1-500 | 501-588
Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | wereld leert kennen, des te beter leert hij zichzelf
2 Inl, 0,2 | van de wereld geworden, om te verkondigen dat Jezus Christus “
3 Inl, 0,2 | die zij de mensheid aan te bieden heeft, is er een
4 Inl, 0,2 | volbrengt om de waarheid te bereiken2; anderzijds legt
5 Inl, 0,2(1) | nauwkeurig mogelijk trachten te begrijpen, om haar voor
6 Inl, 0,2(1) | anderen beter toegankelijk te maken in haar volle heilskracht,
7 Inl, 0,2 | de verplichting op, zich te bekommeren om de verkondiging
8 Inl, 0,3 | de kennis van de waarheid te bevorderen en zo zijn bestaan
9 Inl, 0,3 | bestaan steeds menselijker te maken. Daaronder blinkt
10 Inl, 0,3 | naar de zin van het leven te stellen en het antwoord
11 Inl, 0,3 | stellen en het antwoord daarop te ontwerpen; zo vormt zij
12 Inl, 0,3 | mens begonnen is, vragen te stellen over oorzaak en
13 Inl, 0,3 | betekenis van de dingen te vragen, ook wanneer de in
14 Inl, 0,3 | puur wijsgerige vormen uit te drukken en tot rijpheid
15 Inl, 0,3 | drukken en tot rijpheid te komen. Hoezeer dat het geval
16 Inl, 0,4 | waarheid over het bestaan te ontdekken, probeert de mens
17 Inl, 0,4 | mens die universele kennis te verwerven, die hem in staat
18 Inl, 0,4 | staat stelt zichzelf beter te begrijpen en vooruit te
19 Inl, 0,4 | te begrijpen en vooruit te komen in zijn zelfverwerkelijking.
20 Inl, 0,4 | één enkele stroming gelijk te stellen met het complete
21 Inl, 0,4 | duiding van de werkelijkheid te maken. Feitelijk moet elk
22 Inl, 0,4 | van filosofische inzichten te erkennen, die in de geschiedenis
23 Inl, 0,4 | om een enkel voorbeeld te noemen, aan de beginselen
24 Inl, 0,4 | de waarheid en het goede te kennen; verder denke men
25 Inl, 0,4 | onduidelijke, niet doordachte vorm, te bezitten. Deze kennis zou,
26 Inl, 0,4 | beginselen van het zijn te vatten en te formuleren
27 Inl, 0,4 | van het zijn te vatten en te formuleren en daarop op
28 Inl, 0,4 | en ethische, conclusies te ontwikkelen, dan mag zij
29 Inl, 0,5 | inzet van de rede om doelen te bereiken, die het menselijk
30 Inl, 0,5 | om fundamentele waarheden te leren kennen, die de existentie
31 Inl, 0,5 | het begrip van het geloof te verdiepen en om de waarheid
32 Inl, 0,5 | haar nog niet kennen, mee te delen. ~Aansluitend aan
33 Inl, 0,5 | is, zich tot de waarheid te richten die boven hem uitstijgt.
34 Inl, 0,5 | waarheid zo goed mogelijk te verwoorden, onder de last
35 Inl, 0,5 | staat was, de blik omhoog te heffen om het avontuur aan
36 Inl, 0,5 | heffen om het avontuur aan te gaan, tot de waarheid van
37 Inl, 0,5 | de waarheid van het zijn te komen. De moderne wijsbegeerte
38 Inl, 0,5 | mens. In plaats van gebruik te maken van de mogelijkheid
39 Inl, 0,5 | mens heeft om de waarheid te kennen, gaf zij er de voorkeur
40 Inl, 0,5 | grenzen en condities daarvan te accentueren. ~Daaruit zijn
41 Inl, 0,5 | zelfs die waarheden trachten te ontkrachten, die de mens
42 Inl, 0,5 | geslaagd is om op de weg te komen die het steeds dichter
43 Inl, 0,5 | linguïstische zienswijzen te ontwikkelen, die niet ingaan
44 Inl, 0,5 | deelwaarheden, zonder zelfs nog maar te proberen om radicale vragen
45 Inl, 0,5 | en maatschappelijke leven te stellen. De hoop om van
46 Inl, 0,5 | antwoorden op deze vragen te krijgen, is dus verdwenen. ~
47 Inl, 0,6 | medebroeders in het bisschopsambt te wenden, met wie ik de zending
48 Inl, 0,6 | de waarheid” (2 Kor 4,2) te verkondigen, als tot de
49 Inl, 0,6 | weg kan inslaan om haar te bereiken en om in haar rust
50 Inl, 0,6 | bereiken en om in haar rust te vinden in zijn inspanningen,
51 Inl, 0,6 | dat wij hebben ontvangen, te verwaarlozen. Door een nieuwe
52 Inl, 0,6 | noopte mij deze overwegingen te formuleren. In de encycliek
53 Inl, 0,6 | lopen vervalst of ontkend te worden” 4. Met het voorliggende
54 Inl, 0,6 | waarbij de mogelijkheid om te komen tot de ware betekenis
55 Inl, 0,6 | rand van de afgrond, zonder te weten waar ze eigenlijk
56 Inl, 0,6 | in culturele vormen uit te drukken, de blik van de
57 Inl, 0,6 | wat de moeite waard is om te leven. De wijsbegeerte,
58 Inl, 0,6 | verantwoordelijkheid heeft om vorm te geven aan het denken en
59 Inl, 0,6 | aan de cultuur door steeds te wijzen op het zoeken naar
60 Inl, 0,6 | mij over dit thema uit te spreken, opdat de mensheid
61 I, 1,7 | wijsheid besloten, Zichzelf te openbaren en het geheim
62 I, 1,7 | geheim van zijn wil bekend te maken (vgl. Eph 1,9): dat
63 I, 1,7 | uitgaat, om de mensheid te bereiken en te redden. Als
64 I, 1,7 | mensheid te bereiken en te redden. Als bron van liefde
65 I, 1,10 | Bar 3, 38), om hen uit te nodigen tot de gemeenschap
66 I, 1,10 | met Hem en hen daarin op te nemen. Deze bedeling van
67 I, 1,11 | nadrukkelijk naar voren te brengen, dat “in het christendom
68 I, 1,11 | velerlei wijze gesproken te hebben door de profeten,
69 I, 1,11 | heilswerk dat de Vader Hem te doen gegeven heeft (vgl.
70 I, 1,12 | aannemen, om het bestaan zin te geven. Nu hebben alle mensen
71 I, 2,13 | gekomen “om Gods geheimen te verkondigen” 13; maar de
72 I, 2,13 | van het mysterie binnen te gaan, op een wijze die het
73 I, 2,13 | mogelijk maakt het samenhangend te vatten. Het concilie leert,
74 I, 2,13 | aan, zich voor haar open te stellen en haar diepere
75 I, 2,13 | haar diepere betekenis aan te nemen. Daarom is de akt,
76 I, 2,13 | voltrekking van een akt mogelijk te maken waarin de persoonlijke
77 I, 2,13 | mogelijk tot uitdrukking te brengen. Met andere woorden:
78 I, 2,13 | de weigering om zich open te stellen voor dat wat de
79 I, 2,13 | bereikt en besluit in haar te leven. ~Ook de in de openbaring
80 I, 2,13 | verstand, dat het geheim tracht te verstaan, te hulp. Ze dienen
81 I, 2,13 | geheim tracht te verstaan, te hulp. Ze dienen ertoe om
82 I, 2,13 | grondiger naar de waarheid te zoeken en het de rede mogelijk
83 I, 2,13 | en het de rede mogelijk te maken ook binnen het mysterie
84 I, 2,13 | zelfstandig op verkenning te gaan. Ze geven enerzijds
85 I, 2,13 | een aansporing om verder te gaan dan hun aard van tekens,
86 I, 2,13 | betekenis die zij dragen, te begrijpen. In die tekens
87 I, 2,13 | diepte van het mysterie te bevatten. Christus is in
88 I, 2,13(15) | het verstand en van de wil te betonen.” (Dogmatische Constitutie
89 I, 2,13 | roeping” 18, namelijk deel te hebben aan het geheim van
90 I, 2,14 | geheim van zijn bestaan te begrijpen; anderzijds verwijst
91 I, 2,14 | het haar mogelijk maakt te onderzoeken en te begrijpen,
92 I, 2,14 | maakt te onderzoeken en te begrijpen, zonder door iets
93 I, 2,14 | door iets anders ingeperkt te worden dan door haar eindigheid
94 I, 2,14 | verstand ertoe uitdaagt, nooit te blijven staan; ja, ze spoort
95 I, 2,14 | van zijn kennis steeds uit te breiden, totdat hij beseft
96 I, 2,14 | van de mensengeschiedenis te hulp, een referentiepunt
97 I, 2,14 | tenslotte de hoop, het ooit te kunnen vinden, verloor en
98 I, 2,14 | zonen, ver van God, begonnen te ondernemen, en wat is mij
99 I, 2,15 | van het eigen leven aan te nemen, zij respecteert ten
100 I, 2,15 | van de waarheid, zich open te stellen voor het transcendente.
101 I, 2,15 | begonnen is, volledig terug te vinden. Aan de mens die
102 I, 2,15 | en zijn eigen plannen uit te verheffen, de mogelijkheid
103 I, 2,15 | verhouding tot zijn leven te herwinnen doordat hij de
104 I, 2,15 | vandaag geef, zijn niet te zwaar voor u en zij liggen
105 I, 2,15 | de hemel en u hoeft niet te zeggen: ‘Wie zal naar de
106 I, 2,15 | hemel gaan om ze voor ons te halen en ze ons te laten
107 I, 2,15 | voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze
108 I, 2,15 | overzee en u hoeft niet te zeggen: ‘Wie zal de zee
109 I, 2,15 | oversteken om ze voor ons te halen en ze ons te laten
110 I, 2,15 | voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze
111 I, 2,15 | gedachte: “Noli foras ire, in te ipsum redi. In interiore
112 I, 2,15 | uitdrukking van de liefde te worden aangenomen. Deze
113 II, 1,16 | die eropuit is om inzicht te krijgen; die de wegen van
114 II, 1,16 | en haar geheimen probeert te ontdekken; die op weg gaat
115 II, 1,16 | en aan haar deuren staat te luisteren; die dichtbij
116 II, 1,16 | mogelijkheid gegeven om “te putten uit het diepe water”
117 II, 1,16 | verschillende soorten van kennis te onderscheiden. Desondanks
118 II, 1,16 | van het verstand teniet te doen of zijn speelruimte
119 II, 1,16 | doen of zijn speelruimte te beperken, maar alleen om
120 II, 1,16 | voor de mens begrijpelijk te maken, dat de God van Israël
121 II, 1,16 | en God op passende wijze te kennen. ~
122 II, 1,17 | hun eigen ruimte om zich te verwezenlijken. Opnieuw
123 II, 1,17 | Het is Gods eer, een zaak te verhullen, maar de eer van
124 II, 1,17 | koning is het, een zaak uit te zoeken” (Spr 16,9). God
125 II, 1,17 | is het, met zijn verstand te zoeken naar de waarheid,
126 II, 1,18 | weg naar het mysterie open te leggen. In Gods openbaring
127 II, 1,18 | verstand tevergeefs trachtte te bereiken. Uitgaande van
128 II, 1,18 | om zijn eigen aard beter te verhelderen. De eerste is
129 II, 1,18 | werkelijkheid niet in staat, de blik te concentreren op de werkelijk
130 II, 1,18 | belet hem, zijn verstand te ordenen (vgl. Spr 1,7) en
131 II, 1,18 | omgeving een juiste houding aan te nemen. Als hij dan zo ver
132 II, 1,18 | Als hij dan zo ver gaat, te beweren: “Er is geen God” (
133 II, 1,19 | wildheid van roofdieren” te begrijpen (Wijsh 7,17. 19-
134 II, 1,19 | woord, dat hij in staat is te filosoferen, zet hij een
135 II, 1,20 | kennisobject consequent te bereiken en het in die hoogste
136 II, 1,20 | hoogste orde een plaats te geven waar alles zijn betekenis
137 II, 2,21 | geheimnisvolle plannen van God te begrijpen (vgl. Spr 30,1-
138 II, 2,21 | zijn weg naar de waarheid te vervolgen, put hij uit de
139 II, 2,21 | twijfel, niets onbeproefd te laten. Doordat hij steunt
140 II, 2,22 | wijsheidsboeken in hun diepte beter te waarderen. De apostel ontwikkelt
141 II, 2,22 | natuurlijke grenzen uit schijnt te stijgen: niet alleen dat
142 II, 2,22 | de zintuigen gemakkelijk te overstijgen om tot de oorsprong
143 II, 2,22 | tot de oorsprong van alles te geraken: de Schepper. Als
144 II, 2,22 | in staat om uit zichzelf te onderscheiden en te beslissen
145 II, 2,22 | zichzelf te onderscheiden en te beslissen wat goed en wat
146 II, 2,22 | vermogen om de waarheid te kennen werd sindsdien belemmerd
147 II, 2,22 | niet meer in staat helder te zien: het verstand werd
148 II, 2,23 | zijn, haar adequaat weer te geven. ~Het begin van de
149 II, 2,23 | bevredigende verklaring te geven voor de zin van het
150 II, 2,23 | het heilsplan van de Vader te herleiden tot puur menselijke
151 II, 2,23 | uitgekozen om de wijzen te schande te maken (...) En
152 II, 2,23 | om de wijzen te schande te maken (...) En het nederige
153 II, 2,23 | niets is, omdat wat iets is te vernietigen” (1Kor 1,27-
154 II, 2,23 | voorwaarde voor haar kracht te zien; maar de H. Paulus
155 II, 2,23 | Paulus aarzelt niet om te benadrukken: “Wanner ik
156 II, 2,23 | uitgekozen om dat wat iets is te vernietigen” (1Kor 1,28).
157 II, 2,23 | beschouwingen over God aanwendden, te gebruiken, om het wezen
158 II, 2,23 | onverschuldigde liefde uit te drukken, die zich in het
159 II, 2,23 | de mens naar de waarheid, te erkennen, kan zich met de
160 II, 2,23 | dwaasheid’ van het kruis te aanvaarden als de echte
161 III, 1,24 | gemeenschappelijke basis te leggen waarop hij kon beginnen
162 III, 1,24 | Welnu, wat u zonder het te kennen vereert, dat kom
163 III, 1,24 | gemaakt om overal op aarde te wonen. Hij heeft bepaalde
164 III, 1,24 | zich boven het toevallige te verheffen, om naar het oneindige
165 III, 1,24 | verheffen, om naar het oneindige te koersen. De mens heeft op
166 III, 1,24 | diepste verlangen uitdrukking te geven. Literatuur, muziek,
167 III, 1,24(22) | Ut te semper desiderando quaererent
168 III, 1,25 | Alle mensen verlangen te weten”; 23 voorwerp van
169 III, 1,25 | iedereen erin geïnteresseerd is te ontdekken hoe, boven het
170 III, 1,25 | niet alleen in staat is om te weten, maar ook weet heeft
171 III, 1,25 | vals, door zijn oordeel te vormen over de objectieve
172 III, 1,25 | naar waarheid gerespecteerd te worden, dan gaat daar nog
173 III, 1,25 | verplichting om de waarheid te zoeken en de eenmaal erkende
174 III, 1,25 | eenmaal erkende waarheid vast te houden.” 25 ~Het is dus
175 III, 1,25 | door zich in zichzelf op te sluiten, maar door zich
176 III, 1,25 | sluiten, maar door zich open te stellen om ze ook aan te
177 III, 1,25 | te stellen om ze ook aan te nemen in de dimensies die
178 III, 1,26 | wijsgeren van het ongerijmde bij te halen, of de provocerende
179 III, 1,26 | aan de zin van het leven te twijfelen. De dagelijkse
180 III, 1,26 | vraag als die naar de zin te stellen. 26 Daarbij komt
181 III, 1,27 | af: of het mogelijk is, te komen tot een universele
182 III, 1,27 | behoefte hebben om hun bestaan te verankeren in een als definitief
183 III, 1,27 | geprobeerd zo’n waarheid te ontdekken en uit te drukken,
184 III, 1,27 | waarheid te ontdekken en uit te drukken, door denksystemen
185 III, 1,27 | en -scholen in het leven te roepen. Maar boven die wijsgerige
186 III, 1,27 | filosofie’ vorm probeert te geven: daarbij gaat het
187 III, 1,27 | steeds de levendige wens om te komen tot de zekerheid van
188 III, 2,29 | vermogen om naar de waarheid te zoeken en vragen te stellen
189 III, 2,29 | waarheid te zoeken en vragen te stellen houdt namelijk reeds
190 III, 2,29 | helemaal niet beginnen iets te zoeken, waarvan hij toch
191 III, 2,29 | uitzicht, tot een antwoord te kunnen komen, kan voor hem
192 III, 2,29 | aanleiding zijn de eerste stap te zetten. Feitelijk gebeurt
193 III, 2,29 | het begin op, een antwoord te vinden, en geeft niet op
194 III, 2,29 | voldoende het dagelijks leven te bezien om vast te stellen
195 III, 2,29 | leven te bezien om vast te stellen dat ieder van ons
196 III, 2,29 | fundamenteel tot de waarheid te komen, bevestigd. ~
197 III, 2,30 | waarheid in het vervolg kort te vermelden. Het talrijkste
198 III, 2,30 | waarheid. Alvorens deze vraag te beantwoorden, moeten we
199 III, 2,31 | niet geschapen om alleen te leven. Hij wordt geboren
200 III, 2,31 | later met zijn werk deel uit te maken van de samenleving.
201 III, 2,31 | leven op steunt, kritisch te onderzoeken? Wie zou persoonlijk
202 III, 2,32 | aan andere personen toe te vertrouwen, doordat men
203 III, 2,32 | kunnen worden om dit feit te illustreren! Maar mijn gedachten
204 III, 2,32 | instemming met de waarheid te herroepen, die hij in de
205 III, 2,32 | redeneringen nodig heeft om te overtuigen, omdat zij tot
206 III, 2,33 | zijn, de zin van het leven te verklaren; het gaat dus
207 III, 2,33 | een dergelijke waarheid te ontmoeten en haar te kennen.
208 III, 2,33 | waarheid te ontmoeten en haar te kennen. Deze levensbelangrijke
209 III, 2,33 | aan een andere mens toe te vertrouwen, horen zeker
210 III, 2,33 | de concrete mogelijkheid te bieden, het doel van dit
211 III, 2,33 | dit zoeken verwerkelijkt te zien. Door bij de mens het
212 III, 2,33 | stadium van het gewone geloven te overwinnen, leidt het hem
213 III, 2,33(28) | oorzaak van het bestaan te vinden, voor elk van zijn
214 III, 2,33(28) | vrijheid naar een oplossing te zoeken die in staat is aan
215 III, 2,33(28) | leven een volle betekenis te geven. Deze vragen vormen
216 III, 2,34 | voor deze eenheid, door te laten zien dat de Schepper-God
217 III, 2,34 | verstand zoekt, “zonder het te kennen” (Hand 17,23), kan
218 III, 2,35 | wijsgerige kennen precies te bepalen. We bezien dus allereerst
219 IV, 1,36 | door de heidenen begrepen te worden konden de eerste
220 IV, 1,36 | verstandiger, zijn rede te vervlechten met het denken
221 IV, 1,36 | godsvoorstellingen van de mensen te reinigen van mythologische
222 IV, 1,36 | in hen, van het heelal te begrijpen, vonden hun eerste
223 IV, 1,36 | verstand en religie zichtbaar te maken. Omdat zij hun blik
224 IV, 1,38 | geloofsbegrip en zijn motieven te verdiepen, veronachtzaamden.
225 IV, 1,38 | onbeschaafde en lompe” 31 mensen te zijn, blijkt ongegrond en
226 IV, 1,38 | blijkt ongegrond en onwaar te zijn. De verklaring voor
227 IV, 1,38 | mogelijk maakt om bij God te komen, moeten allen in staat
228 IV, 1,38 | allen in staat zijn deze weg te kunnen gaan. De wegen om
229 IV, 1,38 | De wegen om de waarheid te bereiken zijn talrijk; toch
230 IV, 1,38 | brengende wijsbegeerte” te hebben gevonden32. Op vergelijkbare
231 IV, 1,38 | alles om haar deelachtig te worden. Wijsgeren noemen
232 IV, 1,39 | Origenes zeker uitnemend. Om te antwoorden op de door Celsus
233 IV, 1,39 | gedane aanvallen en hen te pareren, neemt Origenes
234 IV, 1,39 | op, zich er duidelijk van te onderscheiden. De geschiedenis
235 IV, 1,40 | om die radicale bekering te voltrekken waartoe hem de
236 IV, 1,40 | oogmerk hier bevolen werd te geloven wat niet bewezen
237 IV, 1,40 | bewezen werd - of het nu wel te bewijzen was, maar niet
238 IV, 1,40 | ieder, of überhaupt niet te bewijzen was - terwijl de
239 IV, 1,40 | moest geloven die nooit te bewijzen waren” 38. Dezelfde
240 IV, 1,40 | dat zij weliswaar het na te streven doel kenden, maar
241 IV, 1,40 | en theologische denken op te stellen, waarin de stromingen
242 IV, 1,40 | hoeveelheid materiaal in te brengen, dat, door terug
243 IV, 1,40 | brengen, dat, door terug te grijpen op de ervaring,
244 IV, 1,41 | oppervlakkig om hun werk te vernauwen tot de loutere
245 IV, 1,41 | namelijk om volledig zichtbaar te laten worden wat zich nog
246 IV, 1,41 | hadden, als gezegd, de taak te laten zien hoe het van uitwendige
247 IV, 1,41 | op passender wijze open te stellen voor het transcendente.
248 IV, 1,41 | elementen alsook de verschillen te erkennen, die deze met betrekking
249 IV, 1,42 | oordeel over de geloofsinhoud te formuleren; het zou er,
250 IV, 1,42 | is het zijn taak, een zin te vinden, redenen te ontdekken,
251 IV, 1,42 | een zin te vinden, redenen te ontdekken, die het allen
252 IV, 1,42 | begrijpen van de geloofsinhoud te komen. De H. Anselmus onderstreept
253 IV, 1,42 | hoe meer ze bemint, des te meer verlangt zij naar kennis.
254 IV, 1,42 | zijn verlangen lag: “Ad te videndum factus sum; et
255 IV, 1,42 | dus toe om steeds verder te gaan; ja, het wordt stilaan
256 IV, 1,42(42) | Ik ben geschapen om U te zien; en ik heb nog niet
257 IV, 2,43 | de nodige kracht om zich te verheffen tot de kennis
258 IV, 2,43 | de wereld en haar waarden te loochenen, zonder echter
259 IV, 2,43 | de bovennatuurlijke orde te veronachtzamen.” 47 ~
260 IV, 2,44 | geloof en met de Godskennis te begrijpen. De wijsheid kent
261 IV, 2,44 | grenzen de werkelijkheid te onderzoeken, en de theologische
262 IV, 3,45 | hebben om zich succesvol te wijden aan de verschillende
263 IV, 3,45 | Sommigen begonnen zich te bekennen tot een algemeen,
264 IV, 3,45 | om het geloof meer ruimte te gunnen ofwel echter om elke
265 IV, 3,45 | het verstand in diskrediet te brengen. Wat het patristische
266 IV, 3,46 | Jezus Christus in rationeel te vatten dialectische structuren
267 IV, 3,46 | dialectische structuren om te vormen. Tegen dit denken
268 IV, 3,46 | zich als nieuwe religies te presenteren; daarmee was
269 IV, 3,46 | schijnen niet alleen toe te geven aan een logica die
270 IV, 3,46 | op onze tijdgenoten over te brengen. Zijn aanhangers
271 IV, 3,46 | doel van de waarheid ooit te bereiken. Volgens de nihilistische
272 IV, 3,47 | gevaarlijk het is deze weg te verabsoluteren, heb ik reeds
273 IV, 3,47 | heeft voortgebracht; maar al te snel en vaak onvoorzien
274 IV, 3,47 | belangrijkste hoofdstuk te zijn van het drama van het
275 IV, 3,47 | waarheid omwille van haarzelf te willen zoeken, en als hun
276 IV, 3,47 | langer is toegerust, het ware te kennen en naar het absolute
277 IV, 3,47 | kennen en naar het absolute te zoeken. ~
278 IV, 3,48 | aanzetten in hun denken zijn te zien die, als ze met juist
279 IV, 3,48 | om de weg van de waarheid te ontdekken. Deze aanzetten
280 IV, 3,48 | aanzetten zijn bijvoorbeeld te vinden in de grondige analyses
281 IV, 3,48 | echte zin van zijn bestaan te zoeken. Dat neemt echter
282 IV, 3,48 | meer is. Het is een illusie te menen dat het geloof grotere
283 IV, 3,48 | het loopt het grote gevaar te verworden tot mythe respectievelijk
284 IV, 3,48 | aanleiding zien om de blik te richten op de nieuwheid
285 IV, 3,48 | harmonie met hun natuur te staan, zonder hun wederzijdse
286 IV, 3,48 | wederzijdse autonomie afbreuk te doen. De parrhesia (vrijmoedigheid)
287 V, 1,49 | haar specifieke methoden te werk zou gaan, zou niet
288 V, 1,49 | die de filosofie geniet, te kennen aan het feit dat
289 V, 1,49 | van het leergezag om in te grijpen, om de lacunes van
290 V, 1,49 | falend filosofisch betoog aan te vullen. Het is daarentegen
291 V, 1,49 | om duidelijk en beslist te reageren, wanneer twijfelachtige
292 V, 1,50 | van het leergezag om aan te geven welke filosofische
293 V, 1,50 | tegelijkertijd de eisen te formuleren die aan de wijsbegeerte,
294 V, 1,50 | verantwoordelijkheid op om zijn oordeel uit te spreken over de verenigbaarheid
295 V, 1,50 | Kerk heeft de plicht om te laten zien wat in een wijsgerig
296 V, 1,50 | getuigen van de waarheid” te zijn, bij de uitoefening
297 V, 1,51 | mogelijke bemiddeling uit te sluiten of in te perken.
298 V, 1,51 | bemiddeling uit te sluiten of in te perken. Integendeel, zijn
299 V, 1,51 | het wijsgerige denken op te wekken, te bevorderen en
300 V, 1,51 | wijsgerige denken op te wekken, te bevorderen en te bemoedigen.
301 V, 1,51 | wekken, te bevorderen en te bemoedigen. De filosofen
302 V, 1,51 | en de noodzaak om de al te enge grenzen te overschrijden
303 V, 1,51 | om de al te enge grenzen te overschrijden waarbinnen
304 V, 1,51 | maken de totale waarheid te bevatten; dit geldt ook
305 V, 1,51 | licht van het geloof des te dringender gevraagd: een
306 V, 1,51 | geldigs en vruchtbaars bieden, te onderscheiden van wat bij
307 V, 1,51 | aan, zichzelf niet de weg te versperren die leidt tot
308 V, 1,52 | wijsgerige doctrines bekend te maken. Als voorbeelden in
309 V, 1,52 | besloten liggen; 57 niet te vergeten de meer systematische
310 V, 1,52 | stromingen van het moderne denken te confronteren met hun eigen
311 V, 1,52 | kerkelijk leergezag ervoor te waken dat deze filosofieën
312 V, 1,53 | eenheid van de waarheid te onderstrepen en daarmee
313 V, 1,54 | goddelijke en menselijke waarheid te beschermen en haar in de
314 V, 1,54 | de harten van de mensen te planten, deze meer of minder
315 V, 1,54 | kunnen worden als zij van te voren niet goed gekend waren,
316 V, 1,54 | theologische, preciezer te bespreken en te evalueren.” 69 ~
317 V, 1,54 | preciezer te bespreken en te evalueren.” 69 ~Tenslotte
318 V, 1,54 | ingrijpen, om nadrukkelijk te wijzen op het gevaar dat
319 V, 1,55 | mogelijkheid om überhaupt in God te geloven, niet erkent. Een
320 V, 1,55 | criterium van de waarheid te maken. Zo komt men ertoe
321 V, 1,55 | alleen met de heilige Schrift te vereenzelvigen en aldus
322 V, 1,55 | aldus de kerkelijke leer te ondergraven, die het Tweede
323 V, 1,55(72) | deze mysteries) precies zo te doorgronden als de waarheden,
324 V, 1,55(72) | wetenschappelijke conclusies te verdedigen, maar sterker
325 V, 1,55(72) | verplicht die als dwalingen te beschouwen, die de bedrieglijke
326 V, 1,55 | heilige Schrift naar voren te brengen met gebruik van
327 V, 1,55 | van exegese in ruimere zin te negeren, terwijl die toch
328 V, 1,55 | latent fideïsme zijn evenzeer te herkennen aan het geringe
329 V, 1,56 | aanmoedigen, vertrouwen te stellen in de capaciteiten
330 V, 1,56 | hun filosoferen niet al te bescheiden doelen te stellen.
331 V, 1,56 | al te bescheiden doelen te stellen. De les van de geschiedenis
332 V, 1,56 | waarheid en de wens, haar te zoeken, verbonden met de
333 V, 1,56 | de moed om nieuwe wegen te ontdekken, mogen niet verloren
334 V, 1,56 | uit elk mogelijk isolement te treden en voor alles wat
335 V, 1,56 | mooi, goed en waar is, iets te riskeren. Zo wordt het geloof
336 V, 2,57 | laten zien, welke wegen in te slaan. In deze zin zette
337 V, 2,57 | ontwikkelde haar verder door te laten zien dat het wijsgerige
338 V, 2,57 | beste weg toe om weer zó om te gaan met de wijsbegeerte
339 V, 2,58 | studies Vaticanum II veel te danken heeft, zijn kinderen
340 V, 2,59 | van het geloof trachtten te verenigen met het perspectief
341 V, 2,60 | solide wijsgerige vorming te garanderen, vooral voor
342 V, 2,60 | daarop een passend antwoord te geven. 84 ~
343 V, 2,61 | wijsbegeerte als zodanig, is toe te schrijven. Met verwondering
344 V, 2,61 | mens grotendeels achterwege te laten, terwijl men de aandacht
345 V, 2,61 | deze wetenschappen eigen te maken en ze, waar nodig,
346 V, 2,61 | hun onderzoek correct toe te passen, mag echter niet
347 V, 2,61 | alleen maar in de marge te behandelen of zelfs te vervangen.
348 V, 2,61 | marge te behandelen of zelfs te vervangen. Tenslotte mag
349 V, 2,62 | 62. Ik wens duidelijk te herhalen dat de studie van
350 V, 2,63 | Kerk in de wijsbegeerte te benadrukken; immers, het
351 V, 2,63 | verplichting om precies te onderscheiden en een wijsgerig
352 V, 2,63 | en een wijsgerig denken te stimuleren dat niet vijandig
353 V, 2,63 | beginselen en referentiepunten te presenteren die ik noodzakelijk
354 V, 2,63 | wijsbegeerte en godgeleerdheid te kunnen opbouwen. In het
355 V, 2,63 | om met grotere helderheid te testen, of de theologie
356 VI, 1,64 | theologen bepaalde methoden aan te bevelen, aangezien dat niet
357 VI, 1,64 | theologie in herinnering te brengen, die, krachtens
358 VI, 1,65 | door speculatief onderzoek te antwoorden op de specifieke
359 VI, 1,65 | ontwikkeling van haar leer, uit te leggen, maar ook om de wijsgerige
360 VI, 1,65 | wijsgerige systemen ten diepste te kennen, die deze begrippen
361 VI, 1,65 | consistente interpretaties ervan te formuleren. ~
362 VI, 1,66 | de mensheid, in het licht te stellen. Van het geheel
363 VI, 1,66 | de vorm van de redenering te presenteren. Dat moet zij
364 VI, 1,66 | op kritische en algemeen te communiceren wijze. Want
365 VI, 1,66 | is, niet aanschouwelijk te maken zijn. Datzelfde geldt
366 VI, 1,66 | staat zijn deze kennis uit te drukken in begrippen en
367 VI, 1,67 | uitdrukkelijk en naar waarheid ook te spreken van datgene dat
368 VI, 1,67 | geloof voorbereidende weg te erkennen die kan uitlopen
369 VI, 1,67 | maar in het geringste aan te tasten. 90 ~Op gelijke wijze
370 VI, 1,67 | fundamentele eis om zich te presenteren door een verstand
371 VI, 1,67 | vrijheid zijn toestemming te geven. Zo zal het geloof “
372 VI, 1,67 | om van het geloof gebruik te maken om de horizonten te
373 VI, 1,67 | te maken om de horizonten te ontdekken die het alleen
374 VI, 1,68 | leerstellingen en geboden. Om ze toe te passen op de bijzondere
375 VI, 1,68 | denkkracht tot het uiterste in te zetten. Dat wil, met andere
376 VI, 1,69 | concrete, afzonderlijke geval te blijven staan, en daarmee
377 VI, 1,69 | daarmee de voornaamste taak te verwaarlozen, die erin bestaat
378 VI, 1,69 | karakter van de geloofsinhoud te laten zien. Bovendien mag
379 VI, 1,69 | levensopvattingen alsook in de culturen te leren kennen, “niet wat
380 VI, 1,70 | leerlingen om overal heen te gaan, “tot aan de grenzen
381 VI, 1,70 | geopenbaarde waarheid door te geven, bracht de christelijke
382 VI, 1,70 | de culturen ontstonden, te erkennen. Een passage uit
383 VI, 1,70 | biedt een goede hulp om te begrijpen hoe de eerste
384 VI, 1,70 | familie van Gods kinderen deel te hebben. Christus staat beide
385 VI, 1,70 | beide volkeren toe, ‘een’ te worden. Zij die ‘veraf’
386 VI, 1,71 | zij aan het vermogen, open te blijven voor de opname van
387 VI, 1,71 | goddelijke openbaring aan te nemen. ~De wijze waarop
388 VI, 1,71 | beetje bij beetje die cultuur te vormen. De christenen brengen
389 VI, 1,71 | afzonderlijke ontvangers vast te houden aan het geloof; ze
390 VI, 1,71 | hun culturele eigenheid te bewaren. Dat brengt geen
391 VI, 1,71 | dwingen uiterlijke vormen aan te nemen die niet bij haar
392 VI, 1,71 | zelfs aangemoedigd zich open te stellen voor het nieuwe
393 VI, 1,71 | om daaruit aansporingen te ontvangen voor nieuwe ontwikkelingen. ~
394 VI, 1,72 | het Indiase denken ertoe, te zoeken naar een ervaring,
395 VI, 1,72 | rijke erfgoed de elementen te nemen die met zijn geloof
396 VI, 1,72 | in een vruchtbare dialoog te treden met die culturen,
397 VI, 1,72 | oorspronkelijkheid niet te verwisselen met het idee
398 VI, 1,73 | helpen om Gods woord beter te verstaan. Het is niet zo
399 VI, 1,73 | daarentegen aangespoord om wegen te verkennen waarvan ze uit
400 VI, 1,74 | alle visies uit hun denken te onderschrijven, maar alleen
401 VI, 1,74 | om sprekende voorbeelden te geven van een wijsgerige
402 VI, 1,74 | dienste van de mensheid te stellen. Het is te hopen
403 VI, 1,74 | mensheid te stellen. Het is te hopen dat er nu en in de
404 VI, 2,75 | een autonome onderneming te zijn, die gehoorzaamt aan
405 VI, 2,75 | goddelijke openbaring af te wijzen, schaadt de wijsbegeerte
406 VI, 2,76 | worden: hij bedoelt geenszins te suggereren dat er een officiële
407 VI, 2,76 | manier van filosoferen aan te duiden, een filosofisch
408 VI, 2,76 | tegenspraak met het geloof te komen. De term christelijke
409 VI, 2,76 | de moed om kwesties aan te pakken die hij zonder de
410 VI, 2,76 | het probleem van het kwaad te vinden. De notie van de
411 VI, 2,76 | Schrift uitgesproken waarheden te onderzoeken, zoals de mogelijkheid
412 VI, 2,76 | die de rede ertoe uitdagen te erkennen dat er waarheid
413 VI, 2,76 | geprobeerd, de geloofswaarheden te begrijpen en te duiden vanuit
414 VI, 2,76 | geloofswaarheden te begrijpen en te duiden vanuit de openbaring.
415 VI, 2,77 | begrippen en argumenten te werken. Bovendien heeft
416 VI, 2,77 | waarheid van haar aanspraken te bevestigen. Het was niet
417 VI, 2,77 | onderwerping van de filosofie aan te geven of een puur functionele
418 VI, 2,77 | lopen, onbewust filosofie te bedrijven en zich op te
419 VI, 2,77 | te bedrijven en zich op te sluiten in denkstructuren
420 VI, 2,77 | inhoud van het geloof meester te worden, zoals dat bij enkele
421 VI, 2,78 | kwesties een standpunt in te nemen noch om instemming
422 VI, 2,78 | met bepaalde opvattingen te eisen. Het was en is ook
423 VI, 2,78 | bedoeling van het leergezag, te laten zien dat de H. Thomas
424 VI, 2,78 | Openbaring was gebracht, te verdedigen zonder ooit de
425 VI, 2,78 | de eigen weg van de rede te vernederen. ~
426 VI, 2,79 | 79. Door verder uit te werken wat het leergezag
427 VI, 2,79 | het vermogen om bevraagd te worden en vragen te stellen,
428 VI, 2,79 | bevraagd te worden en vragen te stellen, mogen verliezen.
429 VI, 2,79 | onderzoek verlichten. Om kort te gaan, de christelijke Openbaring
430 VII, 1,80 | van het menselijk bestaan te niet doen. ~Ook het probleem
431 VII, 1,80 | zijn antwoord door de mens te wijzen op Jezus Christus,
432 VII, 1,80 | geschapen wereld en God zelf te begrijpen. De uitdaging
433 VII, 1,80 | opgeroepen, zich een logica eigen te maken die de muren neerhaalt
434 VII, 1,80 | waarachter ze zich dreigt te verschansen. Eerst hier
435 VII, 1,81 | weefsel van het leven schijnen te vormen, zich afvragen of
436 VII, 1,81 | zin heeft om over “zin” te praten. De meerderheid van
437 VII, 1,81 | ernstige risico lopen de rede te herleiden tot louter instrumentele
438 VII, 1,81 | waarheid. ~Om in harmonie te zijn met het woord van God
439 VII, 1,81 | wijsbegeerte om in het reine te komen met haar eigen natuur.
440 VII, 1,81 | haar eigen natuur. Door dat te doen zal zij niet alleen
441 VII, 1,81 | wijsheidsdimensie is tegenwoordig te meer nodig, omdat de reusachtige
442 VII, 1,81 | wijsbegeerte uit om mee te doen in het zoeken naar
443 VII, 1,82 | vermogen om de waarheid te kennen verifieert, om te
444 VII, 1,82 | te kennen verifieert, om te komen tot een kennis die
445 VII, 1,82 | filosofie zou ongeschikt zijn om te helpen bij de diepere verkenning
446 VII, 1,82 | die in het woord van God te vinden is. De heilige Schrift
447 VII, 1,82 | deze verklaringen tracht te begrijpen en uit te leggen,
448 VII, 1,82 | tracht te begrijpen en uit te leggen, heeft de theologie
449 VII, 1,82 | ware, zij het altijd nog te vervolmaken kennis niet
450 VII, 1,83 | empirische gegevens uit te stijgen om bij haar zoeken
451 VII, 1,83 | waarheid iets absoluuts te bereiken, iets ultiems en
452 VII, 1,83 | het om het zedelijk goede te kennen, dat zijn diepste
453 VII, 1,83 | onvolkomen en analoge wijze, te kennen. Zo begrepen mag
454 VII, 1,83 | waardigheid een grondslag te geven. Op een speciale manier
455 VII, 1,83 | millennium, de overgang te voltrekken van fenomeen
456 VII, 1,83 | openbaring als middelares te functioneren. Het woord
457 VII, 1,83 | in staat zijn, om verder te gaan dan de analyse van
458 VII, 1,83 | geopenbaarde waarheid omvattend uit te drukken. ~Als ik zo sterk
459 VII, 1,83 | overtuigd ben dat dit de te nemen weg is om de crisissituatie
460 VII, 1,83 | is om de crisissituatie te overwinnen die tegenwoordig
461 VII, 1,83 | verkeerde gedragswijzen te corrigeren. ~
462 VII, 1,84 | werken neigen ertoe om stil te staan bij de vraag, hoe
463 VII, 1,84 | verwoord wordt, zonder verder te gaan om te zien of de rede
464 VII, 1,84 | zonder verder te gaan om te zien of de rede de essentie
465 VII, 1,84 | neigen de geloofsinhouden te verduisteren of hun algemene
466 VII, 1,84 | hun algemene geldigheid te ontkennen, dan onderdrukken
467 VII, 1,84 | werkelijkheid op universele wijze te verwoorden - analoog, dat
468 VII, 1,84 | staat zijn iets over God te zeggen. De interpretatie
469 VII, 1,84 | andere, zonder ons ooit te brengen tot een uitspraak
470 VII, 1,85 | dat de mens in staat is, te komen tot een uniforme en
471 VII, 1,85 | mens van vandaag ervan af, te komen tot een innerlijke
472 VII, 1,85 | weglopen voor de plicht om dat te ondernemen. ~Ik geloof dat
473 VII, 1,85 | de grootse traditie die, te beginnen bij de Ouden, via
474 VII, 1,85 | naar eigen goeddunken over te beschikken. Juist door in
475 VII, 1,85 | in de traditie geworteld te zijn, zullen we vandaag
476 VII, 1,85 | constructieve wijze van denken te ontwikkelen. Hetzelfde appèl
477 VII, 1,85 | ononderbroken wijsgerige traditie te herwinnen, die door haar
478 VII, 1,86 | bedoeld om het gevaar af te wenden dat schuilt in sommige
479 VII, 1,86 | zij het kort- daarop in te gaan, teneinde hun dwalingen
480 VII, 1,86 | teneinde hun dwalingen aan te stippen en de daaruit volgende
481 VII, 1,86 | ertoe neigen om gebruik te maken van losse ideeën die
482 VII, 1,86 | het gevaar, niet in staat te zijn om het waarheidsgehalte
483 VII, 1,86 | van een bepaalde doctrine te onderscheiden van elementen
484 VII, 1,86 | ernstig en wetenschappelijk te formuleren. De consequente
485 VII, 1,86 | gevaar van eclecticisme te overwinnen en maakt het
486 VII, 1,86 | en maakt het mogelijk ze te integreren in de theologische
487 VII, 1,87 | doctrine uit het verleden juist te verstaan is het nodig die
488 VII, 1,87 | verstaan is het nodig die te plaatsen in zijn eigen historische
489 VII, 1,87 | opvattingen van vroeger te illustreren, maar voor het
490 VII, 1,88 | waarde van kennisvormen toe te geven, anders dan die van
491 VII, 1,88 | verwerpt om de weg vrij te maken voor pure en eenvoudige
492 VII, 1,88 | van het menselijk leven te beheersen door technologische
493 VII, 1,88 | technologische vooruitgang. De niet te ontkennen triomf van het
494 VII, 1,88 | een sciëntistische visie te propageren die nu grenzeloos
495 VII, 1,88 | het sciëntisme alles wat te maken heeft met de kwestie
496 VII, 1,88 | mentaliteit erin geslaagd velen te laten denken dat als iets
497 VII, 1,90 | verworpen, de horizon schijnt te vormen. Ik bedoel de nihilistische
498 VII, 1,90 | gelijkenis met God van het gelaat te wissen, en hem zo te brengen
499 VII, 1,90 | gelaat te wissen, en hem zo te brengen tot ofwel een vernietigende
500 VII, 1,90 | ontzegd is, is het een illusie te trachten hen vrij te maken.
1-500 | 501-588 |