Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,2 | bieden heeft, is er een die haar verantwoordelijkheid op
2 Inl, 0,2(1) | waarheid betekent ook, dat wij haar liefhebben en zo nauwkeurig
3 Inl, 0,2(1) | trachten te begrijpen, om haar voor onszelf en de anderen
4 Inl, 0,2(1) | toegankelijk te maken in haar volle heilskracht, haar
5 Inl, 0,2(1) | haar volle heilskracht, haar schittering, in haar diepte
6 Inl, 0,2(1) | heilskracht, haar schittering, in haar diepte en eenvoud tegelijk”;
7 Inl, 0,2 | bereiken2; anderzijds legt zij haar de verplichting op, zich
8 Inl, 0,3 | opgaven van de mensheid. Naar haar Griekse afleiding betekent
9 Inl, 0,4 | zoals de antieke denkers haar noemden, orthos logos, recta
10 Inl, 0,5 | 5. De Kerk van haar kant moet de inzet van de
11 Inl, 0,5 | evangelie aan allen die haar nog niet kennen, mee te
12 Inl, 0,5 | meer vragen belaste rede haar streven naar steeds meer
13 Inl, 0,5 | het zijn verwaarloosd en haar zoeken geconcentreerd op
14 Inl, 0,5 | namelijk aan de waarheid haar exclusieve karakter. Daarbij
15 Inl, 0,5 | menselijke existentie en haar uitdrukkingsvormen brengt,
16 Inl, 0,6 | 6. Zeker van haar competentie als draagster
17 Inl, 0,6 | ieder die de liefde voor haar in het hart draagt, de juiste
18 Inl, 0,6 | juiste weg kan inslaan om haar te bereiken en om in haar
19 Inl, 0,6 | haar te bereiken en om in haar rust te vinden in zijn inspanningen,
20 Inl, 0,6 | uitdaging bieden opdat zij haar volle waardigheid herkrijgen
21 Inl, 0,6 | het thema waarheid en op haar grondslag in relatie tot
22 Inl, 0,6 | waarheid, moet met alle kracht haar oorspronkelijke roeping
23 Inl, 0,6 | van het heilsplan, waarin haar geschiedenis is ingebed. ~
24 I, 1,7 | is van een boodschap die haar oorsprong in God zelf heeft (
25 I, 1,7 | mens aanbiedt komt niet uit haar eigen denken voort, al was
26 I, 1,11 | vervult de openbaring, brengt haar tot voltooiing en bekrachtigt
27 I, 1,11 | voltooiing en bekrachtigt haar met goddelijk getuigenis
28 I, 1,11 | werken van de heilige Geest haar inhoud volledig tot uitdrukking
29 I, 1,11 | goddelijke waarheid, totdat in haar Gods woorden in vervulling
30 I, 1,12 | man en iedere vrouw, die haar als het absoluut ware Woord
31 I, 2,13 | verstand ertoe aan, zich voor haar open te stellen en haar
32 I, 2,13 | haar open te stellen en haar diepere betekenis aan te
33 I, 2,13 | waarheid bereikt en besluit in haar te leven. ~Ook de in de
34 I, 2,13 | afzien zonder dat zij de haar aangeboden tekens zelf vernietigt. ~
35 I, 2,13 | tussen de werkelijkheid en haar betekenis het mogelijk maakt,
36 I, 2,14 | beide momenten heeft de rede haar bijzondere plaats die het
37 I, 2,14 | bijzondere plaats die het haar mogelijk maakt te onderzoeken
38 I, 2,14 | ingeperkt te worden dan door haar eindigheid voor het oneindige
39 I, 2,15 | van vrijheid en waarheid haar hoogtepunt en begrijpt men
40 II, 1,16 | waarheid bemint en die naar haar zoekt: “Gelukkig de man
41 II, 1,16 | in zijn hart overdenkt en haar geheimen probeert te ontdekken;
42 II, 1,16 | ontdekken; die op weg gaat en haar als een speurder nazit en
43 II, 1,16 | waar zij heengaat; die door haar ramen gluurt en aan haar
44 II, 1,16 | haar ramen gluurt en aan haar deuren staat te luisteren;
45 II, 1,16 | luisteren; die dichtbij haar woning kampeert en zijn
46 II, 1,16 | kampeert en zijn tentpin in haar muren slaat; die zijn tent
47 II, 1,16 | die zijn tent vlak naast haar opzet en zijn intrek neemt
48 II, 1,16 | plaatst zijn kinderen onder haar beschutting en hij woont
49 II, 1,16 | beschutting en hij woont onder haar takken. Door haar wordt
50 II, 1,16 | onder haar takken. Door haar wordt hij tegen de hitte
51 II, 1,16 | de hitte beschut en onder haar pracht vindt hij rust.” (
52 II, 1,16 | kennen van de wereld en haar verschijnselen zeker niet
53 II, 1,16 | de wereld van de bijbel haar oorspronkelijke bijdrage
54 II, 1,16 | tot het geloof in de in haar werkende God. Het geloof
55 II, 1,20 | geloof dus de rede omdat het haar mogelijk maakt haar kennisobject
56 II, 1,20 | het haar mogelijk maakt haar kennisobject consequent
57 II, 2,23 | geenszins in staat zijn, haar adequaat weer te geven. ~
58 II, 2,23 | menselijke wijsheid weigert in haar zwakheid de voorwaarde voor
59 II, 2,23 | zwakheid de voorwaarde voor haar kracht te zien; maar de
60 II, 2,23 | culturele grens, die men haar wil stellen, en verplicht
61 II, 2,23 | waarheid bezitten, terwijl ze haar vasthouden in de ondiepten
62 III, 1,24 | streven eigen gemaakt, en met haar middelen en overeenkomstig
63 III, 1,24 | middelen en overeenkomstig haar wetenschappelijke mogelijkheden
64 III, 1,25 | zij vals is, verwerpt hij haar; wanneer hij daarentegen
65 III, 1,27 | zekerheid van de waarheid en haar absolute waarde. ~
66 III, 2,28 | persoonlijke zoektocht en brengen haar van de weg af. Allerlei
67 III, 2,28 | omdat hij bang is voor haar eisen. Desondanks beïnvloedt
68 III, 2,28 | de waarheid, ook als hij haar mijdt, altijd zijn bestaan.
69 III, 2,33 | waarheid te ontmoeten en haar te kennen. Deze levensbelangrijke
70 III, 2,33(28) | bereikt de menselijke rede haar top en opent zij zich voor
71 III, 2,34 | integendeel tot de waarheid in haar volheid. De eenheid van
72 III, 2,34 | geopenbaarde waarheid vindt haar levende en personele vereenzelviging
73 IV, 1,38 | gezind en doen alles om haar deelachtig te worden. Wijsgeren
74 IV, 1,38 | de christelijke waarheid; haar opgave is veeleer de verdediging
75 IV, 1,38 | waarheid afslaat, heeft men haar terecht haag en muur van
76 IV, 1,39 | als de voorstelling van haar als rationeel spreken over
77 IV, 1,39 | dan toe nog gebonden aan haar Griekse oorsprong. In de
78 IV, 2,43 | natuur veronderstelt en haar voltooit, 45 zo veronderstelt
79 IV, 2,43 | afgeschaft noch vernederd door haar instemming met de geloofsinhouden;
80 IV, 2,43 | tegennatuurlijke neiging de wereld en haar waarden te loochenen, zonder
81 IV, 2,44 | aard van de wijsheid in haar enge relatie met het geloof
82 IV, 2,44 | wijsheid kent krachtens haar natuurlijke verwantschap (
83 IV, 2,44 | en formuleert tenslotte haar juiste oordeel op basis
84 IV, 2,44 | van de waarheid. Hij zocht haar overal, waar ze zich kon
85 IV, 2,44 | zich kon tonen, en maakte haar universaliteit zeer inzichtelijk.
86 IV, 2,44 | kon hij in zijn realisme haar objectiviteit erkennen.
87 IV, 3,46 | eeuw heeft deze beweging haar hoogtepunt bereikt. Enkele
88 V, 1,49 | theologie, moet optreden volgens haar eigen regels en methoden;
89 V, 1,49 | eigen beginselen en de voor haar specifieke methoden te werk
90 V, 1,49 | hiervan bewust is als van haar grondwet, moet ook de eisen
91 V, 1,50 | systeem onverenigbaar met haar geloof kan blijken. Want
92 V, 1,50 | omdat zij raken aan de door haar behoede geopenbaarde waarheid.
93 V, 1,51 | waarheid één is ofschoon haar formuleringen het stempel
94 V, 1,52 | jongste tijd ingegrepen, om haar standpunt tegenover bepaalde
95 V, 1,54 | waarheid te beschermen en haar in de harten van de mensen
96 V, 1,54 | Geloofsleer in de vervulling van haar bijzondere opdracht in de
97 V, 1,55 | de menselijke kennis of haar structuren. ~In de theologie
98 V, 1,55(72) | doorgronden als de waarheden, die haar eigenlijke (kennis-)object
99 V, 1,55 | hoogste richtsnoer van haar geloof” 75 ontvangt zij
100 V, 1,55 | grondslag ligt: die moet vóór haar toepassing op de heilige
101 V, 1,56 | uiteindelijke waarheid en de wens, haar te zoeken, verbonden met
102 V, 2,57 | en rede op en ontwikkelde haar verder door te laten zien
103 V, 2,60 | deze passage vormt. Ik heb haar in mijn encycliek Redemptor
104 VI, 1,64 | licht van geloof, moet van haar kant in relatie treden,
105 VI, 1,64 | relatie treden, in sommige van haar procedures en in de uitvoering
106 VI, 1,64 | en in de uitvoering van haar specifieke taken, met de
107 VI, 1,65 | correcte auditus fidei met haar studie van de opbouw van
108 VI, 1,65 | die de Kerk gebruikt in haar denken en in de ontwikkeling
109 VI, 1,65 | en in de ontwikkeling van haar leer, uit te leggen, maar
110 VI, 1,66 | gepresenteerd”, 89 een eigen, in haar logica zo consequente rationaliteit
111 VI, 1,66 | en in zijn paasmysterie haar hoogtepunt heeft. Door zijn
112 VI, 1,66 | dogmatische theologie moet van haar kant in staat zijn, de universele
113 VI, 1,67 | bestuderen van de openbaring en haar geloofwaardigheid, begeleid
114 VI, 1,67 | of aan de erkenning van haar geloofwaardigheid, aan het
115 VI, 1,67(90) | vandaag het geloof de rede bij haar oprechte zoeken naar de
116 VI, 1,71 | afhankelijk en beïnvloedt haar. Hij is tegelijk kind en
117 VI, 1,71 | omgeving en draagt er van haar kant toe bij, beetje bij
118 VI, 1,71 | in de ontmoeting daarmee haar zou willen ontzeggen wat
119 VI, 1,71 | zou willen ontzeggen wat haar toebehoort en haar dwingen
120 VI, 1,71 | ontzeggen wat haar toebehoort en haar dwingen uiterlijke vormen
121 VI, 1,71 | aan te nemen die niet bij haar passen. Integendeel, de
122 VI, 1,72 | culturen, die de mensheid op haar weg naar de toekomst tot
123 VI, 1,72 | zich moeten inkapselen in haar anders-zijn en zich sterk
124 VI, 1,72 | anders-zijn en zich sterk maken in haar tegenstelling tot de andere
125 VI, 1,73 | de geschiedenis, terwijl haar uiteindelijke doel het begrijpen
126 VI, 1,73 | filosofie die zich aan haar eigen regels houdt - alleen
127 VI, 1,73 | de rede van de gelovige haar denkvermogen gebruikt in
128 VI, 1,73 | gewaarschuwd wordt voor wegen die haar doen afdwalen van de geopenbaarde
129 VI, 2,75 | zijn, die gehoorzaamt aan haar eigen wetten en alleen de
130 VI, 2,75 | natuur niet vernietigt maar haar vervolmaakt: de instemming
131 VI, 2,77 | wanneer de theologie zelf haar hulp inroept. Theologie
132 VI, 2,77 | vereist de theologie bij al haar onderzoek een verstand dat
133 VI, 2,77 | universele waarheid van haar aanspraken te bevestigen.
134 VI, 2,77 | blijft als de theologie haar hulp inroept; maar het laat
135 VI, 2,77 | moet ondergaan. ~Het was om haar onmisbare en edele bijdrage
136 VI, 2,79 | moet de wijsbegeerte aan haar eigen wetten gehoorzamen
137 VI, 2,79 | gehoorzamen en gebaseerd zijn op haar eigen beginselen; de waarheid
138 VI, 2,79 | zijn. De openbaring met haar inhouden zal nooit de rede
139 VI, 2,79 | inhouden zal nooit de rede bij haar ontdekkingen en in haar
140 VI, 2,79 | haar ontdekkingen en in haar legitieme autonomie kunnen
141 VII, 1,80 | drijft de wijsbegeerte naar haar grenzen, omdat de rede wordt
142 VII, 1,81 | opgesloten binnen de grenzen van haar eigen immanentie zonder
143 VII, 1,81 | de filosofie allereerst haar wijsheidsdimensie hervinden,
144 VII, 1,81 | in het reine te komen met haar eigen natuur. Door dat te
145 VII, 1,81 | bepaalt, maar zal ze ook haar plaats innemen als uiteindelijke
146 VII, 1,81 | slecht berekend zijn op haar taak, maar vals. ~
147 VII, 1,83 | gegevens uit te stijgen om bij haar zoeken naar de waarheid
148 VII, 1,83 | delen van de wijsbegeerte in haar greep heeft, en om aldus
149 VII, 1,85 | fragmentarisering van de kennis, met haar versplinterde benadering
150 VII, 1,85 | Traditie van de Kerk als haar oorspronkelijke bron heeft104,
151 VII, 1,85 | traditie te herwinnen, die door haar authentieke wijsheid boven
152 VII, 1,87 | bepaald wordt op basis van haar geschiktheid voor een bepaalde
153 VII, 1,88 | gebracht, maar nu zien we haar herleven in de nieuwe vermomming
154 VII, 1,89 | geesteshouding die bij het maken van haar keuzes, theoretische beschouwingen
155 VII, 2,92 | nakomen, die Vaticanum II haar destijds oplegde: vernieuwing
156 VII, 2,92 | oplegde: vernieuwing van haar methoden met het oog op
157 VII, 2,92 | de laatste waarheid, die haar met de openbaring wordt
158 VII, 2,93 | feitelijke middelpunt van haar reflectie zal daarom de
159 VII, 2,96(113)| zouden kunnen bieden, die haar in zekere zin zouden deformeren
160 VII, 2,97 | theologie mogelijk maakt, haar functies naar behoren uit
161 VII, 2,97 | werkelijkheid beziet in haar ontologische, oorzakelijke
162 VII, 2,97 | In de theologie, die haar beginselen ontvangt uit
163 VII, 2,99 | waarheid van Christus, die haar hoogtepunt bereikt in zijn
164 VII, 2,99 | van de Kerk presenteren in haar volledigheid118, en ook
165 Slot, 0,100 | Ook op de theologie en haar disciplines oefent de wijsbegeerte
166 Slot, 0,101 | oorspronkelijkheid die het haar mogelijk maakt om als geloofswetenschap
167 Slot, 0,101 | opgave van de theologie, haar ware verhouding met de wijsbegeerte
168 Slot, 0,101 | denken ook de wijsbegeerte haar betrekking met de theologie
169 Slot, 0,101 | de theologie steunt bij haar onderzoek naar de waarheid
170 Slot, 0,101 | traditie van het Godsvolk met haar veelheid aan kennis en culturen
171 Slot, 0,104 | licht van de rede en volgens haar wetten argumenteert, maar
172 Slot, 0,104 | begrip dat het woord van God haar schenkt, kan zij een reflectie
173 Slot, 0,104 | tegenstanders van de Kerk zijn en haar op allerlei manieren vervolgen”. 126
174 Slot, 0,105 | filosofische traditie in al haar aspecten, of deze nu wel
175 Slot, 0,106 | de mensheid in hoge mate haar huidige ontwikkeling te
176 Slot, 0,108 | Mijn laatste gedachte geldt haar die het gebed van de Kerk
177 Slot, 0,108 | wijsbegeerte ertoe geroepen haar rationele en kritische arbeid
178 Slot, 0,108 | woord van Gabriël, niets van haar ware vrijheid en menselijkheid
179 Slot, 0,108 | van het geloof” 132. In haar zagen zij een lichtend beeld
180 Slot, 0,108 | aan de Waarheid en die in haar hart te bewaren, haar voor
181 Slot, 0,108 | in haar hart te bewaren, haar voor altijd heeft gedeeld
|