zijn blikveld kwam, had
312 IV, 1,40 | heiligheid van leven, was hij ook in staat in zijn werken een
313 IV, 1,40 | leven, was hij ook in staat in zijn werken een grote hoeveelheid
314 IV, 1,40 | grote hoeveelheid materiaal in te brengen, dat, door terug
315 IV, 1,41 | het Avondland hebben dus in verschillende vormen verbindingen
316 IV, 1,41 | wijsbegeerte; ze zagen het in zijn geheel, in zijn positieve
317 IV, 1,41 | zagen het in zijn geheel, in zijn positieve aspecten
318 IV, 1,41 | positieve aspecten evengoed als in zijn begrenzingen. Ze waren
319 IV, 1,41 | omzetting van de geloofsinhoud in wijsgerige categorieën.
320 IV, 1,41 | propaedeutisch aankondigde in het denken van de grote
321 IV, 1,41 | de andere; ze vond plaats in het hart en was ontmoeting
322 IV, 1,41 | nature onbewust nastreefde, in de Persoon van het vleesgeworden
323 IV, 1,41 | overeenstemmingen vertroebelde in hen niet de erkenning van
324 IV, 1,41(41) | studie van de Kerkvaders in de priesteropleiding (10
325 IV, 1,42 | 42. In de scholastieke wijsbegeerte
326 IV, 1,42 | voorrang van het geloof niet in concurrentie met het zoeken
327 IV, 1,42 | is, ook helemaal niet toe in staat zijn. Veeleer is het
328 IV, 1,42 | die steeds meer ontbrandt in liefde voor dat wat hij
329 IV, 1,42 | niet alles heeft gedaan wat in zijn verlangen lag: “Ad
330 IV, 1,42 | van zijn zekerheid niet in het minst aan het wankelen.
331 IV, 2,43 | vanwege de betrekking die hij in de dialoog met het Arabische
332 IV, 2,43 | van zijn tijd kon leggen. In een tijdperk waarin de christelijke
333 IV, 2,43 | niet vergeten: ja, hij kon in de diepte gaan en de zin
334 IV, 2,43 | geloofsinhouden komt men in ieder geval door vrije beslissing
335 IV, 2,43 | juist beoefend moet worden. In deze samenhang zou ik willen
336 IV, 2,43 | Thomas bezat ongetwijfeld in de hoogste mate de moed
337 IV, 2,43 | het christelijke denken in als een pionier op de nieuwe
338 IV, 2,44 | Geest en die binnenleidt in de kennis van de goddelijke
339 IV, 2,44 | eigen aard van de wijsheid in haar enge relatie met het
340 IV, 2,44 | leergezag van de Kerk heeft in hem de hartstocht voor de
341 IV, 2,44(50) | zin van de Ambrosiaster , In Prima Cor 12, 3: PL 17,
342 IV, 2,44 | waarheid richtte, kon hij in zijn realisme haar objectiviteit
343 IV, 3,45 | kennisvormen langzamerhand echter in een onzalige scheiding.
344 IV, 3,45 | betrekkingen met het verstand in diskrediet te brengen. Wat
345 IV, 3,45 | vormen van speculatief denken in staat was, werd tenslotte
346 IV, 3,45 | het geloof gescheiden en in zijn plaats tredende verstandskennis. ~
347 IV, 3,46 | radicaliseringen zijn bekend en vooral in de geschiedenis van het
348 IV, 3,46 | een goed deel ontwikkeld in een geleidelijke afwending
349 IV, 3,46 | duidelijke tegenposities. In de vorige eeuw heeft deze
350 IV, 3,46 | opstanding van Jezus Christus in rationeel te vatten dialectische
351 IV, 3,46 | keerden zich verschillende in filosofische termen uitgedrukte
352 IV, 3,46 | het geheel van zijn leven in het middelpunt van hun interesse
353 IV, 3,46 | op, dat het zoeken doel in zichzelf is, zonder enige
354 IV, 3,47 | mag men niet vergeten dat in de moderne cultuur de rol
355 IV, 3,47 | menselijke kennis; ze is zelfs in bepaald opzicht in een volledige
356 IV, 3,47 | zelfs in bepaald opzicht in een volledige bijrol gedrongen.
357 IV, 3,47 | verabsoluteren, heb ik reeds in mijn eerste encycliek aangegeven,
358 IV, 3,47 | zich, tenminste ten dele, in een bepaalde loop van hun
359 IV, 3,47 | huidige menselijke bestaan in zijn breedste en meest universele
360 IV, 3,47 | dimensie. Het doet de mens in groeiende angst leven Hij
361 IV, 3,47 | praktisch nut. Dat resulteerde in een verduistering van de
362 IV, 3,48 | aandachtige beschouwing ook in het wijsgerig denken van
363 IV, 3,48 | soms waardevolle aanzetten in hun denken zijn te zien
364 IV, 3,48 | zijn bijvoorbeeld te vinden in de grondige analyses over
365 IV, 3,48 | ernstige oproep zijn om in zichzelf de echte zin van
366 IV, 3,48 | bleef, sloeg het zijwegen in, die het gevaar inhouden
367 IV, 3,48 | respectievelijk bijgeloof. In dezelfde mate zal een verstand
368 IV, 3,48 | eenheid herstellen die hen in staat stelt om in harmonie
369 IV, 3,48 | die hen in staat stelt om in harmonie met hun natuur
370 V | Tussenkomsten Van Het Leergezag In Wijsgerige Aangelegenheden~
371 V, 1,49 | deze terughoudendheid ligt in het feit dat de wijsbegeerte,
372 V, 1,49 | wijsbegeerte, ook wanneer ze in relatie treedt met de theologie,
373 V, 1,49 | Een wijsbegeerte die niet in het licht van het verstand
374 V, 1,49 | de waarheid en bovendien in zichzelf is toegerust met
375 V, 1,49 | zien op welke dwaalwegen en in welke dwalingen vooral het
376 V, 1,49 | bevoegdheid van het leergezag om in te grijpen, om de lacunes
377 V, 1,49 | geloof van het Godsvolk in verwarring brengen, zeer
378 V, 1,50 | leergezag kan en moet daarom in het licht van het geloof
379 V, 1,50 | geloof opgelegd worden. In de loop van de ontwikkeling
380 V, 1,50 | plicht om te laten zien wat in een wijsgerig systeem onverenigbaar
381 V, 1,51 | onderscheiding mag echter niet in eerste instantie negatief
382 V, 1,51 | bemiddeling uit te sluiten of in te perken. Integendeel,
383 V, 1,51 | hun denken zich voltrekt. In het bijzonder moet in het
384 V, 1,51 | voltrekt. In het bijzonder moet in het oog gehouden worden
385 V, 1,51 | betrekking van de mens met God. ~In de huidige tijd is, gezien
386 V, 1,51 | kritische onderscheiding in het licht van het geloof
387 V, 1,51 | problematischer blijken om in de afzonderlijke filosofische
388 V, 1,51 | van wijsheid en kennis” in Christus verborgen zijn (
389 V, 1,51 | 2,3); daarom grijpt zij in en spoort het wijsgerig
390 V, 1,52 | van de Kerk heeft niet pas in de jongste tijd ingegrepen,
391 V, 1,52 | te maken. Als voorbeelden in de loop van de eeuwen mogen
392 V, 1,52 | bijgelovige esoteriek, die in astrologische opvattingen
393 V, 1,52 | dan is dat daarom, omdat in die tijd nogal wat katholieken
394 V, 1,52 | iets toeschreven wat alleen in het licht van het geloof
395 V, 1,52 | inhouden van dit debat werden in de dogmatische constitutie
396 V, 1,52 | tussen rede en geloof. De in die tekst vervatte leer
397 V, 1,53 | gelovigen had voorgehouden in een synthese plechtig en
398 V, 1,53 | niet alleen onderscheiden in hun vertrekpunt, maar ook
399 V, 1,53 | hun vertrekpunt, maar ook in hun object.” 64 Het onderscheid
400 V, 1,53 | het geloof meedeelt, heeft in de menselijke geest het
401 V, 1,53(64) | IV: DS 3015, geciteerd in Tweede Vaticaans Oecumenisch
402 V, 1,53(64) | Constitutie over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium
403 V, 1,54 | 54. Ook in onze eeuw is het leergezag
404 V, 1,54 | rationalistische bekoring. In dit scenario horen de interventies
405 V, 1,54 | XII zijn stem, toen hij in de encycliek Humani generis
406 V, 1,54 | voor verkeerde verklaringen in samenhang met de opvattingen
407 V, 1,54 | waarheid te beschermen en haar in de harten van de mensen
408 V, 1,54 | alsook omdat soms zelfs in valse opinies een korreltje
409 V, 1,54 | Congregatie voor de Geloofsleer in de vervulling van haar bijzondere
410 V, 1,54 | haar bijzondere opdracht in de dienst van het universele
411 V, 1,54 | Het leergezag heeft dus in het verleden herhaaldelijk
412 V, 1,54 | waardevolle bijdrage die niet in vergetelheid mag raken. ~
413 V, 1,55 | Wanneer we de huidige situatie in ogenschouw nemen, zien we
414 V, 1,55 | maar om opvattingen die in de samenleving zo wijd verbreid
415 V, 1,55 | wijd verbreid zijn, dat ze in zekere mate tot een gemeenschappelijke
416 V, 1,55 | kennis of haar structuren. ~In de theologie zelf duiken
417 V, 1,55 | bekoringen van vroeger op. In enkele hedendaagse theologieën
418 V, 1,55 | beïnvloeden door uitspraken die in de gangbare taal en cultuur
419 V, 1,55 | een gevaarlijk terugvallen in het fideïsme voor, dat de
420 V, 1,55 | mogelijkheid om überhaupt in God te geloven, niet erkent.
421 V, 1,55 | het Woord van God zowel in de heilige Teksten alsook
422 V, 1,55 | de heilige Teksten alsook in de Overlevering aanwezig
423 V, 1,55(72) | Vaticanum II heeft in even duidelijke als gebiedende
424 V, 1,55(72) | Concilie dat de rede nooit “in staat is (deze mysteries)
425 V, 1,55 | met zijn herders, blijvend in de leer van de apostelen.” 74
426 V, 1,55 | onderschatten dat schuilt in de opzet om de waarheid
427 V, 1,55 | de noodzaak van exegese in ruimere zin te negeren,
428 V, 1,56 | objectieve werkelijkheid. In een wereld die verdeeld
429 V, 1,56 | een wereld die verdeeld is in zoveel specialismen is het
430 V, 1,56 | Niettemin kan ik slechts, in het licht van het geloof
431 V, 1,56 | licht van het geloof dat in Jezus Christus deze laatste
432 V, 1,56 | aanmoedigen, vertrouwen te stellen in de capaciteiten van het
433 V, 2,57 | laten zien, welke wegen in te slaan. In deze zin zette
434 V, 2,57 | welke wegen in te slaan. In deze zin zette Paus Leo
435 V, 2,57 | pauselijke document dat in zijn geheel aan de wijsbegeerte
436 V, 2,57 | hebben veel van de inzichten in die tekst zowel uit praktisch
437 V, 2,58 | studies bloeiden, resulterend in een herontdekking van de
438 V, 2,58 | Thomistische overlevering in in de discussie over de
439 V, 2,58 | Thomistische overlevering in in de discussie over de toenmalige
440 V, 2,58 | wijsbegeerte. Zo stond de Kerk in de loop van de 20ste eeuw
441 V, 2,58 | beschikking, die gevormd waren in de school van de Doctor
442 V, 2,59 | van het wijsgerig denken in de christelijk geïnspireerde
443 V, 2,59 | zodanig profiel, dat zij in niets onderdeden voor de
444 V, 2,59 | behandeling van het geloof in het licht van een hernieuwd
445 V, 2,59 | van het christelijk denken in de eenheid van geloof en
446 V, 2,60 | wijsbegeerte. ik kan bijzonder in het kader van deze encycliek
447 V, 2,60 | probleem van het atheïsme komt in Gaudium et spes naar voren;
448 V, 2,60 | passage vormt. Ik heb haar in mijn encycliek Redemptor
449 V, 2,60 | wordt eerst echt verhelderd in het mysterie van het mensgeworden
450 V, 2,60 | het christelijk onderricht in zijn totaliteit: “De wijsgerige
451 V, 2,60 | zijn herhaald en ontwikkeld in een aantal andere documenten
452 V, 2,60 | voor hen die zich eens, in hun pastorale leven, zullen
453 V, 2,61 | katholieke scholen kon men in de jaren die onmiddellijk
454 V, 2,61 | maken en ze, waar nodig, in hun onderzoek correct toe
455 V, 2,61 | geïnterpreteerd worden, de filosofie in de pastorale vorming en
456 V, 2,61 | de pastorale vorming en in de praeparatio fidei alleen
457 V, 2,61 | praeparatio fidei alleen maar in de marge te behandelen of
458 V, 2,61 | traditionele gebruiken moet hand in hand gaan met wijsgerig
459 V, 2,61(85) | Constitutie over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium
460 V, 2,62 | van Lateranen87, wortelt in de ervaring die in de middeleeuwen
461 V, 2,62 | wortelt in de ervaring die in de middeleeuwen rijpte,
462 V, 2,62 | geleid tot ernstige hiaten in zowel de priestervorming
463 V, 2,62 | vorming worden overwonnen, die in de Kerk nooit verloren mag
464 V, 2,63 | sterke interesse van de Kerk in de wijsbegeerte te benadrukken;
465 V, 2,63 | godgeleerdheid te kunnen opbouwen. In het licht van deze beginselen
466 VI, 1,64 | het verstaan van dit Woord in het licht van geloof, moet
467 VI, 1,64 | geloof, moet van haar kant in relatie treden, in sommige
468 VI, 1,64 | kant in relatie treden, in sommige van haar procedures
469 VI, 1,64 | sommige van haar procedures en in de uitvoering van haar specifieke
470 VI, 1,64 | bijzondere taken van de theologie in herinnering te brengen,
471 VI, 1,65 | wetenschap van het geloof in het licht van een tweevoudig
472 VI, 1,65 | geleidelijk aan heeft ontvouwen in de Heilige Traditie, de
473 VI, 1,65 | specifiek bij aan de theologie in de voorbereiding op een
474 VI, 1,65 | bepaalde wijsgerige traditie. In dit geval wordt van de theoloog
475 VI, 1,65 | termen die de Kerk gebruikt in haar denken en in de ontwikkeling
476 VI, 1,65 | gebruikt in haar denken en in de ontwikkeling van haar
477 VI, 1,66 | goddelijke waarheid, “die ons in de door de leer der Kerk
478 VI, 1,66 | gepresenteerd”, 89 een eigen, in haar logica zo consequente
479 VI, 1,66 | individu en voor de mensheid, in het licht te stellen. Van
480 VI, 1,66 | de heilsgeschiedenis, die in de persoon van Jezus Christus
481 VI, 1,66 | persoon van Jezus Christus en in zijn paasmysterie haar hoogtepunt
482 VI, 1,66 | theologie moet van haar kant in staat zijn, de universele
483 VI, 1,66 | vertellende manier alsook vooral in de vorm van de redenering
484 VI, 1,66 | scheppende werken van God in de wereld, de relatie tussen
485 VI, 1,66 | die gedefinieerd worden in het kader van de filosofische
486 VI, 1,66 | verstand van de gelovige moet in staat zijn deze kennis uit
487 VI, 1,66 | deze kennis uit te drukken in begrippen en in de vorm
488 VI, 1,66 | drukken in begrippen en in de vorm van de redenering.
489 VI, 1,67 | theologie moeten laten zien dat in het licht van de kennis
490 VI, 1,67 | en hun autonomie ook maar in het geringste aan te tasten. 90 ~
491 VI, 1,67 | presenteren door een verstand dat in staat is in volle vrijheid
492 VI, 1,67 | verstand dat in staat is in volle vrijheid zijn toestemming
493 VI, 1,68 | moraaltheologie heeft misschien in nog grotere mate de bijdrage
494 VI, 1,68 | wijsbegeerte nodig. Want in het nieuwe verbond is het
495 VI, 1,68 | voorschriften geregeld dan in het oude verbond. Het leven
496 VI, 1,68 | oude verbond. Het leven in de Heilige Geest brengt
497 VI, 1,68 | samenleving, moet de christen in staat zijn zijn geweten
498 VI, 1,68 | denkkracht tot het uiterste in te zetten. Dat wil, met
499 VI, 1,69 | inbrengen dat de theoloog in de huidige situatie zich
500 VI, 1,69 | traditionele wijsheidsvormen in plaats van een filosofie
1-500 | 501-749 |