Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | kennen, des te beter leert hij zichzelf kennen in zijn
2 Inl, 0,1 | wil onderscheiden, doordat hij zichzelf kent. Overigens
3 Inl, 0,4 | verbazing gegrepen, zodra hij ontdekt dat hij deel is
4 Inl, 0,4 | gegrepen, zodra hij ontdekt dat hij deel is van de wereld en
5 Inl, 0,4 | op hem lijken en wier lot hij deelt. Hier begint de weg
6 Inl, 0,4 | herhaling en zeer spoedig zou hij niet meer werkelijk als
7 I, 1,11 | Zoon’ (Hebr 1, 1-2). Want Hij heeft zijn Zoon gezonden,
8 I, 1,11 | heeft (vgl. Joh 5,36; 17,4). Hij dus die zegt: wie Mij ziet,
9 I, 1,12 | mensheid kunnen vaststellen. Hij bereikt ons in hetgeen voor
10 I, 1,12 | en zijn verrijzenis heeft Hij het goddelijk leven geschonken,
11 I, 2,13 | aanschijn van de Vader, want Hij is immers gekomen “om Gods
12 I, 2,13 | geloofwaardigheid van wat Hij openbaart. Door het geloof
13 I, 2,13 | getuigenis. Dat wil zeggen dat hij geheel en al de waarheid
14 I, 2,13 | waarlijk aanwezig en levend, Hij werkt en handelt door zijn
15 I, 2,14 | mens niet kan afzien, als hij ertoe wil komen het geheim
16 I, 2,14 | steeds uit te breiden, totdat hij beseft dat hij zonder verzuim
17 I, 2,14 | breiden, totdat hij beseft dat hij zonder verzuim alles wat
18 I, 2,15 | het ware wordt, inzoverre hij nog in staat is de blik
19 I, 2,15 | leven te herwinnen doordat hij de weg van de waarheid gaat.
20 II, 1,16 | schrijver de wijze mens, die hij zou willen beschrijven,
21 II, 1,16 | een plek waar het goed is. Hij plaatst zijn kinderen onder
22 II, 1,16 | onder haar beschutting en hij woont onder haar takken.
23 II, 1,16 | takken. Door haar wordt hij tegen de hitte beschut en
24 II, 1,16 | onder haar pracht vindt hij rust.” (Sir 14, 20-27) ~
25 II, 1,16 | ten einde gaan, wanneer hij met een juist gestemd hart
26 II, 1,17 | Psalmist aangedragen, wanneer hij bidt: “Hoe moeilijk zijn
27 II, 1,18 | deze regels afwijkt loopt hij het gevaar van mislukking
28 II, 1,18 | gevaar van mislukking en komt hij tenslotte in de toestand
29 II, 1,18 | dwaas maakt zich wijs, dat hij veel dingen weet, maar is
30 II, 1,18 | houding aan te nemen. Als hij dan zo ver gaat, te beweren: “
31 II, 1,18 | vgl. Ps 14,1), onthult hij volkomen helder hoe ontoereikend
32 II, 1,18 | zijn weten is en hoe ver hij af staat van de volle waarheid
33 II, 1,19 | 19-20), in één woord, dat hij in staat is te filosoferen,
34 II, 1,19 | staat is te filosoferen, zet hij een zeer opmerkelijke stap
35 II, 1,19 | denken oppakt, waarnaar hij in deze context klaarblijkelijk
36 II, 1,19 | klaarblijkelijk verwijst, verklaart hij, dat men juist door verstandig
37 II, 1,19 | verstand eigen zijn, dan kan hij tot kennis van de Schepper
38 II, 1,20 | verstand tot de waarheid, omdat hij tegelijk met het geloof
39 II, 2,21 | over deze situatie waarin hij zich bevond, heeft de bijbelse
40 II, 2,21 | bijbelse mens ontdekt dat hij zichzelf alleen begrijpen
41 II, 2,21 | begrijpen kan voorzover hij ‘in relatie staat’: in relatie
42 II, 2,21 | het oneindige, waardoor hij tot dan toe ongedachte mogelijkheden
43 II, 2,21 | waarheid te vervolgen, put hij uit de zekerheid dat God
44 II, 2,21 | onbeproefd te laten. Doordat hij steunt op God blijft hij
45 II, 2,21 | hij steunt op God blijft hij steeds en overal gericht
46 II, 2,22 | door de schepselen geeft Hij het verstand de intuïtie
47 II, 2,23 | leer en van de paradox, die hij wil uitdrukken: “God heeft
48 III, 1,24 | altaar trok zijn aandacht, en hij nam het tegelijk als aanleiding
49 III, 1,24 | gemeenschappelijke basis te leggen waarop hij kon beginnen met de verkondiging
50 III, 1,24 | het Kerygma. En zo sprak hij: “Atheners, aan alles zie
51 III, 1,24 | leven brengt. Dan vervolgt hij zijn toespraak aldus: “Uit
52 III, 1,24 | aldus: “Uit één mens heeft Hij heel het mensenvolk gemaakt
53 III, 1,24 | overal op aarde te wonen. Hij heeft bepaalde tijden vastgesteld
54 III, 1,24 | tastenderwijs zouden vinden; Hij is immers niet ver van ieder
55 III, 1,24 | die de mens kan gaan als hij wil; hij begint met het
56 III, 1,24 | mens kan gaan als hij wil; hij begint met het vermogen,
57 III, 1,24 | verschillende tijden bewezen dat hij in staat is, aan dit diepste
58 III, 1,24 | geworden tot kanalen waarin hij zijn verlangende zoeken (...)
59 III, 1,25 | dit weten; daarom stelt hij belang in de feitelijke
60 III, 1,25 | van zijn kennis. Wanneer hij ontdekt dat zij vals is,
61 III, 1,25 | dat zij vals is, verwerpt hij haar; wanneer hij daarentegen
62 III, 1,25 | verwerpt hij haar; wanneer hij daarentegen de waarheid
63 III, 1,25 | ervan kan vaststellen, is hij tevreden. Dat is de leer
64 III, 1,25 | de H. Augustinus, wanneer hij schrijft: “Ik heb velen
65 III, 1,25 | dán als volwassen, wanneer hij met eigen middelen kan onderscheiden
66 III, 1,25 | menselijke persoon, als hij handelt overeenkomstig zijn
67 III, 1,25 | gelukzaligheid in en streeft hij naar volmaaktheid. Ook in
68 III, 1,26 | over zijn einde kennen. Hij wil weten, of de dood het
69 III, 1,26 | over de dood heen reikt; of hij mag hopen op een voortbestaan
70 III, 1,27 | blijken. Met andere woorden: hij zoekt naar een definitieve
71 III, 2,28 | voor dat de mens, zodra hij maar een glimp van de waarheid
72 III, 2,28 | ervoor wegvlucht, omdat hij bang is voor haar eisen.
73 III, 2,28 | beïnvloedt de waarheid, ook als hij haar mijdt, altijd zijn
74 III, 2,28 | bestaan. Want nooit zou hij zijn leven kunnen bouwen
75 III, 2,29 | iets te zoeken, waarvan hij toch niets wist of dat hij
76 III, 2,29 | hij toch niets wist of dat hij voor absoluut onbereikbaar
77 III, 2,29 | verschijnsel, vertrouwt hij er vanaf het begin op, een
78 III, 2,29 | niet op bij mislukkingen. Hij houdt zijn oorspronkelijke
79 III, 2,29 | voor nutteloos alleen omdat hij het doel niet bereikt heeft;
80 III, 2,29 | bereikt heeft; veeleer zal hij, terecht, zeggen dat hij
81 III, 2,29 | hij, terecht, zeggen dat hij nog niet het adequate antwoord
82 III, 2,30 | filosofische opvattingen, waarmee hij zijn leven inricht. Hij
83 III, 2,30 | hij zijn leven inricht. Hij vormt zich op de een of
84 III, 2,30 | bestaan: in dit licht duidt hij zijn persoonlijk lot en
85 III, 2,30 | regelt zijn gedrag. Hier zou hij zich de vraag moeten stellen
86 III, 2,31 | geschapen om alleen te leven. Hij wordt geboren en groeit
87 III, 2,31 | Vanaf zijn geboorte bevindt hij zich dus ingevoegd in verschillende
88 III, 2,31 | verschillende tradities, waarvan hij niet alleen de taal en de
89 III, 2,31 | veelvoud aan waarheden, waaraan hij bijna instinctief gelooft.
90 III, 2,31 | talrijker dan die welke hij door persoonlijk onderzoek
91 III, 2,32 | waarheid van de persoon: wat hij is en wat hij van zijn innerlijk
92 III, 2,32 | persoon: wat hij is en wat hij van zijn innerlijk zichtbaar
93 III, 2,32 | waarheid over het bestaan. Hij weet, dat hij in de ontmoeting
94 III, 2,32 | het bestaan. Hij weet, dat hij in de ontmoeting met Jezus
95 III, 2,32 | waarheid te herroepen, die hij in de ontmoeting met Christus
96 III, 2,32 | ieder spreekt over hetgeen hij in zijn binnenste reeds
97 III, 2,32 | diep vertrouwen op, omdat hij zegt wat wij reeds ervaren,
98 III, 2,33 | naar een persoon aan wie hij zich kan toevertrouwen.
99 III, 2,33(28) | de mens en waartoe dient hij? Wat is goed aan hem en
100 III, 2,33(28) | maatstaf voor de diepte waarmee hij zijn bestaan beheerst. In
101 III, 2,34 | Ef 4,21; Kol 1, 15-20). Hij is het eeuwige Woord, waarin
102 III, 2,34 | geschapen is, en tegelijk is hij het vleesgeworden Woord,
103 III, 2,34(29) | Gods beschikkingen’, zoals hij schreef in zijn brief aan
104 III, 2,34(29) | anticipeert en bijstaat, doordat Hij in de diepte van zijn geest
105 IV, 1,37 | esoterisch speculeren, wanneer hij de Kolossenzen waarschuwt: “
106 IV, 1,38 | dan ingeslagen worden, als hij naar het laatste doel, dat
107 IV, 1,38 | genoemd worden: ofschoon hij zijn hoge achting voor de
108 IV, 1,38 | bekering bewaard had, stelde hij duidelijk en beslist, in
109 IV, 1,38 | wijsbegeerte” 33 en interpreteerde hij de wijsbegeerte naar analogie
110 IV, 1,39 | Platoonse wijsbegeerte over. Hij neemt tal van elementen
111 IV, 1,40 | zijn blikveld kwam, had hij de kracht om die radicale
112 IV, 1,40 | De reden daarvoor vertelt hij zelf: “Van dan af gaf ik
113 IV, 1,40 | Dezelfde Platonici, aan wie hij bij voorkeur refereerde,
114 IV, 1,40 | heiligheid van leven, was hij ook in staat in zijn werken
115 IV, 1,42 | ontbrandt in liefde voor dat wat hij kent, ook wanneer hij moet
116 IV, 1,42 | wat hij kent, ook wanneer hij moet toegeven dat hij nog
117 IV, 1,42 | wanneer hij moet toegeven dat hij nog niet alles heeft gedaan
118 IV, 1,42 | tevreden moet stellen als hij met behulp van rationele
119 IV, 2,43 | vanwege de betrekking die hij in de dialoog met het Arabische
120 IV, 2,43 | filosofie herontdekten, had hij de grote verdienste dat
121 IV, 2,43 | de grote verdienste dat hij de harmonie die tussen rede
122 IV, 2,43 | heeft, met hoeveel nadruk hij ook het bovennatuurlijke
123 IV, 2,43 | rationaliteit niet vergeten: ja, hij kon in de diepte gaan en
124 IV, 2,43 | vrijheid van geest, toen hij de nieuwe problemen tegemoet
125 IV, 2,43 | hun afwijzing a priori. Hij ging daarom de geschiedenis
126 IV, 2,43 | kern van de oplossing die hij met zijn geniale profetische
127 IV, 2,43 | evangelie; daarmee onttrok hij zich aan de tegennatuurlijke
128 IV, 2,44 | waarheid.” 49 ~De voorrang die hij aan deze wijsheid toekent
129 IV, 2,44 | onbaatzuchtig van de waarheid. Hij zocht haar overal, waar
130 IV, 2,44 | nooit had kunnen denken”. 51 Hij mag dus met recht “Apostel
131 IV, 2,44 | genoemd worden. Omdat hij zonder voorbehoud zijn aandacht
132 IV, 2,44 | de waarheid richtte, kon hij in zijn realisme haar objectiviteit
133 IV, 3,47 | steeds meer bedreigd door wat hij zelf voortbrengt: door de
134 IV, 3,47 | in groeiende angst leven Hij vreest, dat wat hij voortbrengt
135 IV, 3,47 | leven Hij vreest, dat wat hij voortbrengt zich wel eens
136 V, 1,54 | Pius XII zijn stem, toen hij in de encycliek Humani generis
137 V, 1,54 | existentialisme en historicisme. Hij stelde duidelijk, dat deze
138 V, 1,54 | schaapsstal van Christus”; 68 hij voegde er echter aan toe
139 V, 2,57 | scheidt van de rede, verenigt hij beide door de banden van
140 V, 2,57 | wederzijdse vriendschap: hij staat beide hun rechten
141 V, 2,60 | mens ten volle zien wie hij is en onthult Hij hem de
142 V, 2,60 | zien wie hij is en onthult Hij hem de sublieme grootheid
143 VI, 1,66 | deze waarheid uit doordat hij niet alleen de logische
144 VI, 1,66 | instemming uit het geloof heeft hij aan dit mysterie deel. ~
145 VI, 1,67(90) | leven, naar het doel dat hij eraan wil geven, en naar
146 VI, 1,70 | dichtbij gekomen. Want Hij is onze vrede. Hij verenigde
147 VI, 1,70 | Want Hij is onze vrede. Hij verenigde de beide delen (
148 VI, 1,71 | afhankelijk en beïnvloedt haar. Hij is tegelijk kind en vader
149 VI, 1,71 | vader van de cultuur waarin hij is ingebed. In elk van zijn
150 VI, 1,71 | van zijn uitingen draagt hij iets wat hem boven de schepping
151 VI, 1,72 | Nostra Aetate aanzet, moet hij een rij criteria hanteren.
152 VI, 2,76 | de term geoorloofd, maar hij mag niet verkeerd begrepen
153 VI, 2,76 | verkeerd begrepen worden: hij bedoelt geenszins te suggereren
154 VI, 2,76 | vereniging met het geloof. Hij verwijst dus niet eenvoudigweg
155 VI, 2,76 | kwesties aan te pakken die hij zonder de gegevens van de
156 VI, 2,77 | opzichte van de theologie. Hij werd eerder gebruikt in
157 VI, 2,77 | we verwezen hebben, maar hij heeft door de geschiedenis
158 VI, 2,77 | theologie zou uitsluiten dan zou hij verplicht zijn zelfstandig
159 VI, 2,78 | denken ooit gekomen is, omdat hij in staat was de radicale
160 VII, 1,81 | alleen maar erger, zodat hij gemakkelijk kan uitlopen
161 VII, 1,81 | harmoniserende uitleg van alles wat hij doet in de wereld. Daarom
162 VII, 1,90(106) | gegrondvest is op de waarheid; Hij die de mens bevrijdt van
163 VII, 1,91 | verschijnselen. Toen werd hij overgeplant naar het wijsgerige
164 VII, 1,91 | het wijsgerige veld, maar hij is wat tweeduidig gebleven,
165 VII, 2,92 | opening van het concilie? Hij zei toen: “Het is nodig
166 VII, 2,92(109) | afleggen” van Hem. Nu zegt Hij: “Hij zal u leiden in de
167 VII, 2,92(109) | van Hem. Nu zegt Hij: “Hij zal u leiden in de volle
168 VII, 2,92(109) | aan het kruis, dat toen Hij deze woorden sprak, juist
169 VII, 2,93 | rechterhand van Vader; vandaar zal Hij de Geest der waarheid uitzenden,
170 VII, 2,97 | traditie wil integreren, moet hij zich bedienen van de filosofie
171 Slot, 0,101(123)| zich van bewust zijn dat hij in hechte vereniging is
172 Slot, 0,102 | bevestigd wordt, naarmate hij zich meer toevertrouwt aan
173 Slot, 0,107 | misleiding van overtuigd, dat hij zijn absoluut eigen heer
174 Slot, 0,107 | toekomst kan beslissen, wanneer hij uitsluitend op zichzelf
175 Slot, 0,107 | horizon van de waarheid zal hij begrijpen, hoe zijn vrijheid
176 Slot, 0,107 | volle zin ontplooit en dat hij geroepen is tot liefde en
|