Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | waar ga ik heen? Waarom is er het kwade? Wat zal er
2 Inl, 0,2 | 2. De Kerk is geen vreemdeling op deze
3 Inl, 0,2 | geschenk heeft ontvangen, is zij tot pelgrim op de straten
4 Inl, 0,2 | de Waarheid en het Leven” is (Joh 14,6). Onder de verschillende
5 Inl, 0,2 | mensheid aan te bieden heeft, is er een die haar verantwoordelijkheid
6 Inl, 0,2 | steeds slechts een etappe is op de weg naar die volledige
7 Inl, 0,3 | tijd toen de mens begonnen is, vragen te stellen over
8 Inl, 0,3 | natuur van de mens hoort. Het is een eigenschap die zijn
9 Inl, 0,3 | eigenschap die zijn verstand is aangeboren, naar de betekenis
10 Inl, 0,3 | komen. Hoezeer dat het geval is bewijst de omstandigheid
11 Inl, 0,3 | kennis zelfs aanwijsbaar is in de postulaten die de
12 Inl, 0,4 | hij ontdekt dat hij deel is van de wereld en in betrekking
13 Inl, 0,4 | loyaal moet dienen. ~Zo is het mogelijk om ondanks
14 Inl, 0,4 | iedereen zich ervan bewust is, deze beginselen, zij het
15 Inl, 0,4 | Wanneer de rede in staat is, de eerste en algemene beginselen
16 Inl, 0,5 | ook altijd toe geroepen is, zich tot de waarheid te
17 Inl, 0,5 | gelijkwaardig zijn. Dat is een van de meest verbreide
18 Inl, 0,5 | optreedt. Binnen dit raam is alles teruggebracht tot
19 Inl, 0,5 | er enerzijds in geslaagd is om op de weg te komen die
20 Inl, 0,5 | deze vragen te krijgen, is dus verdwenen. ~
21 Inl, 0,6 | aspecten van de waarheid is, alsook tot alle mensen
22 Inl, 0,6 | drang tot dit initiatief is voor mij vooral het door
23 Inl, 0,6 | Getuigen van de waarheid is dus een taak die aan ons
24 Inl, 0,6 | die aan ons bisschoppen is opgedragen; daarvan kunnen
25 Inl, 0,6 | hoe versnipperd het aanbod is, dat het vergankelijke tot
26 Inl, 0,6 | naar wat de moeite waard is om te leven. De wijsbegeerte,
27 Inl, 0,6 | waarin haar geschiedenis is ingebed. ~
28 I, 1,7 | grondslag, dat zij de draagster is van een boodschap die haar
29 I, 1,8 | kennis bestaat, die eigen is aan het geloof. Deze kennis
30 I, 1,8 | het geloof. Deze kennis is de uitdrukking van een waarheid
31 I, 1,8 | een waarheid die zeker is, omdat God noch bedriegt,
32 I, 1,9 | de waarheid die verkregen is door wijsgerig denken en
33 I, 1,9 | hulp van de genade geniet, is inderdaad van een andere
34 I, 1,10 | van de gehele openbaring is, de meest innerlijke waarheid”. 8 ~
35 I, 1,11 | 11. Zo is de openbaring ingebed in
36 I, 1,11 | zijn leven heeft gegeven, is daarom ingebed in tijd en
37 I, 1,11 | tijd en geschiedenis. En ze is eens voor altijd in het
38 I, 1,12 | voor ons het vertrouwdste is en gemakkelijk verifieerbaar,
39 I, 1,12 | uitdrukking gekomen waarheid is aldus niet meer opgesloten
40 I, 2,13 | aanschijn van de Vader, want Hij is immers gekomen “om Gods
41 I, 2,13 | van dit aanschijn hebben, is steeds getekend door het
42 I, 2,13 | gehoorzaam antwoord aan God is. Dat veronderstelt echter,
43 I, 2,13 | God die zich laat kennen, is in het gezag van zijn absolute
44 I, 2,13 | betekenis aan te nemen. Daarom is de akt, waarmee men zich
45 I, 2,13 | waarin de hele persoon is betrokken. Rede en wil zetten
46 I, 2,13 | beleefd wordt15. In het geloof is de vrijheid dus niet simpelweg
47 I, 2,13 | niet simpelweg aanwezig: ze is vereist. Ja, het geloof
48 I, 2,13 | akt van zijn bestaan; hier is het dat de vrijheid de zekerheid
49 I, 2,13 | waarop het terecht trots is, het geheim van binnenuit
50 I, 2,13 | begrijpen. In die tekens is dus reeds een verborgen
51 I, 2,13 | mysterie te bevatten. Christus is in de eucharistie waarlijk
52 I, 2,13 | natuur. Wat daar verschijnt is een teken: het verbergt
53 I, 2,13(15) | mens volledig afhankelijk is van God als zijn Schepper
54 I, 2,13(15) | rede geheel onderworpen is aan de ongeschapen waarheid,
55 I, 2,13 | onder de mensen onherkend is gebleven, zo onderscheidt
56 I, 2,14 | begonnen te ondernemen, en wat is mij gelukt? Waarheen ging
57 I, 2,14 | kunnen voorstellen, maar dat is onmogelijk.” 20 ~
58 I, 2,15 | christelijke openbaring is de ware leidstér voor de
59 I, 2,15 | technocratische logica; zij is de uiterste mogelijkheid
60 I, 2,15 | met de schepping begonnen is, volledig terug te vinden.
61 I, 2,15 | inzoverre hij nog in staat is de blik boven zichzelf en
62 I, 2,15 | volbrengen?” Nee, het woord is dichtbij u, in uw mond en
63 I, 2,15 | openbaring ons laat kennen, is niet de rijpe vrucht of
64 I, 2,15 | Deze geopenbaarde waarheid is de in onze geschiedenis
65 I, 2,15 | aanschouwing van God, die is voorbehouden aan hen die
66 I, 2,15 | menselijke bestaan als persoon is dus studieobject van zowel
67 II, 1,16 | 16. Hoe diep de samenhang is tussen geloofs- en verstandskennis,
68 II, 1,16 | lezen van deze bladzijden, is het feit dat in deze teksten
69 II, 1,16 | geloof van Israël vervat is, maar ook de rijkdom van
70 II, 1,16 | ten leven geroepen. ~Het is geen toeval dat de heilige
71 II, 1,16 | wijsheid toelegt en die eropuit is om inzicht te krijgen; die
72 II, 1,16 | op een plek waar het goed is. Hij plaatst zijn kinderen
73 II, 1,16 | 20-27) ~Zoals men ziet is voor de geïnspireerde schrijver
74 II, 1,16 | Dankzij het denkvermogen is aan allen, gelovigen en
75 II, 1,16 | uit het Boek der Spreuken is in deze samenhang veelbetekenend: “
76 II, 1,17 | 17. Er is dus geen reden voor het
77 II, 1,17 | verwezenlijken. Opnieuw is het het Boek der Spreuken
78 II, 1,17 | wijst met de uitroep: “Het is Gods eer, een zaak te verhullen,
79 II, 1,17 | maar de eer van de koning is het, een zaak uit te zoeken” (
80 II, 1,17 | zijn eer uit; aan de mens is het, met zijn verstand te
81 II, 1,17 | gedachten, hoe geweldig is hun aantal! Wilde ik ze
82 II, 1,17 | Het streven naar kennis is zo groot en is verbonden
83 II, 1,17 | naar kennis is zo groot en is verbonden met een dergelijke
84 II, 1,18 | te verhelderen. De eerste is dat het kennen van de mens
85 II, 1,18 | kennen van de mens een weg is die geen stilstand kent;
86 II, 1,18 | meent dat alles de vrucht is van persoonlijke verwerving;
87 II, 1,18 | hij veel dingen weet, maar is in werkelijkheid niet in
88 II, 1,18 | ver gaat, te beweren: “Er is geen God” (vgl. Ps 14,1),
89 II, 1,18 | ontoereikend zijn weten is en hoe ver hij af staat
90 II, 1,19 | mens met zijn rede in staat is, “de opbouw van de wereld
91 II, 1,19 | woord, dat hij in staat is te filosoferen, zet hij
92 II, 1,19 | die hem op de weg gelegd is door zijn vrije wil en zijn
93 II, 1,20 | De vrees voor de Heer is het begin van de kennis” (
94 II, 2,21 | Spr 30,1-6). De gelovige is echter ondanks de beproeving
95 II, 2,22 | denken, niet meer verbannen is naar de zintuiglijke kennis;
96 II, 2,22 | wordt bevestigd. De apostel is ervan overtuigd dat in het
97 II, 2,22 | worden van zijn Schepper, is dit gemakkelijke opstijgen
98 II, 2,22 | Gen 2,17). Het symbool is duidelijk: de mens was niet
99 II, 2,22 | oorsprong van de waarheid is. Weer is het de apostel
100 II, 2,22 | van de waarheid is. Weer is het de apostel die uiteenzet,
101 II, 2,23 | gekruisigde Zoon van God is de historische gebeurtenis
102 II, 2,23 | de wijsbegeerte uitdaagt is de dood van Jezus Christus
103 II, 2,23 | aan het kruis. Want hier is iedere poging, het heilsplan
104 II, 2,23 | mislukken gedoemd. “Waar is een wijze? Waar een schriftgeleerde?
105 II, 2,23 | God wil verwezenlijken, is niet langer de wijsheid
106 II, 2,23 | mens voldoende, maar er is een bewuste stap naar het
107 II, 2,23 | uitgekozen: dat wat niets is, omdat wat iets is te vernietigen” (
108 II, 2,23 | niets is, omdat wat iets is te vernietigen” (1Kor 1,
109 II, 2,23 | de wereld dat wat niets is, uitgekozen om dat wat iets
110 II, 2,23 | uitgekozen om dat wat iets is te vernietigen” (1Kor 1,
111 II, 2,23 | waarvan zij de draagster is. Wat een uitdaging voor
112 II, 2,23 | reeds uit zichzelf in staat is de onophoudelijke zelfoverstijging
113 III, 1,24 | tastenderwijs zouden vinden; Hij is immers niet ver van ieder
114 III, 1,24 | streven en het zoeken naar God is diep in het mensenhart gezaaid.
115 III, 1,24 | bewezen dat hij in staat is, aan dit diepste verlangen
116 III, 1,25 | voorwerp van dit verlangen is de waarheid. Zelfs het leven
117 III, 1,25 | iedereen erin geïnteresseerd is te ontdekken hoe, boven
118 III, 1,25 | in waarheid zijn. De mens is het enige wezen in de hele
119 III, 1,25 | dat niet alleen in staat is om te weten, maar ook weet
120 III, 1,25 | hetgeen voor hem zichtbaar is. De mens kan niet oprecht
121 III, 1,25 | hij ontdekt dat zij vals is, verwerpt hij haar; wanneer
122 III, 1,25 | waarheid ervan kan vaststellen, is hij tevreden. Dat is de
123 III, 1,25 | vaststellen, is hij tevreden. Dat is de leer van de H. Augustinus,
124 III, 1,25 | onderzoek op theoretisch gebied is het praktische. Want door
125 III, 1,25 | vast te houden.” 25 ~Het is dus nodig dat de aanvaarde
126 III, 1,25 | die boven hem uitgaan. Dat is een wezenlijke voorwaarde,
127 III, 1,26 | onvermijdelijkheid van onze dood is. Gegeven dit verontrustende
128 III, 1,26 | dit verontrustende feit is het zoeken naar een volledig
129 III, 1,26 | definitieve einde van zijn bestaan is, óf of er nog iets is dat
130 III, 1,26 | bestaan is, óf of er nog iets is dat over de dood heen reikt;
131 III, 1,26 | de dood van Socrates, en is het meer dan tweeduizend
132 III, 1,26 | lang daardoor getekend. Het is dus absoluut geen toeval
133 III, 1,27 | zoektocht af: of het mogelijk is, te komen tot een universele
134 III, 1,27 | als ze werkelijk waarheid is, universeel. Wat waar is,
135 III, 1,27 | is, universeel. Wat waar is, moet voor allen en voor
136 III, 1,27 | die niet meer onderworpen is aan de twijfel. De filosofen
137 III, 2,28 | zoeken naar de waarheid is inderdaad niet altijd zo
138 III, 2,28 | wegvlucht, omdat hij bang is voor haar eisen. Desondanks
139 III, 2,29 | 29. Het is ondenkbaar dat een zoeken
140 III, 2,29 | zoeken dat zo diep geworteld is in de menselijke natuur
141 III, 2,29 | verlangen naar de waarheid is zo diep geworteld in het
142 III, 2,29 | bestaan zou bedreigen. Het is tenslotte voldoende het
143 III, 2,29 | men ook daarom overtuigd is, omdat men de ervaring heeft,
144 III, 2,30 | 30. Het is misschien nuttig om deze
145 III, 2,30 | Zoals ik al gezegd heb, is iedere mens in zekere zin
146 III, 2,31 | 31. De mens is niet geschapen om alleen
147 III, 2,31 | naar de waarheid zoekt, is dus ook degene die leeft
148 III, 2,32 | verworven kennis. Daarin is een betekenisvolle spanning
149 III, 2,32 | van de persoon: wat hij is en wat hij van zijn innerlijk
150 III, 2,32 | veiligheid. tegelijkertijd is de kennis door het geloof,
151 III, 2,32 | martelaren. De martelaar is inderdaad de betrouwbaarste
152 III, 2,32 | gehoor en navolging. Dat is de reden waarom men op hun
153 III, 2,33 | de waarheid. Dit zoeken is niet alleen voor de toe-eigening
154 III, 2,33 | het denken vervat liggen is de mens in staat, een dergelijke
155 III, 2,33 | verstand bij zijn zoeken is aangewezen op de ondersteuning
156 III, 2,33 | Christus, die de waarheid is, erkent het geloof aldus
157 III, 2,33(28) | Dit is een thema dat ik al lang
158 III, 2,33(28) | gelegenheden gesproken heb. “‘Wat is de mens en waartoe dient
159 III, 2,33(28) | en waartoe dient hij? Wat is goed aan hem en wat slecht?’ (
160 III, 2,33(28) | oplossing te zoeken die in staat is aan het leven een volle
161 III, 2,33(28) | menselijke natuur: dientengevolge is het antwoord erop de maatstaf
162 III, 2,33(28) | met rede begiftigd wezen is. Zij komt voort uit het
163 III, 2,34 | Jezus Christus openbaart, is niet in tegenspraak met
164 III, 2,34 | eenheid van de waarheid is reeds een fundamenteel postulaat
165 III, 2,34 | van de heilsgeschiedenis is. Een en dezelfde God, die
166 III, 2,34 | fundeert en garandeert, is identiek met God die zich
167 III, 2,34 | apostel doelt: “De waarheid is in Christus” (vgl. Ef 4,
168 III, 2,34 | 4,21; Kol 1, 15-20). Hij is het eeuwige Woord, waarin
169 III, 2,34 | waarin alles geschapen is, en tegelijk is hij het
170 III, 2,34 | geschapen is, en tegelijk is hij het vleesgeworden Woord,
171 III, 2,34 | Hem en door Hem geschapen is en dat daarom in Hem zijn
172 III, 2,35 | voortkomt, tegelijk een waarheid is, die in het licht van de
173 III, 2,35 | in deze dubbele betekenis is het namelijk mogelijk de
174 IV, 1,38 | tot de waarheid een goed is, dat het mogelijk maakt
175 IV, 1,38 | de wijsbegeerte uit; zij is een streven van de ziel,
176 IV, 1,38 | zuiverheid van het leven; ze is de wijsheid vriendelijk
177 IV, 1,38 | de Griekse wijsbegeerte is voor de Alexandrijn niet
178 IV, 1,38 | christelijke waarheid; haar opgave is veeleer de verdediging van
179 IV, 1,38 | behoefte aan enige afwerking is de leer van de Verlosser,
180 IV, 1,38 | goddelijke kracht en wijsheid is. Wanneer nu de Griekse wijsheid
181 IV, 1,39 | voorbeelden die men kan ontmoeten is Origenes zeker uitnemend.
182 IV, 1,41 | Academie en de Kerk?” 40 is een duidelijke aanwijzing
183 IV, 1,41 | denken bereiken. Daarom is het onrechtvaardig en oppervlakkig
184 IV, 1,42 | aartsbisschop van Kantelberg is de voorrang van het geloof
185 IV, 1,42 | dat aan het verstand eigen is. Dit is er namelijk niet
186 IV, 1,42 | het verstand eigen is. Dit is er namelijk niet toe geroepen,
187 IV, 1,42 | het daarvoor ongeschikt is, ook helemaal niet toe in
188 IV, 1,42 | toe in staat zijn. Veeleer is het zijn taak, een zin te
189 IV, 1,42 | zijn vermogen steeds groter is dan wat het daadwerkelijk
190 IV, 1,42 | zijnswijze ervan (...) Want is er iets dat zo onbegrijpelijk
191 IV, 1,42 | onbegrijpelijk en onuitsprekelijk is als dat wat boven alles
192 IV, 1,42 | als dat wat boven alles is? Als dus dat wat men tot
193 IV, 1,42 | van de nodige argumenten is vastgesteld, ofschoon men
194 IV, 1,42 | heeft (...) onbegrijpelijk is (rationabiliter comprehendit
195 IV, 2,43 | object van de wijsbegeerte is, kan bijdragen tot het begrip
196 IV, 2,43 | verklaren. Want het geloof is een soort “denkoefening”;
197 IV, 2,43 | geweten. 46 ~Om deze reden is de H. Thomas terecht door
198 IV, 2,44 | die wijsheid aan, die gave is van de heilige Geest en
199 IV, 2,44 | Jacobus het uitdrukt. Zo is ze ook anders dan het geloof.
200 IV, 2,44 | waarheid zo aan, zoals ze is: de gave van de wijsheid
201 IV, 2,44(50) | ad 1, dat een weerklank is van de bekende zin van de
202 IV, 2,44(50) | ware, wie het ook zegt, is van de heilige Geest”. ~
203 IV, 2,44 | erkennen. Zijn filosofie is waarlijk de filosofie van
204 IV, 3,46 | vallen. Het gevolg daarvan is dat bepaalde wetenschappers,
205 IV, 3,46 | een logica die op de markt is gebaseerd, maar ook aan
206 IV, 3,46 | crisis van het rationalisme is tenslotte het nihilisme
207 IV, 3,46 | zoeken doel in zichzelf is, zonder enige hoop of mogelijkheid,
208 IV, 3,46 | de nihilistische uitleg is het bestaan alleen maar
209 IV, 3,46 | vergankelijk en voorlopig is. ~
210 IV, 3,47 | wijsbegeerte zelf veranderd is. Van wijsheid en universele
211 IV, 3,47 | wijsheid en universele kennis is zij geleidelijk ineengeschrompeld
212 IV, 3,47 | van menselijke kennis; ze is zelfs in bepaald opzicht
213 IV, 3,47 | filosofische kennis bijzaak is. Deze vormen van rationaliteit
214 IV, 3,47 | macht. ~Hoe gevaarlijk het is deze weg te verabsoluteren,
215 IV, 3,47 | gevolgen tegen de mens zelf, al is het dan soms onrechtstreeks.
216 IV, 3,47 | verstand, dat niet langer is toegerust, het ware te kennen
217 IV, 3,48 | een voortgaande scheiding is tussen geloof en wijsgerige
218 IV, 3,48 | en wijsgerige rede. Wel is het juist, dat bij aandachtige
219 IV, 3,48 | geen universeel aanbod meer is. Het is een illusie te menen
220 IV, 3,48 | universeel aanbod meer is. Het is een illusie te menen dat
221 V, 1,49 | behulpzaam zijn. Ten diepste is de oorsprong van de autonomie
222 V, 1,49 | zijn wezen georiënteerd is op de waarheid en bovendien
223 V, 1,49 | en bovendien in zichzelf is toegerust met de voor het
224 V, 1,49 | die zich hiervan bewust is als van haar grondwet, moet
225 V, 1,49 | wijsgerige denken niet zelden is geraakt. Het is noch de
226 V, 1,49 | niet zelden is geraakt. Het is noch de taak, noch de bevoegdheid
227 V, 1,49 | betoog aan te vullen. Het is daarentegen zijn plicht
228 V, 1,50 | christelijke leer55. Het is vooral de opgave van het
229 V, 1,51 | worden dat de waarheid één is ofschoon haar formuleringen
230 V, 1,51 | God. ~In de huidige tijd is, gezien de verbreiding van
231 V, 1,51 | historische grenzen moeilijk is, dan kan het soms nog problematischer
232 V, 1,51 | hen verkeerd of gevaarlijk is. De Kerk weet echter dat
233 V, 1,52 | vaker heeft doen horen, dan is dat daarom, omdat in die
234 V, 1,52 | licht van het geloof kenbaar is. De positieve inhouden van
235 V, 1,54 | 54. Ook in onze eeuw is het leergezag herhaaldelijk
236 V, 1,55 | Van verschillende kanten is daaromtrent sprake van het ‘
237 V, 1,55 | deze fideïstische tendens is het ‘biblicisme’ dat ertoe
238 V, 1,55 | de Overlevering aanwezig is73, gaat het met nadruk verder: “
239 V, 1,55(72) | Dit geloof echter (...) is volgens de belijdenis van
240 V, 1,55(72) | door Hem geopenbaarde waar is, niet vanwege de door het
241 V, 1,55(72) | de rede nooit “in staat is (deze mysteries) precies
242 V, 1,55(72) | praktische conclusie: “daarom is het niet alleen aan alle
243 V, 1,55 | Gods Woord die aan de Kerk is overgelaten. Vol aanhankelijkheid
244 V, 1,55 | De Heilige Schrift is dus niet het enige referentiepunt
245 V, 1,56 | een wereld die verdeeld is in zoveel specialismen is
246 V, 1,56 | is in zoveel specialismen is het zeer begrijpelijk dat
247 V, 1,56 | einde lopende millennium is, dat dàt de weg is die men
248 V, 1,56 | millennium is, dat dàt de weg is die men moet inslaan: de
249 V, 1,56 | niet verloren gaan! Het is het geloof dat het verstand
250 V, 1,56 | alles wat mooi, goed en waar is, iets te riskeren. Zo wordt
251 V, 2,57 | theologische wetenschap is. 78 Na meer dan een eeuw
252 V, 2,60 | mens ten volle zien wie hij is en onthult Hij hem de sublieme
253 V, 2,61 | tussenkomst over dit thema nodig is gebleken - waarbij men ook
254 V, 2,61 | wijsbegeerte als zodanig, is toe te schrijven. Met verwondering
255 V, 2,61 | tot de ‘menswetenschappen’ is ontstaan. Vaticanum II heeft
256 V, 2,62 | fundamenteel en onmisbaar is voor de structuur van de
257 V, 2,62 | priesterkandidaten. Het is niet toevallig dat het curriculum
258 V, 2,62 | tekenend voorbeeld hiervan is de invloed van de Disputationes
259 V, 2,63 | tegenover het geloof. Het is mijn taak om enkele beginselen
260 VI, 1,64 | plaats ter wereld; en de mens is van nature wijsgeer. De
261 VI, 1,64 | dat niet de bevoegdheid is van het leergezag, maar
262 VI, 1,65 | 65. Theologie is opgebouwd als een wetenschap
263 VI, 1,65 | Niet minder belangrijk is de bijdrage van de filosofie
264 VI, 1,66 | waarin de leer van de Kerk is gekaderd, maar ook en vooral
265 VI, 1,66 | die ware God en ware mens is, niet aanschouwelijk te
266 VI, 1,67 | rekenschap over het geloof is (vgl. 1Petr 3, 15), moeten
267 VI, 1,67 | een verstand dat in staat is in volle vrijheid zijn toestemming
268 VI, 1,68 | Want in het nieuwe verbond is het menselijk leven veel
269 VI, 1,69 | naar de natuurwetenschappen is in veel gevallen nuttig,
270 VI, 1,69 | zou willen onderstrepen, is de plicht om niet bij het
271 VI, 1,69 | wat de objectieve waarheid is”. 93 Niet de verschillende
272 VI, 1,70 | confrontatie met de culturen is een ervaring die de Kerk
273 VI, 1,70 | gemeente met dit probleem is omgegaan. De apostel schrijft: “
274 VI, 1,70 | dichtbij gekomen. Want Hij is onze vrede. Hij verenigde
275 VI, 1,70 | verandering die bij de heidenen is opgetreden, die eens tot
276 VI, 1,70 | een aanbod voor allen: ze is niet meer tot de eigen aard
277 VI, 1,70 | zijn mysterie. Deze eenheid is zo diep, dat de Kerk met
278 VI, 1,71 | nieuwe. Welke verklaring is er voor deze dynamische
279 VI, 1,71 | dynamische krachten? Iedere mens is vervlochten met een cultuur,
280 VI, 1,71 | vervlochten met een cultuur, is ervan afhankelijk en beïnvloedt
281 VI, 1,71 | en beïnvloedt haar. Hij is tegelijk kind en vader van
282 VI, 1,71 | van de cultuur waarin hij is ingebed. In elk van zijn
283 VI, 1,71 | spanning die op voltooiing is gericht, en laat het doorschijnen.
284 VI, 1,71 | christenen het geloof (be-)leven is ook doordrongen van de cultuur
285 VI, 1,71 | van wat impliciet aanwezig is tot zijn volle ontplooiing
286 VI, 1,71 | wereld en in de culturen, is een echte vorm van bevrijding
287 VI, 1,72 | criteria hanteren. Het eerste is de universaliteit van de
288 VI, 1,72 | voortkomt uit het eerste, is aldus: wanneer de Kerk met
289 VI, 1,73 | het woord van God Waarheid is (vgl. Joh 17,17), kan het
290 VI, 1,73 | woord beter te verstaan. Het is niet zo maar een kwestie
291 VI, 1,73 | gebruikt; wat vooral van belang is, is dat de rede van de gelovige
292 VI, 1,73 | wat vooral van belang is, is dat de rede van de gelovige
293 VI, 1,73 | beter begrip daarvan. Het is alsof de rede, die zich
294 VI, 1,74 | voordelen heeft geput. Eén ding is zeker: aandacht voor de
295 VI, 1,74 | mensheid te stellen. Het is te hopen dat er nu en in
296 VI, 2,75 | onderscheiden. In de eerste plaats is er een wijsbegeerte die
297 VI, 2,75 | die volkomen onafhankelijk is van de Openbaring van het
298 VI, 2,75 | Openbaring van het evangelie: dit is de positie die de wijsbegeerte
299 VI, 2,75 | verwelkomt wat geopenbaard is, niet, maar vervolmaakt
300 VI, 2,75 | maar vervolmaakt die. ~Het is duidelijk dat deze legitieme
301 VI, 2,75 | zoals blijkt, niet legitiem is. Door de waarheid die aangeboden
302 VI, 2,76 | christelijke filosofie. Op zichzelf is de term geoorloofd, maar
303 VI, 2,76 | officiële filosofie van de Kerk is, aangezien het geloof als
304 VI, 2,76 | als zodanig geen filosofie is. De term tracht eerder een
305 VI, 2,76 | filosofisch speculeren dat vervat is in een dynamische vereniging
306 VI, 2,76 | door christelijke wijsgeren is ontwikkeld die er in hun
307 VI, 2,76 | twee aspecten. Het eerste is subjectief, in de zin dat
308 VI, 2,76 | metafysische vraag: “Waarom is er iets?” ~Daarnaast staat
309 VI, 2,76 | overgelaten. Onder deze waarheden is de notie van een vrije en
310 VI, 2,76 | persoonlijke God die de Schepper is van de wereld, een waarheid
311 VI, 2,76 | waarheid die zo cruciaal is geweest voor de ontwikkeling
312 VI, 2,76 | filosofie van het zijn. Er is ook de werkelijkheid van
313 VI, 2,76 | als een geestelijk wezen is een andere specifieke bijdrage
314 VI, 2,76 | openbaring. Niet toevallig is zij het fundament van een
315 VI, 2,77 | dat gevormd en onderwezen is om met begrippen en argumenten
316 VI, 2,77 | moderne filosofen het geval is. Zowel in het ene als in
317 VI, 2,78 | opvattingen te eisen. Het was en is ook thans de bedoeling van
318 VI, 2,78 | naar de waarheid zoeken, is. Want in zijn denken hebben
319 VI, 2,78 | menselijk denken ooit gekomen is, omdat hij in staat was
320 VI, 2,79 | oprijzen die in harmonie is met het woord van God. Zulk
321 VI, 2,79 | ons dit leren: “Geloven is niets anders dan denken
322 VI, 2,79 | Als het geloof niet denkt, is het niets”. 95 En verder: “
323 VI, 2,79 | Als er geen instemming is, is er geen geloof, want
324 VI, 2,79 | Als er geen instemming is, is er geen geloof, want zonder
325 VII, 1,80 | ervaren, niet het absolute is: ze is noch ongeschapen,
326 VII, 1,80 | niet het absolute is: ze is noch ongeschapen, noch brengt
327 VII, 1,80 | zichzelf voort. Slechts God is de Absolute. Uit de pagina’
328 VII, 1,80 | zichzelf niet voldoende is, leidt iedere illusie van
329 VII, 1,80 | in de materie afkomstig is, maar een wonde is die is
330 VII, 1,80 | afkomstig is, maar een wonde is die is toegebracht door
331 VII, 1,80 | is, maar een wonde is die is toegebracht door de ongeordende
332 VII, 1,80 | volmaakte verwerkelijking is van het menselijk bestaan.
333 VII, 1,80 | de bijbel wordt gevonden, is dat de wereld en het menselijk
334 VII, 1,81 | situatie de ‘zinscrisis’ is. De dikwijls wetenschappelijk
335 VII, 1,81 | vruchteloos. Nog dramatischer is het dat veel mensen, in
336 VII, 1,81 | diepere ‘introvertheid’ die is opgesloten binnen de grenzen
337 VII, 1,81 | Deze wijsheidsdimensie is tegenwoordig te meer nodig,
338 VII, 1,81 | geordend naar iets dat groter is dan een puur nuttigheidsdoel,
339 VII, 1,81 | iedere mens als persoon eigen is. Een filosofie die de mogelijkheid
340 VII, 1,82 | door Vaticanum II: “De rede is niet beperkt tot de verschijnselen
341 VII, 1,82 | verduisterd en verzwakt is.” 100 ~Een radicaal fenomenalistische
342 VII, 1,82 | woord van God te vinden is. De heilige Schrift neemt
343 VII, 1,82 | dat het individu, ook al is het schuldig aan dubbelzinnigheid
344 VII, 1,83 | wil zeggen: die in staat is boven de empirische gegevens
345 VII, 1,83 | het juist de metafysica is die het mogelijk maakt om
346 VII, 1,83 | element onderstreep, dan is dat omdat ik ervan overtuigd
347 VII, 1,83 | dat dit de te nemen weg is om de crisissituatie te
348 VII, 1,84 | taal van de mens in staat is om de goddelijke en transcendente
349 VII, 1,84 | verwoorden - analoog, dat is waar, maar daarom niet minder
350 VII, 1,84 | altijd een goddelijk woord is in menselijke taal, niet
351 VII, 1,84 | uitspraak die eenvoudigweg waar is; anders zou er geen openbaring
352 VII, 1,85 | brengen, dat de mens in staat is, te komen tot een uniforme
353 VII, 1,85 | visie op de wetenschap. Dit is een van de taken die het
354 VII, 1,85 | bezorgd over kunnen zijn? Het is het evangelie dat aan de
355 VII, 1,85 | In de huidige situatie is het daarom zeer betekenisvol
356 VII, 1,85 | Het beroep op de traditie is niet louter een herinnering
357 VII, 1,85 | en dat het niet aan ons is om er naar eigen goeddunken
358 VII, 1,86 | wijsbegeerte en de wijsbegeerte die is ontwikkeld in de christelijke
359 VII, 1,86 | de christelijke traditie, is bedoeld om het gevaar af
360 VII, 1,86 | Ik denk dat het gepast is om -zij het kort- daarop
361 VII, 1,86 | een wijze die aangepast is aan de opdracht. ~
362 VII, 1,87 | 87. Eclecticisme is een methodische dwaling,
363 VII, 1,87 | verleden juist te verstaan is het nodig die te plaatsen
364 VII, 1,87 | beweren historicisten, is misschien niet waar in een
365 VII, 1,87 | formulering in zekere zin gebonden is aan tijd en cultuur, de
366 VII, 1,88 | rekening gehouden moet worden is het sciëntisme. Deze wijsgerige
367 VII, 1,88 | Niet minder teleurstellend is de wijze waarop het de andere
368 VII, 1,88 | ethische oordeel biedt, is de sciëntistische mentaliteit
369 VII, 1,88 | iets technisch mogelijk is, het daarom ook moreel toelaatbaar
370 VII, 1,88 | daarom ook moreel toelaatbaar is. ~
371 VII, 1,89 | Niet minder gevaarlijk is het pragmatisme, een geesteshouding
372 VII, 1,89 | aanzienlijk. In het bijzonder is er een groeiende steun voor
373 VII, 1,89 | democratie die niet gefundeerd is op enige referentie aan
374 VII, 1,89 | een handeling toelaatbaar is of niet wordt beslist bij
375 VII, 1,90 | tegelijkertijd de verwerping is van alle grondslagen en
376 VII, 1,90 | het feit dat het strijdig is met de eisen en de inhoud
377 VII, 1,90 | inhoud van het woord van God, is nihilisme de ontkenning
378 VII, 1,90 | de mensen eenmaal ontzegd is, is het een illusie te trachten
379 VII, 1,90 | mensen eenmaal ontzegd is, is het een illusie te trachten
380 VII, 1,90(106) | vandaag, na tweeduizend jaar, is Christus Degene die de mens
381 VII, 1,90(106) | vrijheid brengt die gegrondvest is op de waarheid; Hij die
382 VII, 1,91 | erfgoed aan kennis inderdaad is verrijkt op verschillende
383 VII, 1,91 | van de rede. ~Onze tijd is door sommige denkers aangeduid
384 VII, 1,91 | wijsgerige veld, maar hij is wat tweeduidig gebleven,
385 VII, 1,91 | wordt genoemd soms positief is en soms negatief, alsook
386 VII, 1,91 | nog geen overeenstemming is over de delicate kwestie
387 VII, 1,91 | historische tijdvakken. Eén ding is echter duidelijk: de denkstromingen
388 VII, 1,91 | Volgens sommigen van hen is de tijd van zekerheden onherroepelijk
389 VII, 1,91 | voorlopig en vergankelijk is. In hun vernietigende kritiek
390 VII, 1,91 | bekoring van de wanhoop is. ~Niettemin blijft het waar
391 VII, 2,92 | concilie? Hij zei toen: “Het is nodig dat men tegemoet komt
392 VII, 2,92 | wijze bekend wordt; het is nodig dat de mensen afzonderlijk
393 VII, 2,92 | onderwezen en gevormd worden; het is nodig dat de zekere en onveranderlijke
394 VII, 2,92 | geopenbaarde heilsplan” is. 108 ~Deze taak, die in
395 VII, 2,92 | De Waarheid, die Christus is, legt zichzelf op als een
396 VII, 2,92 | geldige waarheid te kennen is geenszins een aanmoediging
397 VII, 2,92 | intolerantie; integendeel, het is de essentiële voorwaarde
398 VII, 2,92 | personen. Alleen op deze basis is het mogelijk om de scheidende
399 VII, 2,92(109) | niet kunnen verdragen”, is noodzakelijk verbonden met
400 VII, 2,92(109) | waarheid” niet alleen verbonden is met het scandalum Crucis,
401 VII, 2,92(109) | aangezien het het geloof is dat de mens binnenleidt
402 VII, 2,92(109) | door het geloof: en dit is het werk van de Geest der
403 VII, 2,93 | dat de theologie nastreeft is begrip van de openbaring
404 VII, 2,93 | Vanuit dit perspectief is een zorgvuldige analyse
405 VII, 2,94 | en onvervalste waarheid is, die de teksten willen meedelen,
406 VII, 2,94 | bijzonder de evangelies betreft, is hun waarheid zeker niet
407 VII, 2,95 | laten zien hoe het mogelijk is om van de historische omstandigheden
408 VII, 2,95 | omstandigheden uitstijgt. ~De mens is in staat om met behulp van
409 VII, 2,96 | 96. Dit te zien is een glimp van de oplossing
410 VII, 2,96 | Humani generis. 112 ~Het is een ingewikkeld probleem
411 VII, 2,96(112) | Het is duidelijk dat de Kerk zich
412 VII, 2,96(112) | overeenstemming in eeuwenlange arbeid is opgesteld, om enigszins
413 VII, 2,96(112) | geest, door de Kerk. Daarom is het niet verbazend dat enkele
414 VII, 2,96(112) | vastgelegd, zodat het verkeerd is om daarvan afstand te nemen”:
415 VII, 2,96 | probleem bestaat, zeker; maar is oplosbaar. Bovendien sluit
416 VII, 2,96 | betekenis vaak onvolmaakt is. Daarom kan wijsgerige speculatie
417 VII, 2,97 | interpretatie van de bronnen is een belangrijke opgave voor
418 VII, 2,97 | delicatere en meer eisende taak is het verstaan van de geopenbaarde
419 VII, 2,97 | maar gedragsregels waren, is reeds afgewezen en verworpen; 114
420 VII, 2,97 | burgerlijke maatschappijen is opgebouwd, zouden het gevaar
421 VII, 2,97 | De filosofie van het zijn is binnen het kader van de
422 VII, 2,97 | communicatieve structuren. Ze is sterk en bestendig omdat
423 VII, 2,98 | de moraaltheologie. Het is zeker zo dringend nodig
424 VII, 2,98 | wetenschappelijk gebied is het morele geweten van de
425 VII, 2,98 | goede verloren was gegaan, is onvermijdelijk ook het begrip
426 VII, 2,98 | de persoon wiens taak het is, om de algemene kennis van
427 VII, 2,98 | te handelen. Deze visie is niets anders dan een individualistische
428 VII, 2,98 | de anderen verschillend is”. 116 ~In de hele encycliek
429 VII, 2,98 | filosofische ethiek die gericht is op de waarheid van het goede;
430 VII, 2,98 | subjectivistisch noch utilitaristisch is. De gewenste ethiek impliceert
431 VII, 2,98 | noodzakelijkerwijze verbonden is met de christelijke heiligheid
432 VII, 2,98 | waarvoor zij competent is: de vrede, sociale rechtvaardigheid,
433 VII, 2,99 | Verkondiging of kerygma is een oproep tot bekering,
434 VII, 2,99 | want alleen in Christus is het mogelijk om de volheid
435 VII, 2,99 | 2,4-6). ~In dit verband is het goed te begrijpen waarom
436 VII, 2,99 | gelovigen. 119 Het resultaat is een unieke verbinding van
437 VII, 2,99 | verzameling begripswaarheden is, maar het mysterie van de
438 Slot, 0,101 | mensheid. Begiftigd als zij is met een openheid en oorspronkelijkheid
439 Slot, 0,101 | verdieping het verstand geroepen is. ~In het licht van deze
440 Slot, 0,101(123)| hij in hechte vereniging is met de zending van het onderricht
441 Slot, 0,101(123)| de Kerk verantwoordelijk is”: Johannes Paulus II, encycliek
442 Slot, 0,102 | het evangelie bevat. Er is vandaag geen voorbereiding
443 Slot, 0,102 | wijsbegeerte die ook ware wijsheid is, zal de mens van vandaag
444 Slot, 0,103 | 103. Wijsbegeerte is bovendien de spiegel die
445 Slot, 0,104 | Het filosofische denken is vaak het enige terrein voor
446 Slot, 0,104 | terrein van begrip en dialoog is tegenwoordig des te belangrijker,
447 Slot, 0,105 | theologische en wijsgerige wijsheid is een van de meest originele
448 Slot, 0,105 | wel of niet in harmonie is met het woord van God. Laten
449 Slot, 0,106 | die zij hebben afgelegd is vooral in deze eeuw gestoten
450 Slot, 0,106 | persoon. De wetenschapper is er zich zeer wel van bewust,
451 Slot, 0,107 | zijn absoluut eigen heer is, die autonoom over zijn
452 Slot, 0,107 | ontplooit en dat hij geroepen is tot liefde en kennis. Daarin
453 Slot, 0,108 | leven een echte parabel is die mijn overweging van
454 Slot, 0,108 | kan verlichten. Want er is een diepe harmonie te bespeuren
|