Chapter, Paragraph, Number
1 I, 2,13 | goddelijk getuigenis. Dat wil zeggen dat hij geheel en al de
2 I, 2,15 | hemel en u hoeft niet te zeggen: ‘Wie zal naar de hemel
3 I, 2,15 | overzee en u hoeft niet te zeggen: ‘Wie zal de zee oversteken
4 II, 1,16 | Spr 16,9). Men zou kunnen zeggen dat de mens met het licht
5 II, 1,18 | 18. We kunnen dus zeggen, dat Israël in staat was,
6 II, 2,22 | vaktaal zouden we kunnen zeggen, dat in de belangrijke tekst
7 III, 1,24| alle niet-gelovenden laat zeggen: “Almachtige, eeuwige God,
8 III, 2,29| veeleer zal hij, terecht, zeggen dat hij nog niet het adequate
9 IV, 1,38 | doopsel. Dat wil echter niet zeggen dat zij de opgave om het
10 IV, 1,38 | het laatste doel, dat wil zeggen naar de openbaring van Jezus
11 IV, 1,38 | en alles leert, dat wil zeggen: naar kennis van de Zoon
12 IV, 3,46 | men zonder overdrijving zeggen, voor een goed deel ontwikkeld
13 V, 1,50 | de recta ratio, dat wil zeggen het verstand dat op de juiste
14 VI, 1,68 | wil, met andere woorden, zeggen: de moraaltheologie moet
15 VI, 1,70 | Kerk met de H. Paulus kan zeggen: “Jullie zijn dus geen vreemden
16 VI, 1,71 | doorschijnen. Je kunt dus zeggen dat de cultuur de mogelijkheid
17 VI, 2,76 | waarheid. Men zou kunnen zeggen dat een goed deel van de
18 VII, 1,82| konden geven. Men kan niet zeggen dat de katholieke traditie
19 VII, 1,83| draagwijdte zijn, dat wil zeggen: die in staat is boven de
20 VII, 1,84| staat zijn iets over God te zeggen. De interpretatie van dit
21 VII, 2,97| men tegenwoordig pleegt te zeggen, of een ecclesiologie die
22 VII, 2,98| oorspronkelijke staat gezien, dat wil zeggen als een handeling van het
|