Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,2(1) | hominis schreef ik: “Zo zijn wij deelachtig geworden aan
2 Inl, 0,2(1) | krachtens diezelfde taak dienen wij samen met Hem de goddelijke
3 Inl, 0,2(1) | waarheid betekent ook, dat wij haar liefhebben en zo nauwkeurig
4 Inl, 0,2 | worden onthuld: “Thans kijken wij in een spiegel en zien slechts
5 Inl, 0,2 | omtrekken: dan echter zien wij van aangezicht tot aangezicht;
6 Inl, 0,6 | opgedragen; daarvan kunnen wij niet afzien, zonder het
7 Inl, 0,6 | afzien, zonder het ambt dat wij hebben ontvangen, te verwaarlozen.
8 I, 1,11 | bovenal wordt zichtbaar, dat wij door de menswording van
9 I, 1,12 | omgeving gaat, zonder welke wij onszelf niet zouden kunnen
10 I, 2,13 | maar de kennis die wij van dit aanschijn hebben,
11 I, 2,13(15)| ongeschapen waarheid, zijn wij verplicht in het geloof
12 I, 2,15 | christelijke openbaring, die wij in Jezus van Nazareth ontmoeten,
13 I, 2,15 | ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?’ Ze
14 I, 2,15 | ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?” Nee,
15 III, 2,32 | vertrouwen op, omdat hij zegt wat wij reeds ervaren, en openbaar
16 III, 2,32 | openbaar maakt, wat ook wij, als we de kracht daartoe
17 IV, 1,36 | zich getroost hebben. Zoals wij weten was ook de Griekse
18 IV, 1,38 | worden. Wijsgeren noemen wij dan hen, die verlangen koesteren
19 V, 1,50 | behoede geopenbaarde waarheid. Wij bisschoppen hebben, wanneer
20 V, 1,55(72)| bovennatuurlijke deugd, waardoor wij gesteund en geholpen door
21 VII, 1,80 | dat de werkelijkheid die wij ervaren, niet het absolute
22 VII, 1,85 | inderdaad gezegd worden dat wij behoren tot de traditie
|