Chapter, Paragraph, Number
1 I, 2,14 | 14. De leer van de beide Vaticaanse Concilies legt
2 I, 2,14 | en aannemen. Tussen deze beide momenten heeft de rede haar
3 I, 2,15 | wijsbegeerte alsook de theologie. Beide tonen ons, zij het met verschillende
4 II, 1,17 | een bevat het ander, en beide hebben hun eigen ruimte
5 II, 2,23 | de ruimte zichtbaar waar beide elkaar kunnen ontmoeten. ~
6 III, 2,34 | het filosoferen komt. De beide kennis-orden leiden integendeel
7 III, 2,34(29)| uitdrukkelijk verklaard, dat de beide waarheden, die van het geloof
8 III, 2,35 | juiste verhouding tussen de beide kennis-orden vast de leggen. ~
9 IV, 2,43 | licht van het geloof komen beide van God, luidt zijn redenering:
10 IV, 3,45 | legitieme onderscheid tussen de beide kennisvormen langzamerhand
11 IV, 3,48 | onderzoek vereist omdat beide zonder de ander zijn verarmd
12 V, 2,57 | van de rede, verenigt hij beide door de banden van wederzijdse
13 V, 2,57 | wederzijdse vriendschap: hij staat beide hun rechten toe en beschermt
14 VI, 1,70 | vrede. Hij verenigde de beide delen (joden en heidenen),
15 VI, 1,70 | te hebben. Christus staat beide volkeren toe, ‘een’ te worden.
16 VI, 1,73 | die zich beweegt tussen de beide polen van Gods woord en
17 VII, 1,83 | 83. De beide reeds genoemde postulaten
18 VII, 1,90 | samen hand in hand of gaan beide ellendig ten gronde. 106 ~
|