Chapter, Paragraph, Number
1 I, 1,10 | onzichtbare God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim 1, 17) uit de overvloed
2 I, 1,10 | vrienden (vgl. Ex 33,11; Joh 15, 14-15) en gaat met hen
3 I, 1,10 | vgl. Ex 33,11; Joh 15, 14-15) en gaat met hen om (vgl.
4 I, 1,12 | afgewezen (vgl. Rom 5, 12-15). Met deze openbaring wordt
5 I, 2,14(20) | Prologion, Prooemium en nr. 1, 15: PL 158, 223-224; 226; 235. ~
6 I, 2,15 | 15. De waarheid van de christelijke
7 III, 2,34 | Christus” (vgl. Ef 4,21; Kol 1, 15-20). Hij is het eeuwige
8 IV, 1,36 | vgl. Rom 1,19-21; 2,14-15; Hand 14,14-16). Omdat deze
9 IV, 3,47(53) | hominis (4 maart 1979), nr. 15: AAS 71 (1979), 286. ~
10 V, 1,52(61) | IX, Breve Eximiam tuam (15 juni 1857), DS 2828-2831;
11 V, 2,60(80) | Vgl. nrs. 14-15. ~
12 V, 2,60(83) | Priesteropleiding Optatam totius, nr. 15. ~
13 V, 2,60(84) | Constitutie Sapientia Christiana (15 april 1979), art. 79-80:
14 VI, 1,67 | geloof is (vgl. 1Petr 3, 15), moeten bekommeren om het
15 VI, 1,69(92) | Vandaag Gaudium et spes, nr.15; Decreet over de Missionaire
16 VII, 1,81(98) | hominis (4 maart 1979), nr. 15: AAS 71 (1979), 286-289. ~
17 VII, 1,82(100) | Vandaag Gaudium et spes, nr. 15. ~
18 VII, 2,92 | doet groeien (vgl. Ef 4,15). ~Het mogelijk achten een
19 Slot, 0,105(129)| Priesteropleiding Optatam totius, nr. 15. ~
20 Slot, 0,105(130)| Constitutie Sapientia Christiana (15 april 1979), art. 67-68:
|