Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,2 | Sinds de Paasdag waarop zij de laatste waarheid over
2 Inl, 0,2 | geschenk heeft ontvangen, is zij tot pelgrim op de straten
3 Inl, 0,2 | verschillende diensten die zij de mensheid aan te bieden
4 Inl, 0,2 | bereiken2; anderzijds legt zij haar de verplichting op,
5 Inl, 0,3 | daarop te ontwerpen; zo vormt zij een van de voornaamste opgaven
6 Inl, 0,4 | bewust is, deze beginselen, zij het in onduidelijke, niet
7 Inl, 0,4 | kennis zou, juist omdat zij op enigerlei wijze door
8 Inl, 0,4 | te ontwikkelen, dan mag zij een ‘rechte rede’ of, zoals
9 Inl, 0,5 | maken, wel erkennen. Want zij ziet in de wijsbegeerte
10 Inl, 0,5 | Tegelijkertijd beschouwt zij de wijsbegeerte als onontbeerlijke
11 Inl, 0,5 | de grote verdienste dat zij de aandacht op de mens heeft
12 Inl, 0,5 | waarheid te kennen, gaf zij er de voorkeur aan de grenzen
13 Inl, 0,6 | een uitdaging bieden opdat zij haar volle waardigheid herkrijgen
14 Inl, 0,6 | toekomst toebehoort en van wie zij afhangt, blootstelt aan
15 Inl, 0,6 | geweldige mogelijkheden die zij heeft ontvangen, en zich
16 I, 1,7 | besef ten grondslag, dat zij de draagster is van een
17 I, 1,7 | Kor 4, 1-2). De kennis die zij de mens aanbiedt komt niet
18 I, 2,13 | verstand groter gewicht, omdat zij het mogelijk maken dat het
19 I, 2,13 | de diepere betekenis die zij dragen, te begrijpen. In
20 I, 2,13 | wordt verwezen en waarvan zij niet kan afzien zonder dat
21 I, 2,13 | niet kan afzien zonder dat zij de haar aangeboden tekens
22 I, 2,14 | wilde verdrijven, opdat zij mijn geest niet zouden bezighouden
23 I, 2,14 | gewin kon halen, dan kwamen zij op met steeds grotere opdringerigheid. (...)
24 I, 2,15 | eigen leven aan te nemen, zij respecteert ten diepste
25 I, 2,15 | technocratische logica; zij is de uiterste mogelijkheid
26 I, 2,15 | niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik.
27 I, 2,15 | theologie. Beide tonen ons, zij het met verschillende middelen
28 II, 1,16 | en op de loer ligt waar zij heengaat; die door haar
29 II, 2,23 | antwoord geven, waarnaar zij zoekt. Niet de wijsheid
30 II, 2,23 | van de waarheid, waarvan zij de draagster is. Wat een
31 II, 2,23 | die zichzelf wijsmaken dat zij de waarheid bezitten, terwijl
32 III, 1,25 | Wanneer hij ontdekt dat zij vals is, verwerpt hij haar;
33 III, 2,29 | men de ervaring heeft, dat zij zich in wezen niet onderscheiden
34 III, 2,30 | men duidelijk stellen dat zij zich niet alleen beperken
35 III, 2,32 | hen aangaat. ~Onderstreept zij, dat de in deze tussenmenselijke
36 III, 2,32 | om te overtuigen, omdat zij tot ieder spreekt over hetgeen
37 III, 2,33 | mensheid wordt gericht, opdat zij dat wat zij ervaart als
38 III, 2,33 | gericht, opdat zij dat wat zij ervaart als streven en verlangen,
39 III, 2,33(28) | menselijke rede haar top en opent zij zich voor het religieuze.
40 III, 2,33(28) | menselijke persoon, omdat zij het hoogtepunt van zijn
41 III, 2,33(28) | rede begiftigd wezen is. Zij komt voort uit het diepe
42 IV, 1,36 | polytheïstisch. Daarbij ging zij zover, dat ze dingen en
43 IV, 1,36 | zichtbaar te maken. Omdat zij hun blik verwijdden tot
44 IV, 1,36 | algemene beginselen, stelden zij zich niet meer met de oude
45 IV, 1,38 | wil echter niet zeggen dat zij de opgave om het geloofsbegrip
46 IV, 1,38 | het wijsgerige denken - zij het met voorzichtige onderscheiding -
47 IV, 1,38 | van de wijsbegeerte uit; zij is een streven van de ziel,
48 IV, 1,38 | van de Verlosser, omdat zij goddelijke kracht en wijsheid
49 IV, 1,38 | wijsheid erbij komt, maakt zij de waarheid weliswaar niet
50 IV, 1,38 | effectiever, maar omdat zij de sofistische aanvallen
51 IV, 1,40 | Augustinus het verwijt dat zij weliswaar het na te streven
52 IV, 1,41 | met de systemen waaraan zij refereerden. De vraag van
53 IV, 1,41 | intensief beleefden, konden zij de diepste vormen van speculatief
54 IV, 1,42 | moet zoeken naar dat wat zij bemint: hoe meer ze bemint,
55 IV, 1,42 | bemint, des te meer verlangt zij naar kennis. Wie leeft voor
56 IV, 1,42 | hoogste wijsheid weet, wat zij geschapen heeft (...) onbegrijpelijk
57 IV, 1,42 | dan kunnen verklaren hoe zij zichzelf kent en zich noemt -
58 IV, 1,42 | zichzelf kent en zich noemt - zij, over wie de mens niets
59 IV, 2,44 | verwantschap (connaturaliteit); zij veronderstelt het geloof
60 IV, 2,44 | geloofsinhouden onderzoekt, waardoor zij aan het mysterie van God
61 IV, 3,45 | de eersten die, ofschoon zij vasthielden aan een organische
62 IV, 3,46 | de volle rationaliteit. Zij ontzagen zich niet, zich
63 IV, 3,47 | en universele kennis is zij geleidelijk ineengeschrompeld
64 IV, 3,47 | tot ‘vervreemding’ doordat zij eenvoudigweg worden ontnomen
65 V, 1,49 | wijsbegeerte, noch geeft zij aan een of andere bijzondere
66 V, 1,49 | niet de garantie zijn dat zij op de waarheid gericht blijft
67 V, 1,50 | direct aan de Kerk, omdat zij raken aan de door haar behoede
68 V, 1,51 | filosofische noties dat wat zij vanuit het standpunt van
69 V, 1,51 | Kol 2,3); daarom grijpt zij in en spoort het wijsgerig
70 V, 1,52 | het ontologisme62, omdat zij aan het natuurlijke verstand
71 V, 1,54 | en voorgelegd, aangezien zij hun oorsprong hebben “buiten
72 V, 1,54 | genezen kunnen worden als zij van te voren niet goed gekend
73 V, 1,55(72) | verdedigen, maar sterker nog, zij zijn streng verplicht die
74 V, 1,55 | haar geloof” 75 ontvangt zij uit de eenheid tussen de
75 V, 2,57 | met de wijsbegeerte dat zij harmonieert met de eisen
76 V, 2,59 | een zodanig profiel, dat zij in niets onderdeden voor
77 V, 2,60 | God. Daarbij ondervinden zij steun van het altijd weer
78 V, 2,62 | van de moderne filosofie, zij het indirect. Een tekenend
79 VI, 1,66 | rationaliteit bezit, dat zij een echt weten vormt. De
80 VI, 1,66 | te presenteren. Dat moet zij met andere woorden doen
81 VI, 1,67 | kenbaar zijn. Daarom zijn zij het ook langs filosofische
82 VI, 1,67 | volste betekenis doordat zij ze stuurt naar de rijkdom
83 VI, 1,69 | veel gevallen nuttig, omdat zij een completere kennis van
84 VI, 1,70 | culturen verdient een speciale, zij het noodgedwongen niet uitputtende,
85 VI, 1,70 | volkeren toe, ‘een’ te worden. Zij die ‘veraf’ waren, zijn
86 VI, 1,70 | natuur hebben, getuigen zij van de typische openheid
87 VI, 1,70 | transcendente. Daarom vormen zij verschillende wijzen van
88 VI, 1,70 | overleveringen, bevatten zij - weliswaar onuitgesproken,
89 VI, 1,71 | levenskracht en bloei danken zij aan het vermogen, open te
90 VI, 1,72 | absolute waarde heeft doordat zij de geest bevrijdt van de
91 VI, 1,72 | contact treedt, waarmee zij voordien nog niet in aanraking
92 VI, 1,72 | aanraking was geweest, mag zij zich niet losmaken van wat
93 VI, 1,72 | zich niet losmaken van wat zij zich eigen heeft gemaakt
94 VI, 1,72 | tot de oosterse culturen. Zij zal in dit erfgoed nieuwe
95 VI, 1,74 | speculatieve waarde dat zij met recht op één lijn met
96 VI, 2,75 | de wijsbegeerte innam toe zij gestalte kreeg in de geschiedenis
97 VI, 2,76 | openbaring. Niet toevallig is zij het fundament van een wijsbegeerte
98 VI, 2,77 | deze positie inneemt komt zij, net als de theologie, meer
99 VI, 2,77 | vanwege de implicaties die zij heeft voor het begrip van
100 VI, 2,77 | wijsbegeerte moet respecteren zodra zij met de theologie in verbinding
101 VI, 2,79 | licht aan het zijn en zal zij dus de weg van het wijsgerig
102 VII, 1,80 | ongeschapen, noch brengt zij zichzelf voort. Slechts
103 VII, 1,81 | natuur. Door dat te doen zal zij niet alleen de beslissende
104 VII, 1,82 | katholieke traditie dwaalde toen zij bepaalde teksten van St.
105 VII, 1,82 | van Christus zelf. Wanneer zij deze verklaringen tracht
106 VII, 1,82 | van een objectief ware, zij het altijd nog te vervolmaken
107 VII, 1,83 | metafysische dimensie werkelijk, zij het op onvolkomen en analoge
108 VII, 1,83 | ervaring; bovendien zou zij het de intellectus fidei
109 VII, 1,84 | geloofsbegrip, aangezien zij de structuur van ons denken
110 VII, 1,84 | ontkennen, dan onderdrukken zij de rede niet alleen, maar
111 VII, 1,85 | wijsheidstaak direct oplegt, en zij kunnen niet weglopen voor
112 VII, 1,85 | heeft104, maar ook omdat zij daardoor in staat moet zijn
113 VII, 1,86 | denk dat het gepast is om -zij het kort- daarop in te gaan,
114 VII, 1,88 | van de tijd. En aangezien zij geen ruimte laat voor kritiek
115 VII, 1,91 | onderscheidingen en trekken zij ook de geloofszekerheden
116 VII, 2,92 | wijze. Ook vandaag heeft zij een dubbele opgave. Want
117 VII, 2,92 | opgave. Want enerzijds moet zij de verplichting nakomen,
118 VII, 2,92 | een gemeenschappelijke, zij het ook met verschillende
119 VII, 2,94 | teksten willen meedelen, zij het binnen de grenzen van
120 VII, 2,95 | ontwikkelden naar de waarheid die zij uitdrukken over te gaan,
121 VII, 2,96 | waarheid van de zinnen waarin zij wordt verwoord, bewaren. 113
122 VII, 2,96(113)| in de Kerk, zelfs wanneer zij wordt verwoord met grotere
123 VII, 2,97 | toelaat.; daarbij overschrijft zij elke grens, tot zij Hem
124 VII, 2,97 | overschrijft zij elke grens, tot zij Hem bereikt die alles tot
125 VII, 2,98 | bovennatuurlijke deugden, zal zij in staat zijn zeer passend
126 VII, 2,98 | aan te vatten, waarvoor zij competent is: de vrede,
127 Slot, 0,100 | wijsbegeerte een machtige, zij het niet altijd meteen duidelijke,
128 Slot, 0,100 | filosofie tegenkomt wanneer zij de waarheden van de Openbaring
129 Slot, 0,101 | mensheid. Begiftigd als zij is met een openheid en oorspronkelijkheid
130 Slot, 0,102 | wijsgerige denken, bevordert zij tegelijkertijd zowel de
131 Slot, 0,104 | van God haar schenkt, kan zij een reflectie ontwikkelen
132 Slot, 0,104 | harte gaat, zelfs wanneer zij geen godsdienstig geloof
133 Slot, 0,105 | de theologen wend, opdat zij bijzondere aandacht schenken
134 Slot, 0,105 | academisch of pastoraal. Laten zij ook bijzondere aandacht
135 Slot, 0,106 | het woord van God en dat zij de kracht hebben, hun rationele
136 Slot, 0,106 | vragen toe te passen. Dat zij zich altijd richten op de
137 Slot, 0,106 | het ware bevat. Zo zullen zij die onvervalste ethiek kunnen
138 Slot, 0,106 | met aandacht en sympathie; zij kunnen er dus zeker van
139 Slot, 0,106 | gebied van de wijsbegeerte: zij moeten de verschillende
140 Slot, 0,106 | moleculaire structuren. De weg die zij hebben afgelegd is vooral
141 Slot, 0,106 | de waarheid, ook wanneer zij een begrensde werkelijkheid
142 Slot, 0,108 | En juist zoals Maria, toe zij instemde met het woord van
143 Slot, 0,108 | oudheid goed begrepen toen zij Maria noemden: “geestelijke
144 Slot, 0,108 | geloof” 132. In haar zagen zij een lichtend beeld van de
|