Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
menen 1
mening 1
meningen 3
mens 171
mensbeeld 1
menselijk 23
menselijke 63
Frequency    [«  »]
181 haar
178 naar
176 hij
171 mens
169 geloof
157 god
156 ook
Ioannes Paulus PP. II
Fides et Ratio

IntraText - Concordances

mens

    Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | heeft ontvouwen; hoe meer de mens de werkelijkheid en de wereld 2 Inl, 0,1 | minste regel door iedere mens moet worden aangenomen die 3 Inl, 0,1 | de schepping juist alsmenswil onderscheiden, doordat 4 Inl, 0,1 | zoektocht naar zin, die de mens sedert de vroegste tijden 5 Inl, 0,2 | waarheid over het leven van de mens als geschenk heeft ontvangen, 6 Inl, 0,3 | 3. De mens bezit veel mogelijkheden 7 Inl, 0,3 | juist in de tijd toen de mens begonnen is, vragen te stellen 8 Inl, 0,3 | waarheid tot de natuur van de mens hoort. Het is een eigenschap 9 Inl, 0,3 | verschillende culturen waarin de mens leeft, elkaar aanvullen. 10 Inl, 0,4 | te ontdekken, probeert de mens die universele kennis te 11 Inl, 0,4 | beschouwing van de schepping; de mens wordt door verbazing gegrepen, 12 Inl, 0,4 | Zonder de verbazing zou de mens vervallen in de monotonie 13 Inl, 0,5 | die de existentie van de mens betreffen. Tegelijkertijd 14 Inl, 0,5 | dat zij de aandacht op de mens heeft geconcentreerd. Daaruit 15 Inl, 0,5 | eenzijdige onderzoeken naar de mens als subject, vergeten schijnt 16 Inl, 0,5 | vergeten schijnt dat deze mens er ook altijd toe geroepen 17 Inl, 0,5 | geconcentreerd op de kennis van de mens. In plaats van gebruik te 18 Inl, 0,5 | van de mogelijkheid die de mens heeft om de waarheid te 19 Inl, 0,5 | trachten te ontkrachten, die de mens als zekerheid had verworven. 20 Inl, 0,6 | geloofswaarheid kunnen we aan de mens van onze tijd weer echt 21 I, 1,7 | 2). De kennis die zij de mens aanbiedt komt niet uit haar 22 I, 1,7 | kennen en de kennis die de mens van Hem heeft, brengt alle 23 I, 1,11 | waarheid, die God aan de mens over Zichzelf en over zijn 24 I, 1,11 | vlees geworden Woord, alsmens tot de mensengezonden, ‘ 25 I, 1,12 | neemt de gedaante van een mens aan. De in de openbaring 26 I, 1,12 | deze openbaring wordt de mens de laatste waarheid over 27 I, 1,12 | in het mysterie van het mens geworden Woord licht het 28 I, 1,12 | licht het mysterie van de mens op12, stelt de constitutie 29 I, 1,12 | opstanding van Christus, zou de mens het antwoord kunnen zoeken 30 I, 2,13 | Door het geloof geeft de mens zijn instemming met dit 31 I, 2,13 | garant staat. Deze aan de mens geschonken en door hem niet 32 I, 2,13 | In het geloof voltrekt de mens de meest betekenisvolle 33 I, 2,13(15) | wil vraagt: “Aangezien de mens volledig afhankelijk is 34 I, 2,13 | een voor het leven van de mens wezenlijk feit: “Christus 35 I, 2,13 | Vader en van zijn liefde, de mens zelf ten volle aan de mens 36 I, 2,13 | mens zelf ten volle aan de mens en ontsluit voor hem zijn 37 I, 2,14 | referentiepunt waarvan de mens niet kan afzien, als hij 38 I, 2,15 | de ware leidstér voor de mens tussen de druk van een immanentistische 39 I, 2,15 | terug te vinden. Aan de mens die verlangt naar kennis 40 I, 2,15 | In het binnenste van de mens woont de waarheid]. 21 ~ 41 II, 1,16 | heilige schrijver de wijze mens, die hij zou willen beschrijven, 42 II, 1,16 | maar alleen om het voor de mens begrijpelijk te maken, dat 43 II, 1,16 | veelbetekenend: “Het hart van de mens bedenkt zijn weg, maar de 44 II, 1,16 | zou kunnen zeggen dat de mens met het licht van het verstand 45 II, 1,16 | scheiden zonder dat het voor de mens onmogelijk wordt, zichzelf, 46 II, 1,17 | zoeken” (Spr 16,9). God en de mens zijn in hun respectieve 47 II, 1,17 | maakt zijn eer uit; aan de mens is het, met zijn verstand 48 II, 1,17 | kracht, dat het hart van de mens ondanks de ervaring van 49 II, 1,18 | is dat het kennen van de mens een weg is die geen stilstand 50 II, 1,18 | wereld erkennen. ~Wanneer de mens van deze regels afwijkt 51 II, 1,19 | heeft onderstreept dat de mens met zijn rede in staat is, “ 52 II, 1,19 | boek van de natuur”; als de mens dit boek leest met de middelen 53 II, 1,19 | Schepper komen. Wanneer de mens met zijn verstand God, de 54 II, 1,20 | schreden van ieder. Hoe zou de mens zijn weg kunnen begrijpen?” ( 55 II, 1,20 | krijgt. In één woord: de mens komt door het verstand tot 56 II, 2,21 | zorgvuldige waarneming van de mens, de wereld en de geschiedenis, 57 II, 2,21 | bevond, heeft de bijbelse mens ontdekt dat hij zichzelf 58 II, 2,22 | metafysische vermogen van de mens wordt bevestigd. De apostel 59 II, 2,22 | scheppingsplan het vermogen van de mens voorzien was om de wereld 60 II, 2,22 | ongehoorzaamheid, waardoor de mens volledig en absoluut onafhankelijk 61 II, 2,22 | aanschouwelijk deze toestand van de mens, wanneer het vertelt dat 62 II, 2,22 | symbool is duidelijk: de mens was niet in staat om uit 63 II, 2,22 | zonde de gedachten van de mens ‘ijdel’ geworden zijn en 64 II, 2,23 | de wijsheid van de wijze mens voldoende, maar er is een 65 II, 2,23 | sterk” (2Kor 12, 10). De mens kan niet begrijpen, hoe 66 II, 2,23 | zelfoverstijging van de mens naar de waarheid, te erkennen, 67 III, 1,24 | toespraak aldus: “Uit één mens heeft Hij heel het mensenvolk 68 III, 1,24 | bestaat dus een weg die de mens kan gaan als hij wil; hij 69 III, 1,24 | oneindige te koersen. De mens heeft op verschillende manieren, 70 III, 1,25 | dingen in waarheid zijn. De mens is het enige wezen in de 71 III, 1,25 | voor hem zichtbaar is. De mens kan niet oprecht ongeïnteresseerd 72 III, 1,25 | worden”. 24 Terecht geldt de mens dán als volwassen, wanneer 73 III, 1,25 | bestaat niet... Als er voor de mens het recht bestaat op zijn 74 III, 1,25 | van de waarden vindt de mens niet door zich in zichzelf 75 III, 1,26 | presenteert zich bij de mens aanvankelijk in de vorm 76 III, 1,26 | gezicht zou het bestaan van de mens als persoon volkomen zinloos 77 III, 1,27 | wijsgeer zo min als de gewone mens, kan deze vragen ontlopen. 78 III, 1,27 | universaliteit zoekt de mens echter naar een absolutum 79 III, 1,27 | zijn. Hypothesen kunnen de mens fascineren, maar ze bevredigen 80 III, 1,27 | uitdrukkingsvormen, waarin de mens zijnfilosofievorm probeert 81 III, 2 | gezichten van de waarheid van de mens~ 82 III, 2,28 | onderdrukken. Het komt voor dat de mens, zodra hij maar een glimp 83 III, 2,28 | en vrees. Men kan dus de mens definiëren als degene die 84 III, 2,29 | een eerste antwoord in. De mens zou helemaal niet beginnen 85 III, 2,29 | echter het vermogen van de mens, fundamenteel tot de waarheid 86 III, 2,30 | aard plaatsen waartoe de mens komt door de speculatieve 87 III, 2,30 | al gezegd heb, is iedere mens in zekere zin filosoof met 88 III, 2,31 | 31. De mens is niet geschapen om alleen 89 III, 2,31 | zijn in het leven van de mens de simpelweg geloofde waarheden 90 III, 2,31 | religiositeit hebben verzameld? De mens, een wezen dat naar de waarheid 91 III, 2,32 | De volmaaktheid van de mens ligt namelijk niet alleen 92 III, 2,32 | vertrouwvolle zelfgave vindt de mens volledige zekerheid en veiligheid. 93 III, 2,32 | de waarheid: de gelovige mens vertrouwt zich toe aan de 94 III, 2,33 | schuiven tot een geheel. De mens zoekt van nature naar de 95 III, 2,33 | wetenschappelijke waarheden bestemd; de mens zoekt niet alleen voor elk 96 III, 2,33 | denken vervat liggen is de mens in staat, een dergelijke 97 III, 2,33 | bereikt, maar ook doordat de mens zich vertrouwvol verlaat 98 III, 2,33 | zijn leven aan een andere mens toe te vertrouwen, horen 99 III, 2,33 | komt naar voren, dat de mens zich bevindt op een naar 100 III, 2,33 | verwerkelijkt te zien. Door bij de mens het stadium van het gewone 101 III, 2,33(28) | gesproken heb. “‘Wat is de mens en waartoe dient hij? Wat 102 III, 2,33(28) | Deze vragen draagt iedere mens in het diepst van zijn hart, 103 III, 2,33(28) | ernstige vraag stelt, die de mens pas werkelijk tot mens maakt. 104 III, 2,33(28) | de mens pas werkelijk tot mens maakt. Ze zijn uitdrukking 105 III, 2,33(28) | verstand en de wil van de mens worden hier geactiveerd 106 III, 2,33(28) | het diepe verlangen van de mens naar de waarheid en vormt 107 IV, 1,36 | morele geweten van iedere mens (vgl. Rom 1,19-21; 2,14- 108 IV, 1,36 | van deze zoektocht van de mens. Het was de taak van de 109 IV, 1,39 | vergoddelijking van de mens en oorsprong van het kwaad 110 IV, 1,42 | noemt - zij, over wie de mens niets of bijna niets kan 111 IV, 3,46 | lopen dat niet langer de mens en het geheel van zijn leven 112 IV, 3,46 | natuur en zelfs over de mens. ~Als gevolg van de crisis 113 IV, 3,47 | schreef: “De hedendaagse mens wordt kennelijk steeds meer 114 IV, 3,47 | van hun gevolgen tegen de mens zelf, al is het dan soms 115 IV, 3,47 | universele dimensie. Het doet de mens in groeiende angst leven 116 IV, 3,47 | maar precies dat waarin de mens een aanzienlijk deel van 117 V, 1,50 | inhouden, zoals de themas God, mens, zijn vrijheid en zijn morele 118 V, 1,51 | volledige verklaring van de mens, de wereld en de betrekking 119 V, 1,51 | en de betrekking van de mens met God. ~In de huidige 120 V, 2,60 | Inderdaad, het mysterie van de mens wordt eerst echt verhelderd 121 V, 2,60 | Adam immers, de eerste mens, was de voorafbeelding van 122 V, 2,60 | Vader en zijn liefde de mens ten volle zien wie hij is 123 V, 2,60 | samenhangende kennisneming van de mens, de wereld en van God. Daarbij 124 V, 2,61 | de laatste vragen van de mens grotendeels achterwege te 125 V, 2,61 | van het mysterie van de mens. 85 Het appèl aan de theologen 126 VI, 1,64 | wordt gericht aan iedere mens, op elk moment en op iedere 127 VI, 1,64 | plaats ter wereld; en de mens is van nature wijsgeer. 128 VI, 1,66 | relatie tussen God en de mens, de identiteit van Christus, 129 VI, 1,66 | Christus, die ware God en ware mens is, niet aanschouwelijk 130 VI, 1,66 | van de wereld en van de mens moet verwerven, die ook 131 VI, 1,66 | gefundeerde filosofie van de mens, van de wereld en, radicaler, 132 VI, 1,67(90) | voorwaarden waaronder de mens vanuit zichzelf de eerste 133 VI, 1,70 | typische openheid van de mens voor het universele en het 134 VI, 1,70 | zonder twijfel nuttig voor de mens die ze wijzen op waarden 135 VI, 1,71 | dynamische krachten? Iedere mens is vervlochten met een cultuur, 136 VI, 1,72 | dat zou het wezen van de mens tegenspreken. ~ 137 VI, 2,76 | bovennatuurlijke roeping van de mens en ook de erfzonde. Dat 138 VII, 1,80 | bovendien een kijk op de mens als imago Dei, beeld van 139 VII, 1,80 | ieder schepsel, inclusief de mens, voor God staat, tot conflicten 140 VII, 1,80 | onthult zijn antwoord door de mens te wijzen op Jezus Christus, 141 VII, 1,80 | essentie van God en van de mens worden begrijpbaar: in het 142 VII, 1,81 | wereld en het leven van de mens, maken deze twijfel alleen 143 VII, 1,81 | technische capaciteit van de mens vraagt om een vernieuwd 144 VII, 1,81 | uiteindelijke bestemming van de mens en verschaft een harmoniserende 145 VII, 1,81 | religieuze impuls die iedere mens als persoon eigen is. Een 146 VII, 1,83 | wil ik het vermogen van de mens erkennen, deze transcendente 147 VII, 1,83 | metafysisch onderzoek. ~Waar de mens ook maar een verwijzing 148 VII, 1,83 | de innerlijkheid van de mens en zijn spiritualiteit uitdrukt 149 VII, 1,84 | duidelijk dat de taal van de mens in staat is om de goddelijke 150 VII, 1,85 | uitdrukking brengen, dat de mens in staat is, te komen tot 151 VII, 1,85 | verbrokkeling van de zin, houdt de mens van vandaag ervan af, te 152 VII, 1,88 | eschatologische problemen die de mens, als animal rationale, constant 153 VII, 1,89 | een-dimensio-nale visie op de mens, een visie die de grote 154 VII, 1,90 | van de humaniteit van de mens en van zijn identiteit. 155 VII, 1,90 | beurt mogelijk om van de mens de trekken van zijn gelijkenis 156 VII, 1,90(106)| raakt van de waarheid over mens en wereld. Ook vandaag, 157 VII, 1,90(106)| is Christus Degene die de mens de vrijheid brengt die gegrondvest 158 VII, 1,90(106)| de waarheid; Hij die de mens bevrijdt van alles wat de 159 VII, 1,91 | onherroepelijk voorbij, en moet de mens thans leren te leven binnen 160 VII, 1,91 | technische vooruitgang de mens als demiurg leeft, die uit 161 VII, 2,92(109)| het het geloof is dat de mens binnenleidt in de werkelijkheid 162 VII, 2,92(109)| van zijn activiteit in de mens. De heilige Geest moet hierbij 163 VII, 2,92(109)| de hoogste Leider van de mens zijn en het Licht van de 164 VII, 2,95 | omstandigheden uitstijgt. ~De mens is in staat om met behulp 165 VII, 2,98 | het morele geweten van de mens gedesoriënteerd. In de encycliek 166 Slot, 0,102 | ware wijsheid is, zal de mens van vandaag gaan beseffen 167 Slot, 0,104 | antwoord op de problemen van de mens, 127 aan het licht komt, 168 Slot, 0,106 | van de wereld of van de mens betreft, nooit ten einde 169 Slot, 0,107 | intensief te bekommeren om de mens, die Christus in het geheim 170 Slot, 0,107 | nooit de grootheid van de mens kunnen uitmaken. Bepalend 171 Slot, 0,108 | geheel aan te bieden als mens en als vrouw opdat Gods


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License