Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,5 | hulp om het begrip van het geloof te verdiepen en om de waarheid
2 Inl, 0,6 | grondslag in relatie tot het geloof concentreren. Want men kan
3 I, 1,8 | valse stellingen tegen het geloof naar voren werd gebracht,
4 I, 1,8 | bestaat, die eigen is aan het geloof. Deze kennis is de uitdrukking
5 I, 1,8(6) | Constitutie over het Katholieke Geloof Dei Filius, III: DS 3008. ~
6 I, 1,9 | andere door het goddelijk geloof; ten aanzien van het object,
7 I, 1,9 | zouden kunnen worden.” 7 Het geloof, dat stoelt op Gods getuigenis
8 I, 1,9 | natuurlijke verstand, terwijl het geloof, door God verlicht en geleid,
9 I, 2,13 | ons begrijpen. Alleen het geloof staat het ons toe in de
10 I, 2,13 | de gehoorzaamheid van het geloof betracht moet worden” 14.
11 I, 2,13 | heet het vooral dat het geloof een gehoorzaam antwoord
12 I, 2,13 | Hij openbaart. Door het geloof geeft de mens zijn instemming
13 I, 2,13 | beleefd wordt15. In het geloof is de vrijheid dus niet
14 I, 2,13 | ze is vereist. Ja, het geloof maakt het ieder mogelijk
15 I, 2,13 | gezien kunnen worden? In het geloof voltrekt de mens de meest
16 I, 2,13 | begrijpt niet, maar het geloof bevestigt je voorbij de
17 I, 2,13(15) | zijn wij verplicht in het geloof aan de zich openbarende
18 I, 2,13(15) | Constitutie over het Katholieke Geloof Dei Filius, III: DS 3008). ~
19 I, 2,14 | doorgronden, maar alleen in geloof ontvangen en aannemen. Tussen
20 I, 2,15 | die tenslotte, zoals het geloof ons zegt, uitkomt in de
21 II, 1,16 | teksten niet alleen het geloof van Israël vervat is, maar
22 II, 1,16 | worden, zonder dat echter het geloof bij dit proces ooit afzijdig
23 II, 1,16 | tegelijkertijd bekent tot het geloof in de in haar werkende God.
24 II, 1,16 | in haar werkende God. Het geloof scherpt de inwendige blik
25 II, 1,16 | kadert in het raam van het geloof. Verstand en geloof laten
26 II, 1,16 | het geloof. Verstand en geloof laten zich daarom niet scheiden
27 II, 1,17 | concurrentiestrijd tussen verstand en geloof.: het een bevat het ander,
28 II, 1,20 | wijdere perspectief van het geloof: “De Heer leidt de schreden
29 II, 1,20 | Oude Testament bevrijdt het geloof dus de rede omdat het haar
30 II, 1,20 | omdat hij tegelijk met het geloof de diepe zin van alles,
31 II, 2,21 | voortdurende relatie met het geloof en met de inhoud van de
32 II, 2,23 | zich met de hulp van het geloof openstellen om de ‘dwaasheid’
33 II, 2,23 | systeem. De verhouding van geloof en wijsbegeerte stoot in
34 II, 2,23 | grens tussen verstand en geloof, maar ook wordt er de ruimte
35 III, 2,31 | degene die leeft van het geloof. ~
36 III, 2,32 | 32. In het geloof vertrouwt ieder zich toe
37 III, 2,32 | vervolmaken; anderzijds blijkt het geloof vaak menselijk rijker dan
38 III, 2,32 | tegelijkertijd is de kennis door het geloof, die steunt op het tussenmenselijke
39 III, 2,33 | toevertrouwen. Het christelijk geloof komt hem daarin tegemoet,
40 III, 2,33 | waarheid is, erkent het geloof aldus de laatste oproep
41 III, 2,34(29) | beide waarheden, die van het geloof en die van de wetenschap,
42 III, 2,34(29) | tegengesteld zijn aan het geloof: de werkelijkheid van de
43 III, 2,34(29) | van de wereld en van het geloof hebben hun oorsprong in
44 III, 2,35 | allereerst de betrekkingen tussen geloof en wijsbegeerte in de loop
45 IV | Hoofdstuk IV~De Verhouding Van Geloof En Rede~
46 IV, 1 | Stappen In De Ontmoeting Van Geloof En Rede~
47 IV, 1,36 | tevreden; ze wilden aan hun geloof in de godheid een rationele
48 IV, 1,38 | onderwijs voor het christelijk geloof34 en een wegbereiding van
49 IV, 1,38 | veeleer de verdediging van het geloof:: “In zichzelf volmaakt
50 IV, 1,40 | waarheid van het christelijk geloof in zijn blikveld kwam, had
51 IV, 1,41 | probleem van de verhouding van geloof en wijsbegeerte; ze zagen
52 IV, 1,41 | omdat ze de inhoud van het geloof intensief beleefden, konden
53 IV, 1,42 | Kantelberg is de voorrang van het geloof niet in concurrentie met
54 IV, 1,42 | nog eens bevestigd: het geloof verlangt dat zijn object
55 IV, 2,43 | harmonie die tussen rede en geloof bestaat, op de voorgrond
56 IV, 2,43 | verstand en het licht van het geloof komen beide van God, luidt
57 IV, 2,43 | goddelijke openbaring. Het geloof vreest derhalve het verstand
58 IV, 2,43 | veronderstelt en voltooit het geloof het verstand. Verlicht door
59 IV, 2,43 | verstand. Verlicht door het geloof wordt dit bevrijd van zijn
60 IV, 2,43 | bovennatuurlijke karakter van het geloof onderstreepte, de waarde
61 IV, 2,43 | nader verklaren. Want het geloof is een soort “denkoefening”;
62 IV, 2,43 | tegenstelling van rede en geloof vond, was de verzoening
63 IV, 2,44 | haar enge relatie met het geloof en met de Godskennis te
64 IV, 2,44 | zij veronderstelt het geloof en formuleert tenslotte
65 IV, 2,44 | van de waarheid van het geloof: “De wijsheid, die tot de
66 IV, 2,44 | is ze ook anders dan het geloof. Want het geloof neemt de
67 IV, 2,44 | dan het geloof. Want het geloof neemt de goddelijke waarheid
68 IV, 3 | drama van de scheiding van geloof en rede~
69 IV, 3,45 | wantrouwen, ofwel om het geloof meer ruimte te gunnen ofwel
70 IV, 3,45 | stonden voor een van het geloof gescheiden en in zijn plaats
71 IV, 3,46 | manieren geprobeerd het geloof en zijn inhouden, ja zelfs
72 IV, 3,46 | atheïstisch humanisme, die het geloof presenteerden als schadelijk
73 IV, 3,48 | voortgaande scheiding is tussen geloof en wijsgerige rede. Wel
74 IV, 3,48 | vergroting van de afstand tussen geloof en rede, soms waardevolle
75 IV, 3,48 | hedendaagse verhouding van geloof en rede een subtiel onderzoek
76 IV, 3,48 | uit het oog verliest. Het geloof waaraan het verstand ontbreekt,
77 IV, 3,48 | illusie te menen dat het geloof grotere overtuigingskracht
78 IV, 3,48 | een verstand dat geen rijp geloof voor zich heeft, nooit aanleiding
79 IV, 3,48 | het juiste moment, dat het geloof en de wijsbegeerte de diepe
80 IV, 3,48 | vrijmoedigheid) van het geloof moet opgewassen zijn tegen
81 V, 1,49 | eenvoud en zuiverheid van het geloof van het Godsvolk in verwarring
82 V, 1,50 | daarom in het licht van het geloof met gezag zijn taak van
83 V, 1,50 | vanuit het aspect van het geloof opgelegd worden. In de loop
84 V, 1,50 | systeem onverenigbaar met haar geloof kan blijken. Want veel wijsgerige
85 V, 1,51 | onderscheiding in het licht van het geloof des te dringender gevraagd:
86 V, 1,51 | vanuit het standpunt van het geloof aan geldigs en vruchtbaars
87 V, 1,52 | enkele met het christelijk geloof onverenigbare opvattingen
88 V, 1,52 | alleen in het licht van het geloof kenbaar is. De positieve
89 V, 1,52 | betrekkingen tussen rede en geloof. De in die tekst vervatte
90 V, 1,53 | openbaring, verstand en geloof zijn. Het concilie ging
91 V, 1,53(63) | Constitutie over het Katholieke Geloof Dei Filius, II: DS 3004;
92 V, 1,53 | Maar ook al staat het geloof boven het verstand, toch
93 V, 1,53 | divergentie zijn tussen geloof en verstand: want dezelfde
94 V, 1,53 | geheimen openbaart en het geloof meedeelt, heeft in de menselijke
95 V, 1,53(65) | Constitutie over het Katholieke Geloof Dei Filius, IV: DS 3017. ~
96 V, 1,55(72) | het enerzijds zei: “Dit geloof echter (...) is volgens
97 V, 1,55 | hoogste richtsnoer van haar geloof” 75 ontvangt zij uit de
98 V, 1,56 | slechts, in het licht van het geloof dat in Jezus Christus deze
99 V, 1,56 | verloren gaan! Het is het geloof dat het verstand uitdaagt
100 V, 1,56 | te riskeren. Zo wordt het geloof tot overtuigde en overtuigende
101 V, 2,57 | I over de verhouding van geloof en rede op en ontwikkelde
102 V, 2,57 | fundamentele bijdrage aan het geloof en aan de theologische wetenschap
103 V, 2,57 | harmonieert met de eisen van het geloof. De paus schreef: “Juist
104 V, 2,57 | Thomas zoals het hoort het geloof volledig scheidt van de
105 V, 2,59 | nieuwe behandeling van het geloof in het licht van een hernieuwd
106 V, 2,59 | ook die de eisen van het geloof trachtten te verenigen met
107 V, 2,59 | denken in de eenheid van geloof en rede levend wilden houden. ~
108 V, 2,61 | de inculturatie van het geloof niet vergeten. Vooral het
109 V, 2,63 | vijandig staat tegenover het geloof. Het is mijn taak om enkele
110 VI, 1 | De Kennis Van Het Geloof En De Postulaten Van De
111 VI, 1,64 | dit Woord in het licht van geloof, moet van haar kant in relatie
112 VI, 1,65 | als een wetenschap van het geloof in het licht van een tweevoudig
113 VI, 1,66 | zijn instemming uit het geloof heeft hij aan dit mysterie
114 VI, 1,67 | opgave de rekenschap over het geloof is (vgl. 1Petr 3, 15), moeten
115 VI, 1,67 | van de relatie tussen het geloof en het filosofische denken.
116 VI, 1,67 | licht van de kennis door het geloof enkele waarheden aan het
117 VI, 1,67 | van een werkelijk op het geloof voorbereidende weg te erkennen
118 VI, 1,67 | verenigbaarheid bestaat tussen het geloof en zijn fundamentele eis
119 VI, 1,67 | toestemming te geven. Zo zal het geloof “aan een verstand dat oprecht
120 VI, 1,67 | wijzen. Op deze wijze kan het geloof als geschenk van God, ook
121 VI, 1,67 | verstand nodig om van het geloof gebruik te maken om de horizonten
122 VI, 1,67(90) | inleiding, opdat ook vandaag het geloof de rede bij haar oprechte
123 VI, 1,69 | gevoeligheid voor de relatie tussen geloof en cultuur, de opvatting
124 VI, 1,70 | opgetreden, die eens tot het geloof zijn gekomen. In het licht
125 VI, 1,70 | beschreven: de ontmoeting van het geloof met de verschillende culturen
126 VI, 1,71 | waarop de christenen het geloof (be-)leven is ook doordrongen
127 VI, 1,71 | ontvangers vast te houden aan het geloof; ze belet de ontvangers
128 VI, 1,72 | elementen te nemen die met zijn geloof verenigbaar zijn, zodat
129 VI, 2,75 | geschiedenis van de relatie tussen geloof en wijsbegeerte, kun je
130 VI, 2,75 | vervolmaakt: de instemming van het geloof, die rede en wil insluit,
131 VI, 2,76 | de Kerk is, aangezien het geloof als zodanig geen filosofie
132 VI, 2,76 | dynamische vereniging met het geloof. Hij verwijst dus niet eenvoudigweg
133 VI, 2,76 | niet in tegenspraak met het geloof te komen. De term christelijke
134 VI, 2,76 | bijdrage van het christelijk geloof, ~Daarom heeft christelijke
135 VI, 2,76 | subjectief, in de zin dat het geloof de rede zuivert. Als goddelijke
136 VI, 2,76 | goddelijke deugd bevrijdt het geloof de rede van de aanmatiging,
137 VI, 2,76 | die in het licht van het geloof verschijnt, dat helpt om
138 VI, 2,76 | specifieke bijdrage van het geloof: de christelijke boodschap
139 VI, 2,77 | rede in het licht van het geloof veronderstelt en vereist
140 VI, 2,77 | voor het begrijpen van het geloof.. Als de filosoof van zijn
141 VI, 2,77 | zelfstandig de inhoud van het geloof meester te worden, zoals
142 VI, 2,78 | rede en de kracht van het geloof de meest verheven synthese
143 VI, 2,79 | zijn waar het christelijk geloof en de menselijke culturen
144 VI, 2,79 | de authenticiteit van het geloof toenemen wanneer het zich
145 VI, 2,79 | denkt, gelooft.(...) Als het geloof niet denkt, is het niets”. 95
146 VI, 2,79 | instemming is, is er geen geloof, want zonder instemming
147 VII, 1,82 | postulaat, eigen aan het geloof, werd uitdrukkelijk herbevestigd
148 VII, 1,83(102) | Constitutie over het katholieke Geloof Dei Filius, IV: DS 3016. ~
149 VII, 1,84 | zichzelf buitenspel. Want het geloof veronderstelt duidelijk
150 VII, 1,85 | om dat te ondernemen. ~Ik geloof dat die wijsgeren die vandaag
151 VII, 2,92 | om dan de inhoud van het geloof te bemiddelen voor die culturen
152 VII, 2,92 | met de dynamiek die in het geloof zelf woont” en dat het eigenlijke
153 VII, 2,92(109) | als geheel genomen vraagt geloof, aangezien het het geloof
154 VII, 2,92(109) | geloof, aangezien het het geloof is dat de mens binnenleidt
155 VII, 2,92(109) | daarom bereikt in en door het geloof: en dit is het werk van
156 VII, 2,93 | openbaring en de inhoud van het geloof te verschaffen. Het feitelijke
157 VII, 2,97 | relatie die bestaat tussen geloof en metafysische rationaliteit. ~
158 VII, 2,99 | die in het licht van het geloof verdiept moeten worden.
159 Slot, 0,100 | thema van de relatie tussen geloof en wijsbegeerte opnieuw
160 Slot, 0,100 | voor het begrijpen van het geloof, alsook de grenzen die de
161 Slot, 0,100 | diepste van overtuigd dat geloof en verstand “elkaar wederzijds
162 Slot, 0,100(122)| Constitutie over het Katholieke Geloof Dei Filius, IV: DS 3019. ~
163 Slot, 0,101 | culturen in de eenheid van het geloof. ~
164 Slot, 0,103 | ontplooit in harmonie met het geloof, hoort tot die ‘evangelisering
165 Slot, 0,104 | dialoog met hen die ons geloof niet delen. De filosofische
166 Slot, 0,104 | wanneer zij geen godsdienstig geloof delen. Dat heeft het Tweede
167 Slot, 0,106 | gebruiken die, gesteund door het geloof, nog zekerder en scherpzinniger
168 Slot, 0,108 | als het begrip van het geloof, vruchtbaar en creatief
169 Slot, 0,108 | geestelijke tafel van het geloof” 132. In haar zagen zij
|