Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | geschriften van Israël, maar ze duiken ook op in de Veda’
2 Inl, 0,1 | in de Avesta; we vinden ze in de geschriften van Confucius
3 Inl, 0,1 | Tirthankara en bij Boeddha. Ze verschijnen ook in de gedichten
4 Inl, 0,3 | oorzaak en doel van de dingen. Ze laat op verschillende wijzen
5 Inl, 0,3 | maken voor de invloed die ze op de bestaansvoorstellingen
6 Inl, 0,5 | hebben voortgebracht, omdat ze de ontplooiing van cultuur
7 Inl, 0,6 | blootstelt aan het gevoel dat ze zonder echte referentiepunten
8 Inl, 0,6 | afgrond, zonder te weten waar ze eigenlijk heen gaan. Dat
9 I, 1,9 | verborgen zijn en die, als ze niet door God geopenbaard
10 I, 1,11 | tijd en geschiedenis. En ze is eens voor altijd in het
11 I, 1,11 | Constitutie Dei Verbum, wanneer ze vaststelt: “De Kerk streeft
12 I, 2,13 | interpersoonlijke communicatie. Ze zet het verstand ertoe aan,
13 I, 2,13 | niet simpelweg aanwezig: ze is vereist. Ja, het geloof
14 I, 2,13 | tracht te verstaan, te hulp. Ze dienen ertoe om grondiger
15 I, 2,13 | zelfstandig op verkenning te gaan. Ze geven enerzijds aan het
16 I, 2,13 | het mysterie dus niet op: ze maakt het alleen inzichtelijker
17 I, 2,14 | nooit te blijven staan; ja, ze spoort hem aan de ruimte
18 I, 2,15 | liggen niet buiten uw bereik. Ze zijn niet in de hemel en
19 I, 2,15 | zal naar de hemel gaan om ze voor ons te halen en ze
20 I, 2,15 | ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat
21 I, 2,15 | te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?’ Ze zijn
22 I, 2,15 | wij ze kunnen volbrengen?’ Ze zijn niet overzee en u hoeft
23 I, 2,15 | zal de zee oversteken om ze voor ons te halen en ze
24 I, 2,15 | ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat
25 I, 2,15 | te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?” Nee,
26 I, 2,15 | verstand ontwikkeld denken. Ze verschijnt integendeel als
27 II, 1,17 | is hun aantal! Wilde ik ze tellen, het zouden er meer
28 II, 2,22 | bedrieglijke gedachte dat ze soeverein en onafhankelijk
29 II, 2,22 | onafhankelijk waren en dat ze zonder de van God komende
30 II, 2,22 | oer-ongehoorzaamheid trokken ze iedere man en vrouw mee
31 II, 2,23 | waarheid bezitten, terwijl ze haar vasthouden in de ondiepten
32 II, 2,23 | Christus op de klip waarop ze schipbreuk kan lijden. Maar
33 II, 2,23 | Maar achter de klip kan ze uitmonden in de oneindige
34 III, 1,24 | afgegrensd, met de bedoeling dat ze God zouden zoeken en Hem
35 III, 1,24 | Goede-Vrijdagsliturgie, wanneer ze ons in het gebed voor alle
36 III, 1,24 | in het hart gestort, dat ze pas vrede hebben, wanneer
37 III, 1,24 | pas vrede hebben, wanneer ze U vinden”. 22 Er bestaat
38 III, 1,25 | zich open te stellen om ze ook aan te nemen in de dimensies
39 III, 1,27 | waarheid, ook deelwaarheid, als ze werkelijk waarheid is, universeel.
40 III, 1,27 | de mens fascineren, maar ze bevredigen hem niet. Er
41 III, 1,27 | allen een moment waarop ze, of ze het toegeven of niet,
42 III, 1,27 | een moment waarop ze, of ze het toegeven of niet, de
43 III, 2,33(28)| werkelijk tot mens maakt. Ze zijn uitdrukking van de
44 IV, 1,36 | Mozes en de profeten”; ze moesten ook wijzen op de
45 IV, 1,36 | Daarbij ging zij zover, dat ze dingen en natuurverschijnselen
46 IV, 1,36 | de oude mythen tevreden; ze wilden aan hun geloof in
47 IV, 1,37 | uiterst actueel, als we ze betrekken op de verschillende
48 IV, 1,38 | zuiverheid van het leven; ze is de wijsheid vriendelijk
49 IV, 1,40 | in contact gekomen, maar ze hadden hem allemaal teleurgesteld.
50 IV, 1,41 | scholen. Dat betekent niet dat ze de inhoud van hun boodschap
51 IV, 1,41 | geloof en wijsbegeerte; ze zagen het in zijn geheel,
52 IV, 1,41 | als in zijn begrenzingen. Ze waren geen naïeve denkers.
53 IV, 1,41 | naïeve denkers. Juist omdat ze de inhoud van het geloof
54 IV, 1,41 | wijsgerige categorieën. Ze hebben heel wat meer gepresteerd.
55 IV, 1,41 | grote antieke wijsgeren. 41 Ze hadden, als gezegd, de taak
56 IV, 1,41 | Kerkvaders volbrachte nieuwe. Ze erkenden volledig het voor
57 IV, 1,41 | betovering van de andere; ze vond plaats in het hart
58 IV, 1,42 | wat zij bemint: hoe meer ze bemint, des te meer verlangt
59 IV, 2,43 | luidt zijn redenering: ze kunnen elkaar dus niet tegenspreken. 44 ~
60 IV, 2,44 | Jacobus het uitdrukt. Zo is ze ook anders dan het geloof.
61 IV, 2,44 | goddelijke waarheid zo aan, zoals ze is: de gave van de wijsheid
62 IV, 2,44 | zocht haar overal, waar ze zich kon tonen, en maakte
63 IV, 3,45 | autonomie toekenden, die ze nodig hebben om zich succesvol
64 IV, 3,47 | gebieden van menselijke kennis; ze is zelfs in bepaald opzicht
65 IV, 3,47 | worden ontnomen aan wie ze heeft voortgebracht; maar
66 IV, 3,47 | dan soms onrechtstreeks. Ze zijn feitelijk of mogelijkerwijs
67 IV, 3,48 | denken zijn te zien die, als ze met juist gestemde geest
68 V, 1,49 | wijsbegeerte, ook wanneer ze in relatie treedt met de
69 V, 1,49 | verspreid worden, die doordat ze de eenvoud en zuiverheid
70 V, 1,54 | negeren of veronachtzamen. Ja, ze moeten deze opvattingen
71 V, 1,55 | wijd verbreid zijn, dat ze in zekere mate tot een gemeenschappelijke
72 V, 1,55(72) | meningen, waarvan men weet dat ze tegengesteld zijn aan de
73 V, 1,55(72) | geloofsleer -vooral wanneer ze door de Kerk zijn verworpen-,
74 V, 2,60 | Redemptor hominis aangehaald; ze hoort tot de vaste referentiepunten
75 V, 2,61 | wetenschappen eigen te maken en ze, waar nodig, in hun onderzoek
76 VI, 1,67 | volste betekenis doordat zij ze stuurt naar de rijkdom van
77 VI, 1,67 | geopenbaarde geheim waarin ze hun uiteindelijke doel vinden.
78 VI, 1,68 | leerstellingen en geboden. Om ze toe te passen op de bijzondere
79 VI, 1,69 | onderzoeksobject mogelijk maakt; ze mag echter niet de noodzakelijke
80 VI, 1,70 | tot een aanbod voor allen: ze is niet meer tot de eigen
81 VI, 1,70 | toenadering tot de waarheid; ze blijken zonder twijfel nuttig
82 VI, 1,70 | nuttig voor de mens die ze wijzen op waarden die zijn
83 VI, 1,71 | hun geschiedenis, delen ze dezelfde dynamische krachten
84 VI, 1,71 | te houden aan het geloof; ze belet de ontvangers echter
85 VI, 1,71 | culturen niets ontzegd: ze worden zelfs aangemoedigd
86 VI, 1,73 | pure, eenvoudige waarheid. Ze wordt daarentegen aangespoord
87 VI, 1,73 | wegen te verkennen waarvan ze uit zichzelf niet eens zou
88 VI, 1,73 | zou kunnen vermoeden dat ze die kon inslaan. Deze cirkelvormige
89 VI, 2,75 | slechts zichzelf, omdat ze voor zichzelf de toegang
90 VI, 2,76 | door het verstand, ofschoon ze daarvoor natuurlijk niet
91 VI, 2,76 | kaders liggen waarbinnen ze normaliter zouden zijn begrensd.
92 VI, 2,76 | theologen geworden; want ze hebben niet geprobeerd,
93 VI, 2,76 | duiden vanuit de openbaring. Ze hebben steeds gewerkt op
94 VI, 2,77 | wijsbegeerte weigeren, dan zouden ze het risico lopen, onbewust
95 VI, 2,79 | gelovigen en niet-gelovigen. Ze zal gelovigen helpen leiden
96 VII, 1,80 | ervaren, niet het absolute is: ze is noch ongeschapen, noch
97 VII, 1,80 | muren neerhaalt waarachter ze zich dreigt te verschansen.
98 VII, 1,80 | zich de unieke band, die ze onvermengd in wederkerige
99 VII, 1,81 | kennis bepaalt, maar zal ze ook haar plaats innemen
100 VII, 1,81 | menselijke kennis en actie, en ze leiden naar een uiteindelijke
101 VII, 1,81 | nuttigheidsdoel, dan zou ze spoedig inhumaan kunnen
102 VII, 1,82 | de verschijnselen alleen. Ze kan met ware zekerheid de
103 VII, 1,82 | heilige Schrift aanneemt dat ze objectief waar kunnen zijn. 101 ~
104 VII, 1,84 | niet alleen, maar zetten ze ook zichzelf buitenspel.
105 VII, 1,85 | uit kunnen putten, zullen ze zeker de autonomie-eis van
106 VII, 1,86 | hun historische context. Ze lopen daarom het gevaar,
107 VII, 1,86 | terminologie en de context waarin ze ontstonden, helpt eraan
108 VII, 1,86 | overwinnen en maakt het mogelijk ze te integreren in de theologische
109 VII, 1,88 | wijsbegeerte benadert, die, als ze al niet genegeerd worden,
110 VII, 1,91 | wijdverbreid en machtig als ze zijn, hebben laten zien
111 VII, 1,91 | zijn, hebben laten zien dat ze belangrijke en blijvende
112 VII, 2,94 | historische gebeuren ligt: ze ligt in hun betekenis in
113 VII, 2,95 | dogmatische verklaringen, terwijl ze soms de cultuur van de periode
114 VII, 2,95 | cultuur van de periode waarin ze werden gedefinieerd weerspiegelen,
115 VII, 2,95 | worden tot tijd en cultuur: ze wordt binnen de geschiedenis
116 VII, 2,95 | geschiedenis gekend maar ze stijgt boven de geschiedenis
117 VII, 2,96 | verschillend van degene, waarin ze bedacht en uitgewerkt werden.
118 VII, 2,97 | communicatieve structuren. Ze is sterk en bestendig omdat
119 VII, 2,97 | sterk en bestendig omdat ze steunt op de zijnsakt zelf,
120 Slot, 0,100 | beïnvloedt het ander doordat ze elkaar een zuiverheid scheppende
121 Slot, 0,101 | persoon, die, hoe diep en rijk ze ook mag zijn, altijd ook
122 Slot, 0,103 | schijnt mee te brengen: ze betreffen vooral de streken
123 Slot, 0,104 | humaniteit koesteren, terwijl ze hun Bron nog niet erkennen,
124 Slot, 0,105 | theologische studie en onderwijs. Ze moeten zich ten volle inspannen
125 Slot, 0,108 | de ware wijsbegeerte en ze waren overtuigd van de noodzaak
|