Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | van de oudheid duidelijk dat in verscheidene streken
2 Inl, 0,2 | op deze zoektocht en kan dat ook helemaal niet zijn.
3 Inl, 0,2 | geworden, om te verkondigen dat Jezus Christus “de Weg,
4 Inl, 0,2 | gemeenschappelijke streven dat de mensheid volbrengt om
5 Inl, 0,2(1) | deze waarheid betekent ook, dat wij haar liefhebben en zo
6 Inl, 0,2 | dit echter in het besef dat iedere verworven waarheid
7 Inl, 0,3 | en in diverse vormen zien dat het streven naar de waarheid
8 Inl, 0,3 | voegen in een perspectief dat duidelijk maakt dat de verschillende
9 Inl, 0,3 | perspectief dat duidelijk maakt dat de verschillende culturen
10 Inl, 0,3 | elkaar aanvullen. Het feit dat de wijsbegeerte een sterke
11 Inl, 0,3 | rijpheid te komen. Hoezeer dat het geval is bewijst de
12 Inl, 0,3 | bewijst de omstandigheid dat een tot in onze dagen aanwezige
13 Inl, 0,4 | echter beklemtoond worden dat hier achter één enkel begrip
14 Inl, 0,4 | gegrepen, zodra hij ontdekt dat hij deel is van de wereld
15 Inl, 0,4 | waaruit het voortkomt en dat het loyaal moet dienen. ~
16 Inl, 0,4 | andere thema’s geven aan dat er afgezien van de onderscheiden
17 Inl, 0,5 | noopt mij de waarneming, dat vooral in onze tijd het
18 Inl, 0,5 | twijfel de grote verdienste dat zij de aandacht op de mens
19 Inl, 0,5 | voorbijzien aan het feit dat dezelfde rede, bezig met
20 Inl, 0,5 | subject, vergeten schijnt dat deze mens er ook altijd
21 Inl, 0,5 | in de valse overtuiging dat alles door de techniek beheerst
22 Inl, 0,5 | moet worden. Zo kwam het dat de rede, in plaats van de
23 Inl, 0,5 | tenslotte ertoe leidden dat het wijsgerige zoeken terechtkwam
24 Inl, 0,5 | indifferent pluralisme, dat stoelt op de opvatting dat
25 Inl, 0,5 | dat stoelt op de opvatting dat alle stellingnames gelijkwaardig
26 Inl, 0,5 | stellingnames gelijkwaardig zijn. Dat is een van de meest verbreide
27 Inl, 0,5 | men uit van de opvatting dat de waarheid in verschillende,
28 Inl, 0,5 | zijn bij moderne mensen, en dat niet alleen bij enkele filosofen,
29 Inl, 0,6 | Concilie geformuleerde inzicht, dat de bisschoppen “getuigen
30 Inl, 0,6 | afzien, zonder het ambt dat wij hebben ontvangen, te
31 Inl, 0,6 | men kan niet ontkennen, dat onze tijd met zijn snelle
32 Inl, 0,6 | blootstelt aan het gevoel dat ze zonder echte referentiepunten
33 Inl, 0,6 | versnipperd het aanbod is, dat het vergankelijke tot waarde
34 Inl, 0,6 | weggemoffeld. Zo komt het dat velen hun leven voortslepen
35 Inl, 0,6 | ze eigenlijk heen gaan. Dat hangt ook samen met het
36 Inl, 0,6 | hangt ook samen met het feit dat degenen wier roeping het
37 I, 1,7 | het besef ten grondslag, dat zij de draagster is van
38 I, 1,7 | te maken (vgl. Eph 1,9): dat de mensen door Christus,
39 I, 1,7 | onverschuldigd initiatief, dat van God uitgaat, om de mensheid
40 I, 1,8 | nadrukkelijke vaststelling, dat er buiten de kennis van
41 I, 1,8 | het menselijke verstand dat krachtens zijn natuur de
42 I, 1,9 | Vaticaans Concilie leert dus, dat de waarheid die verkregen
43 I, 1,9 | kunnen worden.” 7 Het geloof, dat stoelt op Gods getuigenis
44 I, 1,9 | stoelt op Gods getuigenis en dat de bovennatuurlijke hulp
45 I, 1,10 | verkondigen en het geheim dat daarin vervat ligt in het
46 I, 1,11 | nadrukkelijk naar voren te brengen, dat “in het christendom aan
47 I, 1,11 | bovenal wordt zichtbaar, dat wij door de menswording
48 I, 1,11 | van Nazareth verkondigd. Dat zegt de constitutie Dei
49 I, 1,11 | het eeuwige Woord namelijk dat alle mensen verlicht, opdat
50 I, 1,11 | volbrengt het heilswerk dat de Vader Hem te doen gegeven
51 I, 1,11 | brengen (vgl. Joh 14,9). Dat leert opnieuw de Constitutie
52 I, 1,12 | goddelijk leven geschonken, dat de eerste Adam had afgewezen (
53 I, 1,12 | anders dan in het licht, dat afstraalt van het lijden,
54 I, 2,13 | niettemin niet vergeten dat de openbaring tot vandaag
55 I, 2,13 | vatten. Het concilie leert, dat “aan de zich openbarende
56 I, 2,13 | Daarin heet het vooral dat het geloof een gehoorzaam
57 I, 2,13 | gehoorzaam antwoord aan God is. Dat veronderstelt echter, dat
58 I, 2,13 | Dat veronderstelt echter, dat Deze in zijn godheid, transcendentie
59 I, 2,13 | dit goddelijk getuigenis. Dat wil zeggen dat hij geheel
60 I, 2,13 | getuigenis. Dat wil zeggen dat hij geheel en al de waarheid
61 I, 2,13 | zich open te stellen voor dat wat de zelfverwerkelijking
62 I, 2,13 | zijn bestaan; hier is het dat de vrijheid de zekerheid
63 I, 2,13 | tekens komen het verstand, dat het geheim tracht te verstaan,
64 I, 2,13 | omdat zij het mogelijk maken dat het verstand met de middelen
65 I, 2,13 | zij niet kan afzien zonder dat zij de haar aangeboden tekens
66 I, 2,13(15) | hierboven verwijst, leert dat de geloofsgehoorzaamheid
67 I, 2,14 | naar het mysterie van God, dat het verstand niet volledig
68 I, 2,14 | breiden, totdat hij beseft dat hij zonder verzuim alles
69 I, 2,14 | en het zoeken naar iets dat zich onmogelijk liet vinden,
70 I, 2,14 | niet alleen het grootste dat men kan denken (non solum
71 I, 2,14 | kunnen voorstellen, maar dat is onmogelijk.” 20 ~
72 I, 2,15 | oorspronkelijke plan van de liefde, dat met de schepping begonnen
73 II, 1,16 | bladzijden, is het feit dat in deze teksten niet alleen
74 II, 1,16 | geroepen. ~Het is geen toeval dat de heilige schrijver de
75 II, 1,16 | naar kennis een kenmerk dat alle mensen verenigt. Dankzij
76 II, 1,16 | resultaat van abstractie, zoals dat geldt voor de Ionische wijsgeren
77 II, 1,16 | kenmerkt ligt in de overtuiging dat er tussen verstands- en
78 II, 1,16 | beoordeeld worden, zonder dat echter het geloof bij dit
79 II, 1,16 | mens begrijpelijk te maken, dat de God van Israël in deze
80 II, 1,16 | Men zou kunnen zeggen dat de mens met het licht van
81 II, 1,16 | daarom niet scheiden zonder dat het voor de mens onmogelijk
82 II, 1,17 | het het Boek der Spreuken dat ons in deze richting wijst
83 II, 1,17 | volheid van het mysterie, en dat maakt zijn eer uit; aan
84 II, 1,17 | dergelijke dynamische kracht, dat het hart van de mens ondanks
85 II, 1,17 | bevindt, omdat het weet dat daar het bevredigende antwoord
86 II, 1,18 | 18. We kunnen dus zeggen, dat Israël in staat was, met
87 II, 1,18 | uitverkoren volk begrepen dat het verstand enkele grondregels
88 II, 1,18 | verhelderen. De eerste is dat het kennen van de mens een
89 II, 1,18 | komt voort uit het besef dat men zich op deze weg niet
90 II, 1,18 | hoogmoed van degene die meent dat alles de vrucht is van persoonlijke
91 II, 1,18 | de dwaas maakt zich wijs, dat hij veel dingen weet, maar
92 II, 1,18 | werkelijk belangrijke dingen. Dat belet hem, zijn verstand
93 II, 1,19 | tekst heeft onderstreept dat de mens met zijn rede in
94 II, 1,19 | 17. 19-20), in één woord, dat hij in staat is te filosoferen,
95 II, 1,19 | verwijst, verklaart hij, dat men juist door verstandig
96 II, 1,19 | niet kan kennen, dan ligt dat niet zozeer aan het ontbreken
97 II, 2,21 | de bijbelse mens ontdekt dat hij zichzelf alleen begrijpen
98 II, 2,21 | grenzen van het verstand kost. Dat blijkt bijvoorbeeld uit
99 II, 2,21 | put hij uit de zekerheid dat God hem als “onderzoeker”
100 II, 2,22 | dus het vermogen toegekend dat welhaast boven zijn natuurlijke
101 II, 2,22 | te stijgen: niet alleen dat het vanaf het moment waarop
102 II, 2,22 | zouden we kunnen zeggen, dat in de belangrijke tekst
103 II, 2,22 | apostel is ervan overtuigd dat in het oorspronkelijke scheppingsplan
104 II, 2,22 | mens, wanneer het vertelt dat God hem in de hof van Eden
105 II, 2,22 | de bedrieglijke gedachte dat ze soeverein en onafhankelijk
106 II, 2,22 | en onafhankelijk waren en dat ze zonder de van God komende
107 II, 2,23 | bestaan. Het ware knooppunt dat de wijsbegeerte uitdaagt
108 II, 2,23 | apostel nadrukkelijk. Voor dat wat God wil verwezenlijken,
109 II, 2,23 | verachte heeft God uitgekozen: dat wat niets is, omdat wat
110 II, 2,23 | zijn, maar God heeft juist dat voor de onthulling van het
111 II, 2,23 | God heeft in de wereld dat wat niets is, uitgekozen
112 II, 2,23 | niets is, uitgekozen om dat wat iets is te vernietigen” (
113 II, 2,23 | het geheim van de liefde dat het kruis omvat, niet elimineren;
114 II, 2,23 | hen die zichzelf wijsmaken dat zij de waarheid bezitten,
115 III, 1,24 | Handelingen van de Apostelen, dat Paulus op zijn missiereizen
116 III, 1,24 | Atheners, aan alles zie ik dat u buitengewoon godsdienstig
117 III, 1,24 | zonder het te kennen vereert, dat kom ik u verkondigen” (Hand
118 III, 1,24 | afgegrensd, met de bedoeling dat ze God zouden zoeken en
119 III, 1,24 | naar U in het hart gestort, dat ze pas vrede hebben, wanneer
120 III, 1,24 | verschillende tijden bewezen dat hij in staat is, aan dit
121 III, 1,25 | hele zichtbare schepping dat niet alleen in staat is
122 III, 1,25 | kennis. Wanneer hij ontdekt dat zij vals is, verwerpt hij
123 III, 1,25 | vaststellen, is hij tevreden. Dat is de leer van de H. Augustinus,
124 III, 1,25 | houden.” 25 ~Het is dus nodig dat de aanvaarde en in het eigen
125 III, 1,25 | dimensies die boven hem uitgaan. Dat is een wezenlijke voorwaarde,
126 III, 1,26 | stellen. 26 Daarbij komt dat de eerste absoluut zekere
127 III, 1,26 | is, óf of er nog iets is dat over de dood heen reikt;
128 III, 1,26 | dus absoluut geen toeval dat in het licht van het feit
129 III, 1,27 | echter naar een absolutum dat aan heel zijn zoeken en
130 III, 1,27 | kan geven: iets ultiems, dat de oorzaak van iedere zaak
131 III, 2,28 | onderdrukken. Het komt voor dat de mens, zodra hij maar
132 III, 2,29 | 29. Het is ondenkbaar dat een zoeken dat zo diep geworteld
133 III, 2,29 | ondenkbaar dat een zoeken dat zo diep geworteld is in
134 III, 2,29 | waarvan hij toch niets wist of dat hij voor absoluut onbereikbaar
135 III, 2,29 | Feitelijk gebeurt precies dat normaliter in het wetenschappelijk
136 III, 2,29 | zal hij, terecht, zeggen dat hij nog niet het adequate
137 III, 2,29 | geworteld in het mensenhart, dat daarvan afstand nemen het
138 III, 2,29 | bezien om vast te stellen dat ieder van ons de kwellende
139 III, 2,29 | omdat men de ervaring heeft, dat zij zich in wezen niet onderscheiden
140 III, 2,30 | moet men duidelijk stellen dat zij zich niet alleen beperken
141 III, 2,31 | en rijping maken echter, dat deze waarheden door de bijzondere
142 III, 2,31 | kunnen worden, en getest. Dat belet niet, dat na deze
143 III, 2,31 | getest. Dat belet niet, dat na deze overgangsfase dezelfde
144 III, 2,31 | verzameld? De mens, een wezen dat naar de waarheid zoekt,
145 III, 2,32 | aangaat. ~Onderstreept zij, dat de in deze tussenmenselijke
146 III, 2,32 | over het bestaan. Hij weet, dat hij in de ontmoeting met
147 III, 2,32 | vindt gehoor en navolging. Dat is de reden waarom men op
148 III, 2,33 | 33. Zo zien we dat de delen van dit probleem
149 III, 2,33 | het gaat dus om een zoeken dat alleen in het absolute antwoord
150 III, 2,33 | Men mag niet vergeten dat ook het verstand bij zijn
151 III, 2,33 | verdenking en wantrouwen, dat soms om het speculatieve
152 III, 2,33 | gestelde komt naar voren, dat de mens zich bevindt op
153 III, 2,33 | wordt gericht, opdat zij dat wat zij ervaart als streven
154 III, 2,33(28) | Dit is een thema dat ik al lang behandel en waarover
155 III, 2,33(28) | tijden en volkeren bewijst, dat als een profetie van de
156 III, 2,34 | het menselijk verstand, dat wordt uitgedrukt in het
157 III, 2,34 | eenheid, door te laten zien dat de Schepper-God ook de God
158 III, 2,34 | het vleesgeworden Woord, dat in zijn hele Persoon de
159 III, 2,34(29) | uitdrukkelijk verklaard, dat de beide waarheden, die
160 III, 2,34 | openbaart (vgl. Joh 1,14.18). 30 Dat wat het menselijk verstand
161 III, 2,34 | vgl. Joh 1, 14-16) van dat wezen dat in Hem en door
162 III, 2,34 | 1, 14-16) van dat wezen dat in Hem en door Hem geschapen
163 III, 2,34 | door Hem geschapen is en dat daarom in Hem zijn voltooiing
164 IV, 1,36 | bericht het boek erover, dat de H. Paulus in Athene “
165 IV, 1,36 | aan het licht gebracht. Dat was zeker geen toeval. Om
166 IV, 1,36 | van mythologische vormen, dat was inderdaad een van de
167 IV, 1,36 | Daarbij ging zij zover, dat ze dingen en natuurverschijnselen
168 IV, 1,36 | universele rede. Het doel dat deze ontwikkeling nastreefde
169 IV, 1,37 | Kolossenzen waarschuwt: “Past op, dat niemand u verleidt met zijn
170 IV, 1,37 | culturele opvatting die eiste dat de waarheid van de openbaring
171 IV, 1,38 | een vraag om het doopsel. Dat wil echter niet zeggen dat
172 IV, 1,38 | Dat wil echter niet zeggen dat zij de opgave om het geloofsbegrip
173 IV, 1,38 | naar de zin van het leven, dat hun de omgang met de wijsgeren
174 IV, 1,38 | achterhaalde aangelegenheid. ~Dat lijkt vandaag nog duidelijker,
175 IV, 1,38 | waarheid. Het elitaire karakter dat het waarheidszoeken bij
176 IV, 1,38 | de waarheid een goed is, dat het mogelijk maakt om bij
177 IV, 1,38 | hij naar het laatste doel, dat wil zeggen naar de openbaring
178 IV, 1,38 | geschapen heeft en alles leert, dat wil zeggen: naar kennis
179 IV, 1,39 | onderscheiden. De geschiedenis leert dat het in de theologie overgenomen
180 IV, 1,40 | gelovigheid, en later bevalen dat je verzonnen, ja absurde
181 IV, 1,40 | maakte Augustinus het verwijt dat zij weliswaar het na te
182 IV, 1,40 | materiaal in te brengen, dat, door terug te grijpen op
183 IV, 1,41 | met de wijsgerige scholen. Dat betekent niet dat ze de
184 IV, 1,41 | scholen. Dat betekent niet dat ze de inhoud van hun boodschap
185 IV, 1,41 | het uitging boven het doel dat het van nature onbewust
186 IV, 1,42 | concurrentie met het zoeken dat aan het verstand eigen is.
187 IV, 1,42 | Anselmus onderstreept het feit dat de rede moet zoeken naar
188 IV, 1,42 | de rede moet zoeken naar dat wat zij bemint: hoe meer
189 IV, 1,42 | ontbrandt in liefde voor dat wat hij kent, ook wanneer
190 IV, 1,42 | wanneer hij moet toegeven dat hij nog niet alles heeft
191 IV, 1,42 | overweldigd door het besef dat zijn vermogen steeds groter
192 IV, 1,42 | tocht ligt: “Want ik meen, dat iemand die iets onbegrijpelijks
193 IV, 1,42 | ervan (...) Want is er iets dat zo onbegrijpelijk en onuitsprekelijk
194 IV, 1,42 | en onuitsprekelijk is als dat wat boven alles is? Als
195 IV, 1,42 | boven alles is? Als dus dat wat men tot nog toe over
196 IV, 1,42 | met de rede niet zó tot dat wezen kan doordringen dat
197 IV, 1,42 | dat wezen kan doordringen dat men het ook met woorden
198 IV, 1,42 | beschouwing heeft geconcludeerd dat de wijze, waarop de hoogste
199 IV, 1,42 | bevestigd: het geloof verlangt dat zijn object met de hulp
200 IV, 1,42 | hoogtepunt van zijn zoektocht dat, wat het verstand aanbiedt,
201 IV, 2,43 | hij de grote verdienste dat hij de harmonie die tussen
202 IV, 2,43 | fundamenteler erkent Thomas dat de natuur, die object van
203 IV, 2,44 | diepste ervan overtuigd dat “omne verum a quocumque
204 IV, 2,44(50) | Ibid., I-II, 109, 1 ad 1, dat een weerklank is van de
205 IV, 3,46 | vallen. Het gevolg daarvan is dat bepaalde wetenschappers,
206 IV, 3,46 | hebben, het risico lopen dat niet langer de mens en het
207 IV, 3,46 | aanhangers stellen theorieën op, dat het zoeken doel in zichzelf
208 IV, 3,47 | Anderzijds mag men niet vergeten dat in de moderne cultuur de
209 IV, 3,47 | hebben daarbij benadrukt dat filosofische kennis bijzaak
210 IV, 3,47 | angst leven Hij vreest, dat wat hij voortbrengt zich
211 IV, 3,47 | het meeste, maar precies dat waarin de mens een aanzienlijk
212 IV, 3,47 | zekerheid of praktisch nut. Dat resulteerde in een verduistering
213 IV, 3,47 | waardigheid van het verstand, dat niet langer is toegerust,
214 IV, 3,48 | kan men dus constateren, dat er een voortgaande scheiding
215 IV, 3,48 | rede. Wel is het juist, dat bij aandachtige beschouwing
216 IV, 3,48 | zijn bestaan te zoeken. Dat neemt echter niet weg dat
217 IV, 3,48 | Dat neemt echter niet weg dat de hedendaagse verhouding
218 IV, 3,48 | die het gevaar inhouden dat het zijn einddoel uit het
219 IV, 3,48 | loopt daarmee het risico dat het geen universeel aanbod
220 IV, 3,48 | is een illusie te menen dat het geloof grotere overtuigingskracht
221 IV, 3,48 | dezelfde mate zal een verstand dat geen rijp geloof voor zich
222 IV, 3,48 | vertrouw, op het juiste moment, dat het geloof en de wijsbegeerte
223 V, 1,49 | terughoudendheid ligt in het feit dat de wijsbegeerte, ook wanneer
224 V, 1,49 | er niet de garantie zijn dat zij op de waarheid gericht
225 V, 1,49 | te kennen aan het feit dat het verstand naar zijn wezen
226 V, 1,50 | voordeel van de recta ratio, dat wil zeggen het verstand
227 V, 1,50 | wil zeggen het verstand dat op de juiste wijze nadenkt
228 V, 1,51 | het oog gehouden worden dat de waarheid één is ofschoon
229 V, 1,51 | afzonderlijke filosofische noties dat wat zij vanuit het standpunt
230 V, 1,51 | is. De Kerk weet echter dat de “schatten van wijsheid
231 V, 1,52 | heeft doen horen, dan is dat daarom, omdat in die tijd
232 V, 1,52 | leergezag ervoor te waken dat deze filosofieën van hun
233 V, 1,53 | Eerste Vaticaans Concilie dat de leer die het gewone leergezag
234 V, 1,54 | Pius X, die vaststelde, dat aan het modernisme filosofische
235 V, 1,54 | historicisme. Hij stelde duidelijk, dat deze opvattingen niet door
236 V, 1,54 | voegde er echter aan toe dat dergelijke dwalingen niet
237 V, 1,54 | te wijzen op het gevaar dat een onkritisch overnemen
238 V, 1,55 | ogenschouw nemen, zien we dat de problemen van toen terugkeren,
239 V, 1,55 | samenleving zo wijd verbreid zijn, dat ze in zekere mate tot een
240 V, 1,55 | wijze van denken worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor
241 V, 1,55 | wantrouwen tegen de rede dat de jongste ontwikkelingen
242 V, 1,55 | de metafysica’: men wil dat de filosofie zich met bescheidener
243 V, 1,55 | onderzoek worden beschouwd. Dat gebeurt vooral dan, wanneer
244 V, 1,55 | terugvallen in het fideïsme voor, dat de betekenis van de verstandelijke
245 V, 1,55 | tendens is het ‘biblicisme’ dat ertoe neigt om de lezing
246 V, 1,55 | Verbum erop gewezen heeft dat het Woord van God zowel
247 V, 1,55(72) | de genade van God geloven dat het door Hem geopenbaarde
248 V, 1,55(72) | verklaarde het Concilie dat de rede nooit “in staat
249 V, 1,55(72) | meningen, waarvan men weet dat ze tegengesteld zijn aan
250 V, 1,55 | Geest zo heeft verbonden, dat geen van de drie zonder
251 V, 1,55 | gevaar niet onderschatten dat schuilt in de opzet om de
252 V, 1,55 | steeds voor ogen houden dat ook aan de verschillende
253 V, 1,55 | aan het geringe respect dat men voor de speculatieve
254 V, 1,56 | vooral bij hen die denken dat de waarheid geboren wordt
255 V, 1,56 | is het zeer begrijpelijk dat men moeilijk volledige en
256 V, 1,56 | het licht van het geloof dat in Jezus Christus deze laatste
257 V, 1,56 | einde lopende millennium is, dat dàt de weg is die men moet
258 V, 1,56 | gaan! Het is het geloof dat het verstand uitdaagt om
259 V, 2,57 | enige pauselijke document dat in zijn geheel aan de wijsbegeerte
260 V, 2,57 | verder door te laten zien dat het wijsgerige denken een
261 V, 2,57 | aan betekenis ingeboet; dat geldt op de eerste plaats
262 V, 2,57 | Angelicus opnieuw presenteren: dat scheen Paus Leo XIII de
263 V, 2,57 | gaan met de wijsbegeerte dat zij harmonieert met de eisen
264 V, 2,58 | het middeleeuwse denken, dat tot dan toe goeddeels onbekend
265 V, 2,59 | van een zodanig profiel, dat zij in niets onderdeden
266 V, 2,60 | encycliek niet vergeten, dat een heel hoofdstuk van de
267 V, 2,60 | moeten zo worden gegeven, dat de studenten vooral een
268 V, 2,61 | van zijn denken - dan was dat omdat de voorschriften van
269 V, 2,61 | zeker verval constateren, dat aan een geringere waardering
270 V, 2,61 | spijt moet ik vaststellen dat heel wat theologen deze
271 V, 2,61 | wantrouwen tegen de rede, dat een groot deel van de hedendaagse
272 V, 2,61 | nog het misverstand bij dat vooral met betrekking tot
273 V, 2,61 | onderzoek, een onderzoek dat de positieve elementen van
274 V, 2,62 | wens duidelijk te herhalen dat de studie van de filosofie
275 V, 2,62 | priesterkandidaten. Het is niet toevallig dat het curriculum van de theologiestudies
276 V, 2,62 | die ertoe geleid heeft dat men zich van iedere vorm
277 V, 2,62 | vertrouw er ten zeerste op dat deze moeilijkheden door
278 V, 2,63 | wijsgerig denken te stimuleren dat niet vijandig staat tegenover
279 VI, 1,64 | aan te bevelen, aangezien dat niet de bevoegdheid is van
280 VI, 1,66 | moet vooral bedacht worden dat de goddelijke waarheid, “
281 VI, 1,66 | consequente rationaliteit bezit, dat zij een echt weten vormt.
282 VI, 1,66 | redenering te presenteren. Dat moet zij met andere woorden
283 VI, 1,66 | filosofische ethiek. ~Vandaar dat het verstand van de gelovige
284 VI, 1,67 | de aandacht op gevestigd, dat er waarheden zijn die langs
285 VI, 1,67 | theologie moeten laten zien dat in het licht van de kennis
286 VI, 1,67 | ook te spreken van datgene dat boven iedere menselijke
287 VI, 1,67 | theologie moeten laten zien dat er een innerlijke verenigbaarheid
288 VI, 1,67 | presenteren door een verstand dat in staat is in volle vrijheid
289 VI, 1,67 | geloof “aan een verstand dat oprecht naar de waarheid
290 VI, 1,67(90) | het leven, naar het doel dat hij eraan wil geven, en
291 VI, 1,67(90) | eraan wil geven, en naar dat wat hem na de dood wacht,
292 VI, 1,68 | het uiterste in te zetten. Dat wil, met andere woorden,
293 VI, 1,69 | wellicht tegen inbrengen dat de theoloog in de huidige
294 VI, 1,69 | en cultuur, de opvatting dat de theologie zich beter
295 VI, 1,69 | Bovendien mag men niet vergeten dat de bijzondere bijdrage van
296 VI, 1,70 | zijn dankzij het nieuwe dat het passmysterie bewerkte, ‘
297 VI, 1,70 | Deze eenheid is zo diep, dat de Kerk met de H. Paulus
298 VI, 1,71 | doorschijnen. Je kunt dus zeggen dat de cultuur de mogelijkheid
299 VI, 1,71 | Pinksterdag in Jeruzalem: “Zijn dat niet allemaal Gallileeërs,
300 VI, 1,71 | culturele eigenheid te bewaren. Dat brengt geen spanning, omdat
301 VI, 1,71 | begunstigd. ~Dit betekent dat geen enkele cultuur ooit
302 VI, 1,71 | stellen voor het nieuwe dat de waarheid van het evangelie
303 VI, 1,72 | dit betekent helemaal niet dat andere benaderingen uitgesloten
304 VI, 1,72 | hetzelfde zijn. Het tweede, dat voortkomt uit het eerste,
305 VI, 1,72 | tot de andere tradities; dat zou het wezen van de mens
306 VI, 1,73 | uiteindelijke doel het begrijpen van dat woord zal zijn, dat toeneemt
307 VI, 1,73 | van dat woord zal zijn, dat toeneemt met iedere nieuwe
308 VI, 1,73 | theologische redenering die dit of dat begrip of element uit een
309 VI, 1,73 | vooral van belang is, is dat de rede van de gelovige
310 VI, 1,73 | eens zou kunnen vermoeden dat ze die kon inslaan. Deze
311 VI, 1,74 | hoge speculatieve waarde dat zij met recht op één lijn
312 VI, 1,74 | in het moedige onderzoek dat recentere denkers hebben
313 VI, 1,74 | poging om de resultaten van dat zoeken ten dienste van de
314 VI, 1,74 | stellen. Het is te hopen dat er nu en in de toekomst
315 VI, 2,75 | criteria garandeert dan ook dat de bereikte resultaten algemeen
316 VI, 2,75 | bevestigt ook het beginsel dat de genade de natuur niet
317 VI, 2,75 | vervolmaakt die. ~Het is duidelijk dat deze legitieme benadering
318 VI, 2,76 | geenszins te suggereren dat er een officiële filosofie
319 VI, 2,76 | een filosofisch speculeren dat vervat is in een dynamische
320 VI, 2,76 | is subjectief, in de zin dat het geloof de rede zuivert.
321 VI, 2,76 | staat het objectieve aspect, dat de inhouden betreft: de
322 VI, 2,76 | van het geloof verschijnt, dat helpt om een adequate wijsgerige
323 VI, 2,76 | beïnvloed. Als voorbeeld dat dichter bij onze tijd staat,
324 VI, 2,76 | mens en ook de erfzonde. Dat zijn opgaven die de rede
325 VI, 2,76 | ertoe uitdagen te erkennen dat er waarheid en rationaliteit
326 VI, 2,76 | waarheid. Men zou kunnen zeggen dat een goed deel van de moderne
327 VI, 2,76 | het teleurstellende feit dat veel denkers in de laatste
328 VI, 2,77 | haar onderzoek een verstand dat gevormd en onderwezen is
329 VI, 2,77 | Het was niet toevallig dat de Kerkvaders en de middeleeuwse
330 VI, 2,77 | onmisbare en edele bijdrage dat de wijsbegeerte vanaf de
331 VI, 2,77 | meester te worden, zoals dat bij enkele moderne filosofen
332 VI, 2,78 | leergezag, te laten zien dat de H. Thomas een authentiek
333 VI, 2,79 | het verstand in het besef dat het zich niet kan verheffen
334 VI, 2,79 | relatie. Men mag daarom hopen dat theologen en filosofen zich
335 VI, 2,79 | de sterkere overtuiging dat de diepte en de authenticiteit
336 VI, 2,79 | met het denken verbindt en dat niet afwijst. Opnieuw zijn
337 VII, 1,80 | Uit die pagina’s spreekt, dat de werkelijkheid die wij
338 VII, 1,80 | behandeld, hetgeen ons leert dat dergelijk kwaad niet van
339 VII, 1,80 | bijbel wordt gevonden, is dat de wereld en het menselijk
340 VII, 1,81 | 81. We moeten vaststellen dat een van de belangrijkste
341 VII, 1,81 | zijn zo talrijk geworden, dat we werkelijk beleven hoe
342 VII, 1,81 | Nog dramatischer is het dat veel mensen, in de maalstroom
343 VII, 1,81 | menselijke geest binnen, dat leidt tot een steeds diepere ‘
344 VII, 1,81 | haar eigen natuur. Door dat te doen zal zij niet alleen
345 VII, 1,81 | wordt geordend naar iets dat groter is dan een puur nuttigheidsdoel,
346 VII, 1,82 | geldt een tweede vereiste: dat de wijsbegeerte het menselijke
347 VII, 1,82 | Schrift neemt altijd aan dat het individu, ook al is
348 VII, 1,82 | geven. Men kan niet zeggen dat de katholieke traditie dwaalde
349 VII, 1,82 | heilige Schrift aanneemt dat ze objectief waar kunnen
350 VII, 1,83 | metafysische draagwijdte zijn, dat wil zeggen: die in staat
351 VII, 1,83 | zedelijk goede te kennen, dat zijn diepste grond heeft
352 VII, 1,83 | Ik wil alleen bevestigen dat de werkelijkheid en de waarheid
353 VII, 1,83 | bereiken. Een wijsgerig denken dat elke metafysische opening
354 VII, 1,83 | element onderstreep, dan is dat omdat ik ervan overtuigd
355 VII, 1,83 | omdat ik ervan overtuigd ben dat dit de te nemen weg is om
356 VII, 1,84 | veronderstelt duidelijk dat de taal van de mens in staat
357 VII, 1,84 | te verwoorden - analoog, dat is waar, maar daarom niet
358 VII, 1,84 | dan zou het woord van God, dat altijd een goddelijk woord
359 VII, 1,85 | ben me er wel van bewust dat deze eisen die het woord
360 VII, 1,85 | tot uitdrukking brengen, dat de mens in staat is, te
361 VII, 1,85 | zijn? Het is het evangelie dat aan de herders deze wijsheidstaak
362 VII, 1,85 | weglopen voor de plicht om dat te ondernemen. ~Ik geloof
363 VII, 1,85 | te ondernemen. ~Ik geloof dat die wijsgeren die vandaag
364 VII, 1,85 | daarom zeer betekenisvol dat enkele filosofen de herontdekking
365 VII, 1,85 | inderdaad gezegd worden dat wij behoren tot de traditie
366 VII, 1,85 | behoren tot de traditie en dat het niet aan ons is om er
367 VII, 1,86 | het gevaar af te wenden dat schuilt in sommige denkrichtingen
368 VII, 1,86 | sterk verbreid zijn. Ik denk dat het gepast is om -zij het
369 VII, 1,87 | historicisme luidt daarentegen dat de waarheid van een filosofie
370 VII, 1,87 | daarentegen niet vergeten dat, zelfs wanneer een formulering
371 VII, 1,88 | vermomming van sciëntisme, dat waarden afdoet als louter
372 VII, 1,88 | producten van de emoties en dat kennis van het zijn verwerpt
373 VII, 1,88 | van het menselijk denken, dat zich niet langer bezighoudt
374 VII, 1,88 | geslaagd velen te laten denken dat als iets technisch mogelijk
375 VII, 1,90 | Helemaal los van het feit dat het strijdig is met de eisen
376 VII, 1,90 | niet over het hoofd zien, dat de veronachtzaming van het
377 VII, 1,91 | zeker wil ik benadrukken dat ons erfgoed aan kennis inderdaad
378 VII, 1,91 | zijn, hebben laten zien dat ze belangrijke en blijvende
379 VII, 1,91 | rationalistische optimisme, dat in de geschiedenis de voortschrijdende
380 VII, 1,91 | Niettemin blijft het waar dat een zekere positivistische
381 VII, 1,91 | steeds de illusie voedt dat dankzij de wetenschappelijke
382 VII, 2,92 | zei toen: “Het is nodig dat men tegemoet komt aan de
383 VII, 2,92 | godsdienst liefhebben, en dat deze leer op een bredere
384 VII, 2,92 | bekend wordt; het is nodig dat de mensen afzonderlijk beter
385 VII, 2,92 | gevormd worden; het is nodig dat de zekere en onveranderlijke
386 VII, 2,92 | aan zich te herinneren, dat zijn arbeid “overeenkomt
387 VII, 2,92 | het geloof zelf woont” en dat het eigenlijke object van
388 VII, 2,92(109) | leiden in de volle waarheid”, dat verwijst naar wat de apostelen “
389 VII, 2,92(109) | lijden en dood aan het kruis, dat toen Hij deze woorden sprak,
390 VII, 2,92(109) | wordt het echter duidelijk dat dit “leiden in de volle
391 VII, 2,92(109) | aangezien het het geloof is dat de mens binnenleidt in de
392 VII, 2,93 | 93. Het hoofddoel dat de theologie nastreeft is
393 VII, 2,93 | lijden en dood, een mysterie dat zal uitmonden in zijn glorierijke
394 VII, 2,93 | wie het onhoudbaar schijnt dat lijden en dood de liefde
395 VII, 2,96 | van een ander probleem: dat van de blijvende geldigheid
396 VII, 2,96 | van het denken laat zien dat bepaalde grondbegrippen
397 VII, 2,96(112) | Het is duidelijk dat de Kerk zich niet kan binden
398 VII, 2,96(112) | Daarom is het niet verbazend dat enkele van deze begrippen
399 VII, 2,96 | veel concepten niet uit dat hun betekenis vaak onvolmaakt
400 VII, 2,96 | We mogen dan ook hopen dat de filosofie het zich tot
401 VII, 2,96(113) | allereerst de opvatting vermijden dat dogmatische formules (of
402 VII, 2,97 | ongeschikt en gereduceerd schema, dat de speculatieve helderheid
403 VII, 2,98 | zeker zo dringend nodig dat de wijsbegeerte wordt herontdekt
404 VII, 2,98 | voor het geloofsverstaan dat betrekking heeft op het
405 VII, 2,98 | splendor heb ik geschreven, dat veel van de problemen van
406 VII, 2,98 | oorspronkelijke staat gezien, dat wil zeggen als een handeling
407 VII, 2,99 | bereiken valt, aangezien dat wat in de catechese wordt
408 VII, 2,99 | kan er veel toe bijdragen dat de betrekking tussen waarheid
409 Slot, 0,100 | ten diepste van overtuigd dat geloof en verstand “elkaar
410 Slot, 0,101 | Westen, laat duidelijk zien dat de ontmoeting tussen wijsbegeerte
411 Slot, 0,101 | wijsbegeerte die beleefd heeft dat zich aldus nieuwe horizonten
412 Slot, 0,101 | noodzaak te onderstrepen dat omwille van het welzijn
413 Slot, 0,101(123)| er zich van bewust zijn dat hij in hechte vereniging
414 Slot, 0,102 | van vandaag gaan beseffen dat zijn menselijkheid des te
415 Slot, 0,103 | Gods leidt, te verdiepen. Dat wordt des te dringender
416 Slot, 0,104 | door het toenemende begrip dat het woord van God haar schenkt,
417 Slot, 0,104 | godsdienstig geloof delen. Dat heeft het Tweede Vaticaans
418 Slot, 0,105 | om ten volle te beseffen dat “lezen zonder berouw, kennis
419 Slot, 0,105 | geïnspireerde wijsheid” - dat dat allemaal tekortschiet. 128 ~
420 Slot, 0,105 | geïnspireerde wijsheid” - dat dat allemaal tekortschiet. 128 ~
421 Slot, 0,106 | uit het woord van God en dat zij de kracht hebben, hun
422 Slot, 0,106 | deze vragen toe te passen. Dat zij zich altijd richten
423 Slot, 0,106 | waarheid en op het goede dat het ware bevat. Zo zullen
424 Slot, 0,106 | kunnen er dus zeker van zijn dat de Kerk de legitieme zelfstandigheid
425 Slot, 0,106 | zich zeer wel van bewust, dat “het zoeken naar de waarheid,
426 Slot, 0,106 | maar steeds leidt naar iets dat uitgaat boven het onmiddellijke
427 Slot, 0,107 | misleiding van overtuigd, dat hij zijn absoluut eigen
428 Slot, 0,107 | zijn krachten vertrouwt. Dat zal nooit de grootheid van
429 Slot, 0,107 | de volle zin ontplooit en dat hij geroepen is tot liefde
|