Chapter, Paragraph, Number
1 I, 2,15 | respecteert ten diepste de autonomie van het schepsel en zijn
2 II, 1,16 | Het grijpt niet in om de autonomie van het verstand teniet
3 IV, 3,45 | wetenschappen de nodige autonomie toekenden, die ze nodig
4 IV, 3,48 | zonder hun wederzijdse autonomie afbreuk te doen. De parrhesia (
5 V, 1,49 | diepste is de oorsprong van de autonomie die de filosofie geniet,
6 VI, 1,67 | eigen beginselen en hun autonomie ook maar in het geringste
7 VI, 2,75 | aanspraak op een juiste autonomie van denken moet gerespecteerd
8 VI, 2,75 | niet alleen een gewettigde autonomie op, maar een autarkie van
9 VI, 2,77 | bevestigt de waarde van de autonomie van de wijsbegeerte die
10 VI, 2,77 | gegeven het beginsel van de autonomie waarnaar we verwezen hebben,
11 VI, 2,77 | de grondbeginselen van de autonomie zich voordoen, die elke
12 VI, 2,79 | ontdekkingen en in haar legitieme autonomie kunnen onderdrukken; omgekeerd
13 VII, 1,80 | leidt iedere illusie van autonomie, die de essentiële afhankelijkheid
14 VII, 1,80 | natuur ieder in hun eigen autonomie bewaard, en tegelijk openbaart
15 Slot, 0,108| wijsgerige denken niets van zijn autonomie, wanneer het luistert naar
|