103-binde | binne-gesla | gespr-nauwk | navol-schip | schit-vii-x | viii-zwakk
bold = Main text
Chapter, Paragraph, Number grey = Comment text
1501 III, 2,32 | instemming op, vindt gehoor en navolging. Dat is de reden waarom
1502 VI, 1,74 | tenminste de H. Gregorius van Nazianze en de H.Augustinus vermelding
1503 II, 1,16 | en haar als een speurder nazit en op de loer ligt waar
1504 II, 2,23 | schande te maken (...) En het nederige in de wereld en het verachte
1505 I, 2,15 | wij ze kunnen volbrengen?” Nee, het woord is dichtbij u,
1506 VII, 1,80 | eigen te maken die de muren neerhaalt waarachter ze zich dreigt
1507 IV, 1,38 | Het christendom had na het neerhalen van de barrières van ras,
1508 Slot, 0,100 | waarheden van de Openbaring negeert of verwerpt, te benadrukken.
1509 IV, 2,43(46) | tot de deelnemers aan het Negende Internationale Thomistische
1510 IV, 1,40 | kersteningswerk van het Platoonse en neo-Platoonse denken de Cappadociërs,
1511 VII, 1,88 | opgang in het positivisme en neo-positivisme, die metafysische uitspraken
1512 V, 2,59 | 59. De Thomistische en neo-Thomistische vernieuwing was echter niet
1513 I, 2,14 | solum es quo maius cogitari nequit), maar U bent groter dan
1514 VII, 2,94 | gebeurtenissen of de onthulling van neutrale feiten, zoals het historicistische
1515 VI, 1,74 | figuren als John Henry Newman, Antonio Rosmini, Jacques
1516 III, 1,24 | ons in het gebed voor alle niet-gelovenden laat zeggen: “Almachtige,
1517 VI, 2,76 | zich presenteert als een nieuw hoofdstuk van de menselijke
1518 V, 1,55 | terugkeren, waarbij zich echter nieuwigheden voordoen. Het gaat niet
1519 II, 2,23 | aanvaarden van iets volledig nieuws nodig: “God heeft het dwaze
1520 IV, 1,41 | verheffen tot de hoogste niveaus van reflectie, en schiep
1521 I, 1,10 | Bar 3, 38), om hen uit te nodigen tot de gemeenschap met Hem
1522 IV, 1,38 | Op vergelijkbare wijze noemde Clemens van Alexandrië het
1523 IV, 1,42 | zij zichzelf kent en zich noemt - zij, over wie de mens
1524 Slot, 0,108(132)| Hè noerá tès pisteoos tràpeza“: Pseudo-Epiphanius,
1525 V, 1,52 | daarom, omdat in die tijd nogal wat katholieken het als
1526 I, 2,15 | met de beroemde gedachte: “Noli foras ire, in te ipsum redi.
1527 Inl, 0,4 | aan de beginselen van de non-contradictie, van de doelgerichtheid,
1528 III, 2,34 | wordt uitgedrukt in het non-contradictie-beginsel. De openbaring biedt de
1529 IV, 1,42 | videndum factus sum; et nondum feci propter quod factus
1530 VI, 1,70 | verdient een speciale, zij het noodgedwongen niet uitputtende, beschouwing
1531 VI, 1,67 | openbaring van God veronderstelt noodzakelijkerwijs kennis van deze waarheden.
1532 VII, 2,98 | organische visie huldigt, die noodzakelijkerwijze verbonden is met de christelijke
1533 Inl, 0,5 | werk van de rede. Daartoe noopt mij de waarneming, dat vooral
1534 Inl, 0,6 | kan. Nog een ander motief noopte mij deze overwegingen te
1535 III, 2,34(29) | kennisterreinen, als het de zedelijke normen in acht neemt, nooit echt
1536 Slot, 0,103(125)| Apostolische Exhortatie Evangelii nuntiandi (8 december 1975), n. 20:
1537 V, 1,54(71) | de Bevrijding” Libertatis nuntius (6 augustus 1984), VII-X:
1538 VII, 1,81 | dat groter is dan een puur nuttigheidsdoel, dan zou ze spoedig inhumaan
1539 IV, 2,44 | hij in zijn realisme haar objectiviteit erkennen. Zijn filosofie
1540 V, 2,62(87) | achtste Zitting: Conciliorum Oecumenicorum Decreta 1991, 605-606. ~
1541 VII, 2,96(112) | van deze begrippen door de oecumenische Concilies niet alleen gebruikt
1542 II, 2,22 | komende kennis konden. In hun oer-ongehoorzaamheid trokken ze iedere man en
1543 Inl, 0,3 | bezit immers zijn eigen oer-wijsheid die er als echte culturele
1544 III, 1,26 | einde van zijn bestaan is, óf of er nog iets is dat over
1545 VII, 1,89 | betekenis van lijden en offer uitsluit. ~
1546 VI, 2,76 | te suggereren dat er een officiële filosofie van de Kerk is,
1547 III, 2,33(28) | vinden, voor elk van zijn ogenblikken, voor de belangrijke en
1548 V, 1,55 | we de huidige situatie in ogenschouw nemen, zien we dat de problemen
1549 IV, 1,38 | van het leven, dat hun de omgang met de wijsgeren voorkwam
1550 VI, 1,70 | gemeente met dit probleem is omgegaan. De apostel schrijft: “Nu
1551 IV, 1,41 | denkers vanaf het begin omgingen met het probleem van de
1552 Inl, 0,5 | minder in staat was, de blik omhoog te heffen om het avontuur
1553 IV, 1,38 | zou brengen tot innerlijke omkering en tot een vraag om het
1554 IV, 2,44 | diepste ervan overtuigd dat “omne verum a quocumque dicatur
1555 Slot, 0,105(128)| Prologus, 4: Opera Omnia, Florence, 1891, Vol. V,
1556 Inl, 0,3 | het geval is bewijst de omstandigheid dat een tot in onze dagen
1557 Inl, 0,2 | zien slechts raadselachtige omtrekken: dan echter zien wij van
1558 VII, 2,98 | voortkomen uit een “crisis omtrent de waarheid”. “Nadat de
1559 VII, 1,83 | de geopenbaarde waarheid omvattend uit te drukken. ~Als ik
1560 IV, 1,41 | vernauwen tot de loutere omzetting van de geloofsinhoud in
1561 I, 1,11 | streeft in de loop der eeuwen onafgebroken naar de volheid van de goddelijke
1562 IV, 2,44 | est“,50 hield Sint Thomas onbaatzuchtig van de waarheid. Hij zocht
1563 IV, 1,42 | meen, dat iemand die iets onbegrijpelijks onderzoekt, zich ermee tevreden
1564 V, 2,58 | dat tot dan toe goeddeels onbekend was geweest; en er kwamen
1565 III, 1,24 | met het opschrift: Aan de onbekende god. Welnu, wat u zonder
1566 II, 2,21 | beproeving van de twijfel, niets onbeproefd te laten. Doordat hij steunt
1567 III, 2,29 | of dat hij voor absoluut onbereikbaar hield. ~Alleen het uitzicht,
1568 IV, 1,38 | christenen ervan beticht, “onbeschaafde en lompe” 31 mensen te zijn,
1569 III, 2,28 | beperktheid van het verstand en de onbestendigheid van het hart vertroebelen
1570 IV, 2,43 | zonder echter de hoogste en onbuigzame aanspraken van de bovennatuurlijke
1571 III, 2,29 | 29. Het is ondenkbaar dat een zoeken dat zo diep
1572 V, 2,59 | profiel, dat zij in niets onderdeden voor de grote systemen van
1573 Slot, 0,106 | zijn levende en levenloze onderdelen met hun complexe atomaire
1574 VII, 2,97 | die eenzijdig uitging ‘van onderen’ zoals men tegenwoordig
1575 VI, 2,77 | de wijsbegeerte zelf moet ondergaan. ~Het was om haar onmisbare
1576 VII, 1,89 | grote morele beslissingen ondergeschikt aan beslissingen die een
1577 VII, 1,82 | gericht op bijzondere en ondergeschikte aspecten van de werkelijkheid -
1578 V, 1,55 | aldus de kerkelijke leer te ondergraven, die het Tweede Vaticaans
1579 V, 2,63 | hedendaagse wereld kent, moet onderhouden, en zo ja: wat voor een. ~
1580 VI, 1,71 | constateren die voortkomen uit de onderlinge ontmoetingen van mensen
1581 V, 1,55 | mag voorts het gevaar niet onderschatten dat schuilt in de opzet
1582 VI, 1,74 | theologen, die zich ook onderscheidden als grote filosofen en ons
1583 VII, 1,91 | schrijvers de noodzakelijke onderscheidingen en trekken zij ook de geloofszekerheden
1584 V, 1 | Het Onderscheidingsvermogen Van Het Leergezag Als Dienst
1585 IV, 1,37 | waarheid van de openbaring onderschikt werd gemaakt aan de interpretatie
1586 VI, 1,74 | visies uit hun denken te onderschrijven, maar alleen om sprekende
1587 III, 2,33 | zoeken is aangewezen op de ondersteuning door vertrouwvol gesprek
1588 VII, 1,83 | het metafysische element onderstreep, dan is dat omdat ik ervan
1589 V, 2,60 | wereld en van God. Daarbij ondervinden zij steun van het altijd
1590 VI, 2,77 | bedoelde niet een slaafse onderwerping van de filosofie aan te
1591 VII, 2,92(109) | waarheid, als Degene die zal “onderwijzen” en “in herinnering brengen”,
1592 V, 1,54 | verworpen, maar kritisch onderzocht moeten worden: “Nu mogen
1593 VII, 1,90 | 90. De tot nog toe onderzochte visies leiden van hun kant
1594 II, 2,21 | zekerheid dat God hem als “onderzoeker” heeft geschapen. (vgl.
1595 IV, 3,45 | wijden aan de verschillende onderzoeksgebieden. Vanaf de late Middeleeuwen
1596 II, 2,23 | ze haar vasthouden in de ondiepten van hun systeem. De verhouding
1597 Inl, 0,4 | deze beginselen, zij het in onduidelijke, niet doordachte vorm, te
1598 VII, 2,92 | mogelijk om de scheidende onenigheden te overwinnen en gezamenlijk
1599 II, 2,21 | waardoor hij tot dan toe ongedachte mogelijkheden tot inzicht
1600 VII, 2,92 | in te slaan naar de hele, ongedeelde waarheid, terwijl we die
1601 IV, 1,38 | mensen te zijn, blijkt ongegrond en onwaar te zijn. De verklaring
1602 III, 1,25 | De mens kan niet oprecht ongeïnteresseerd zijn in de waarheid van
1603 Slot, 0,106 | totale heelal en van de ongelooflijk rijke diversiteit van zijn
1604 VII, 1,80 | die is toegebracht door de ongeordende uitoefening van de menselijke
1605 III, 1,26 | er geen wijsgeren van het ongerijmde bij te halen, of de provocerende
1606 IV, 2,43 | geschreven: “Thomas bezat ongetwijfeld in de hoogste mate de moed
1607 I, 2,13 | Christus onder de mensen onherkend is gebleven, zo onderscheidt
1608 VII, 1,91 | is de tijd van zekerheden onherroepelijk voorbij, en moet de mens
1609 I, 2,13 | de eucharistie, waar de onlosmakelijke eenheid tussen de werkelijkheid
1610 Slot, 0,106 | iets dat uitgaat boven het onmiddellijke onderzoeksobject; het leidt
1611 V, 2,62 | filosofie fundamenteel en onmisbaar is voor de structuur van
1612 VI, 2,77 | twee wetenschappen en de onmogelijkheid van hun scheiding. ~Zouden
1613 VII, 1,85 | gestempeld heeft, alsook de ononderbroken wijsgerige traditie te herwinnen,
1614 Inl, 0,5 | zij de wijsbegeerte als onontbeerlijke hulp om het begrip van het
1615 VII, 1,85 | pausen sedert generaties onophoudelijk leren en wat ook het Tweede
1616 I, 1,12 | de menselijke persoon een onoplosbaar raadsel. Waar anders dan
1617 II, 1,17 | ondanks de ervaring van onoverschrijdbare grenzen verlangt naar de
1618 IV, 3,47 | zelf, al is het dan soms onrechtstreeks. Ze zijn feitelijk of mogelijkerwijs
1619 VI, 2,76 | voorgedaan zonder de directe of onrechtstreekse bijdrage van het christelijk
1620 IV, 1,41 | bereiken. Daarom is het onrechtvaardig en oppervlakkig om hun werk
1621 V, 1,53 | bevestigde, onderstreepte hoe onscheidbaar en tegelijkertijd onafhankelijk
1622 II, 1,16 | geloofskennis een diepe, onscheidbare eenheid bestaat. De wereld
1623 I, 1,12 | de pijn, het lijden van onschuldigen en de dood? ~
1624 IV, 1,42 | van kennis die steeds meer ontbrandt in liefde voor dat wat hij
1625 IV, 3,48 | geloof waaraan het verstand ontbreekt, heeft de nadruk gelegd
1626 II, 1,19 | dat niet zozeer aan het ontbreken van een passend middel als
1627 III, 2,31 | zou wel in staat zijn, de ontelbare wetenschappelijke resultaten,
1628 V, 2,62 | iedere vorm van dialoog onthoudt of juist kritiekloos iedere
1629 VII, 1,81 | en omvattende betekenis ontkent zou niet alleen slecht berekend
1630 IV, 1,38 | de sofistische aanvallen ontkracht en de listige aanvallen
1631 Inl, 0,5 | die waarheden trachten te ontkrachten, die de mens als zekerheid
1632 VII, 2,92(109) | verbonden met Christus’ ontlediging door zijn lijden en dood
1633 II, 1,16 | het verstand beschouwd, ontleed en beoordeeld worden, zonder
1634 III, 1,27 | gewone mens, kan deze vragen ontlopen. Van het antwoord daarop
1635 V, 2,62 | vonden. Omgekeerd heeft de ontmanteling van deze methode geleid
1636 III, 1,25 | schrijft: “Ik heb velen ontmoet, die anderen wilden bedriegen,
1637 VI, 1,71 | voortkomen uit de onderlinge ontmoetingen van mensen en de uitwisseling
1638 VI, 2,79 | Openbaring wordt het ware ontmoetings- en vergelijkingspunt tussen
1639 VI, 1,72 | verkondiging van het evangelie ontmoette het christendom allereerst
1640 IV, 3,47 | zij eenvoudigweg worden ontnomen aan wie ze heeft voortgebracht;
1641 VI, 2,76 | daarvoor natuurlijk niet ontoegankelijk zijn, misschien nooit ontdekt
1642 II, 1,18 | hij volkomen helder hoe ontoereikend zijn weten is en hoe ver
1643 V, 1,52 | het rationalisme61 en het ontologisme62, omdat zij aan het natuurlijke
1644 V, 1,52(62) | Officie, Decreet Errores ontologistarum (18 september 1861), DS
1645 Inl, 0,6 | waardigheid herkrijgen en ontplooien kan. Nog een ander motief
1646 I, 2,13 | ten volle aan de mens en ontsluit voor hem zijn hoogste roeping” 18,
1647 IV, 2,43 | van het evangelie; daarmee onttrok hij zich aan de tegennatuurlijke
1648 III, 2,29 | in zijn hart minstens het ontwerp van de bijbehorende antwoorden
1649 Inl, 0,3 | en het antwoord daarop te ontwerpen; zo vormt zij een van de
1650 V, 2,57 | van geloof en rede op en ontwikkelde haar verder door te laten
1651 VII, 2,95 | toevalligheden waarin de teksten zich ontwikkelden naar de waarheid die zij
1652 II, 2,22 | te waarderen. De apostel ontwikkelt een wijsgerige redenering
1653 VI, 1,71 | daarmee haar zou willen ontzeggen wat haar toebehoort en haar
1654 Inl, 0,5 | maken dit voorbehoud. Daarin ontzegt men namelijk aan de waarheid
1655 VI, 1,71 | voor het mysterie en zijn onuitputtelijk verlangen naar kennis. Dientengevolge
1656 IV, 1,42 | dat zo onbegrijpelijk en onuitsprekelijk is als dat wat boven alles
1657 V, 1,50 | verenigbaarheid respectievelijk de onverenigbaarheid van de basisprincipes, waarop
1658 V, 1,52 | met het christelijk geloof onverenigbare opvattingen van het Latijnse
1659 V, 2,57 | voor zijn vasthouden aan de onvergelijkelijke waarde van de wijsbegeerte
1660 Inl, 0,1 | zichzelf kennen in zijn onvergelijkelijkheid, terwijl bij hem steeds
1661 III, 1,26 | het licht van de waarheid onverklaarbaar lijken, volstaan om onontkoombaar
1662 VII, 1,80 | zich de unieke band, die ze onvermengd in wederkerige betrekking
1663 III, 1,26 | feit dát we bestaan, de onvermijdelijkheid van onze dood is. Gegeven
1664 VI, 1,73 | omdat de rede nieuwe en onvermoede horizonten ontdekt. ~
1665 V, 1,50 | van een deemoedige maar onvermoeibare dienst, die iedere filosoof
1666 I, 1,7 | gaat het om een volledig onverschuldigd initiatief, dat van God
1667 II, 2,23 | gebruiken, om het wezen van de onverschuldigde liefde uit te drukken, die
1668 I, 2,15 | verschijnt integendeel als iets onverschuldigds, wekt het denken op en verlangt
1669 VII, 1,83 | dimensie werkelijk, zij het op onvolkomen en analoge wijze, te kennen.
1670 IV, 3,47 | maar al te snel en vaak onvoorzien keren de resultaten zich,
1671 VII, 1,91 | ontstaan, terwijl de kritiek de onvruchtbaarheid aantoonde van het postulaat
1672 IV, 1,38 | zijn, blijkt ongegrond en onwaar te zijn. De verklaring voor
1673 IV, 3,45 | langzamerhand echter in een onzalige scheiding. Als gevolg van
1674 III, 2,28 | kunnen bouwen op twijfel, onzekerheid of leugen; zulk bestaan
1675 Slot, 0,104 | nodige prudentie, sluit onzerzijds niemand uit, noch hen die
1676 I, 1,10 | openbaring spreekt dus de onzichtbare God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim
1677 IV, 1,40 | zonder enig bedrieglijk oogmerk hier bevolen werd te geloven
1678 V, 2,57 | praktisch als uit pedagogisch oogpunt niets aan betekenis ingeboet;
1679 VII, 2,94 | heen, een lezing die hun oorspronkelijk betekenis intact laat. Er
1680 VII, 2,97 | beziet in haar ontologische, oorzakelijke en communicatieve structuren.
1681 Inl, 0,4 | doelgerichtheid, van de oorzakelijkheid en ook aan de opvatting
1682 V, 2,63 | godgeleerdheid te kunnen opbouwen. In het licht van deze beginselen
1683 Inl, 0,1 | ogenblik dezelfde grondvragen opdoken, die de gang van het menselijke
1684 VII, 2,92 | problemen die zich tegenwoordig opdringen, vraagt inderdaad om een
1685 I, 2,14 | zij op met steeds grotere opdringerigheid. (...) Maar wat ben ik armzalige,
1686 I, 2,13 | geschonken en door hem niet opeisbare waarheid voegt zich in het
1687 I, 2,13 | mysterievols blijft. Zeker openbaarde Jezus door zijn leven het
1688 I, 1,7 | wijsheid besloten, Zichzelf te openbaren en het geheim van zijn wil
1689 V, 2,59 | weg naar het transcendente opende; en tenslotte waren er ook
1690 Slot, 0,101 | aldus nieuwe horizonten openden over verdere betekenissen,
1691 Slot, 0,104 | staat zijn de verwachtingen, openingen en probleemstellingen van
1692 Inl, 0,6 | wie ik de zending deel “openlijk de waarheid” (2 Kor 4,2)
1693 IV, 1,41 | volledig het voor het absolute openstaande verstand en plantten daarin
1694 VII, 2,95 | van een hermeneutiek die openstaat voor de aanspraak van de
1695 Slot, 0,102 | aan het evangelie en zich openstelt voor God. ~
1696 Slot, 0,105(128)| Prologus, 4: Opera Omnia, Florence, 1891, Vol.
1697 VII, 1,88 | maakte dezelfde gedachte opgang in het positivisme en neo-positivisme,
1698 III, 2,31 | op grond van de daarmee opgedane ervaringen of dankzij nadere
1699 Inl, 0,6 | die aan ons bisschoppen is opgedragen; daarvan kunnen wij niet
1700 IV, 3,47 | hebben enkele filosofen het opgegeven de waarheid omwille van
1701 IV, 3,47 | met steeds groter gewicht opgekomen en hebben daarbij benadrukt
1702 V, 1,50 | het aspect van het geloof opgelegd worden. In de loop van de
1703 III, 1,25 | belangrijke resultaten hebben opgeleverd en die daarmee een echte
1704 VI, 2,79 | wijsgeren. Zoals ik al heb opgemerkt, moet de wijsbegeerte aan
1705 VII, 2,94 | allereerst een betekenis over die opgepakt en uitgelegd moet worden.
1706 VII, 1,80 | grenzen, omdat de rede wordt opgeroepen, zich een logica eigen te
1707 VII, 2,96(112) | in eeuwenlange arbeid is opgesteld, om enigszins tot een begrijpen
1708 V, 2,61 | leergezag niet steeds zijn opgevolgd met de gewenste bereidheid.
1709 IV, 3,48 | vrijmoedigheid) van het geloof moet opgewassen zijn tegen de stoutmoedigheid
1710 VII, 1,88 | rationale, constant heeft opgeworpen vanaf het begin van de tijd.
1711 VII, 1,91 | contexten, wijst de term op de opkomst van een complex van nieuwe
1712 VII, 2,92 | Vaticanum II haar destijds oplegde: vernieuwing van haar methoden
1713 VII, 1,85 | deze wijsheidstaak direct oplegt, en zij kunnen niet weglopen
1714 VII, 2,96 | bestaat, zeker; maar is oplosbaar. Bovendien sluit de objectieve
1715 VI, 2,76 | Openbaring moeilijk kan oplossen. Men denke bijvoorbeeld
1716 V, 2,60(84) | Vgl. ook verschillende opmerkingen over de filosofie van St.
1717 VI, 1,66 | begripsstructuur van de proposities opneemt, waarin de leer van de Kerk
1718 II, 1,19 | Griekse wijsgerige denken oppakt, waarnaar hij in deze context
1719 IV, 1,41 | is het onrechtvaardig en oppervlakkig om hun werk te vernauwen
1720 VII, 1,90(106) | waarschuwing in: de eis van oprechtheid tegenover de waarheid als
1721 IV, 3,45 | 45. Met de oprichting van de eerste universiteiten
1722 IV, 1,37 | bijvoorbeeld de gnosis, bij hen opriepen. Als praktische wijsheid
1723 VI, 2,79 | zodat er een filosofie zal oprijzen die in harmonie is met het
1724 Slot, 0,108 | wanneer het luistert naar de oproepen van het evangelie. Dit was
1725 III, 1,24 | ook een altaar aan met het opschrift: Aan de onbekende god. Welnu,
1726 V, 2,60 | de oorzaken van allerlei opstellingen moeten begrijpen, om daarop
1727 II, 2,22 | Schepper, is dit gemakkelijke opstijgen naar de Schepper-God verloren
1728 VII, 1,91 | kon het rationalistische optimisme, dat in de geschiedenis
1729 II, 2,21 | uitputting beschrijft die optrad bij de poging, de geheimnisvolle
1730 V, 1,49 | treedt met de theologie, moet optreden volgens haar eigen regels
1731 Inl, 0,5 | leerstellingen tegelijkertijd optreedt. Binnen dit raam is alles
1732 IV, 3,46 | 46. De opvallendste radicaliseringen zijn bekend
1733 II, 1,18 | belet hem, zijn verstand te ordenen (vgl. Spr 1,7) en tegenover
1734 V, 2,62 | onderricht naar boven kwam. Deze ordening van de studie beïnvloedde,
1735 VII, 1,89 | worden door institutionele organen. Bovendien wordt de antropologie
1736 Inl, 0,3 | bestaansvoorstellingen waaruit de Oriënt leeft, heeft uitgeoefend.
1737 Inl, 0,5 | plaats van de menselijke oriëntatie op de waarheid zo goed mogelijk
1738 III, 1,26 | denken zijn beslissende oriëntering gekregen van de dood van
1739 VI, 2,76 | laatste eeuwen de christelijke orthodoxie hebben verlaten. ~
1740 Inl, 0,4 | antieke denkers haar noemden, orthos logos, recta ratio heten. ~
1741 II, 1,16 | gemeenschappelijke trekken van de oud-oriëntaalse culturen worden op deze
1742 I, 1,9 | elkaar vermengen, noch elkaar overbodig maken. “Er bestaat een tweevoudige
1743 VII, 2,96 | ingewikkeld probleem om te overdenken, aangezien men ernstig rekening
1744 I, 2,14 | stond heeft gedaan. Bij deze overdenking komt ons een van de spiritueelste
1745 II, 1,16 | de wijsheid in zijn hart overdenkt en haar geheimen probeert
1746 IV, 3,45 | overheersende geest van overdreven rationalisme bij enkele
1747 IV, 3,46 | zich, zo kan men zonder overdrijving zeggen, voor een goed deel
1748 VI, 1,67 | geloofwaardigheid, begeleid door de overeenkomstige geloofsakt, zal de fundamentele
1749 IV, 1,36 | op een ontwikkeling die overeenkwam met de eisen van de universele
1750 V, 1,50 | opvattingen uitoefenen, die niet overeenstemmen met de christelijke leer55.
1751 IV, 1,41 | lieten zien. Het besef van de overeenstemmingen vertroebelde in hen niet
1752 VII, 1,83 | einde van dit millennium, de overgang te voltrekken van fenomeen
1753 III, 2,31 | belet niet, dat na deze overgangsfase dezelfde waarheden op grond
1754 II, 2,23 | wanneer het zich eraan overgeeft. De wijsbegeerte die reeds
1755 V, 1,55 | voor het opgeven van de overgeleverde terminologieën. 77 ~
1756 VII, 1,91 | verschijnselen. Toen werd hij overgeplant naar het wijsgerige veld,
1757 VII, 1,86 | sommige theologen zich soms overgeven. Een dergelijke manipulatie
1758 II, 1,20 | verstand gewaardeerd, maar niet overgewaardeerd. Want alles wat het bereikt,
1759 IV, 3,45 | scheiding. Als gevolg van een overheersende geest van overdreven rationalisme
1760 VI, 2,77 | niet-christelijke filosofieën overnamen. Dit historische feit bevestigt
1761 V, 1,51 | de al te enge grenzen te overschrijden waarbinnen hun denken zich
1762 VII, 2,97 | geheel toelaat.; daarbij overschrijft zij elke grens, tot zij
1763 I, 2,15 | zeggen: ‘Wie zal de zee oversteken om ze voor ons te halen
1764 II, 2,22 | zintuigen gemakkelijk te overstijgen om tot de oorsprong van
1765 III, 1,24 | Schepper, als degene die alles overstijgt en alles tot leven brengt.
1766 V, 1,56 | Zo wordt het geloof tot overtuigde en overtuigende advocaat
1767 III, 2,32 | redeneringen nodig heeft om te overtuigen, omdat zij tot ieder spreekt
1768 V, 1,56 | geloof tot overtuigde en overtuigende advocaat van de rede. ~
1769 IV, 3,48 | menen dat het geloof grotere overtuigingskracht bezit tegenover een zwakke
1770 I, 1,10 | 15; 1 Tim 1, 17) uit de overvloed van zijn liefde de mensen
1771 III, 2,30 | gegeven van de wijsbegeerte overwegen. ~
1772 IV, 1,42 | gaan; ja, het wordt stilaan overweldigd door het besef dat zijn
1773 VII, 1,91 | geschiedenis de voortschrijdende overwinning van het verstand als bron
1774 II, 2,23 | De wijsheid van het kruis overwint zo elke culturele grens,
1775 I, 2,15 | volbrengen?’ Ze zijn niet overzee en u hoeft niet te zeggen: ‘
1776 Slot, 0,101 | 101. Een overzicht van de geschiedenis van
1777 III, 2,34(29) | schreef in zijn brief aan P. Benedetto Castelli op 21
1778 Inl, 0,2 | helemaal niet zijn. Sinds de Paasdag waarop zij de laatste waarheid
1779 VII, 2,92 | waarheid, terwijl we die paden volgen die alleen de Geest
1780 VI, 1,71 | provincie Asia, van Phrygië en Pamphylië, van Egypte en het gebied
1781 VII, 1,80 | relativisme, materialisme en pantheïsme. ~De fundamentele overtuiging
1782 Slot, 0,108 | en wier leven een echte parabel is die mijn overweging van
1783 II, 2,23 | van zijn leer en van de paradox, die hij wil uitdrukken: “
1784 V, 2,59 | de oproep van Paus Leo en parallel daarmee waren talrijke katholieke
1785 IV, 1,39 | gedane aanvallen en hen te pareren, neemt Origenes de Platoonse
1786 VII, 1,89 | of niet wordt beslist bij parlementaire meerderheid. 105 De consequenties
1787 IV, 3,48 | autonomie afbreuk te doen. De parrhesia (vrijmoedigheid) van het
1788 VI, 1,71 | in zijn moedertaal horen: Parthen, Meden en Elamieten, bewoners
1789 III, 2,33 | voor de toe-eigening van partiële, empirische of wetenschappelijke
1790 V, 1,49 | bedreigen, en wanneer valse en partijdige theorieën verspreid worden,
1791 V, 1,54(66) | Vgl. encycliek Pascendi Dominici gregis (8 september
1792 II, 1,16 | zichzelf, de wereld en God op passende wijze te kennen. ~
1793 IV, 1,41 | mythen kon raken om zich op passender wijze open te stellen voor
1794 III, 2,33 | voor het juiste filosoferen passendste kaders voorstelden. ~Uit
1795 VI, 1,70 | dankzij het nieuwe dat het passmysterie bewerkte, ‘dichtbij gekomen’.
1796 IV, 1,37 | Kolossenzen waarschuwt: “Past op, dat niemand u verleidt
1797 Slot, 0,105 | priestervorming, academisch of pastoraal. Laten zij ook bijzondere
1798 V, 2,60(84) | Apostolische Exhortatie Pastores dabo vobis (25 maart 1992),
1799 VI, 1,67 | Reeds Vaticanum I had de Paulijnse leer (vgl. Rom 1, 19-20)
1800 VII, 2,97(115) | Paulus II, Toespraak tot het Pauselijk Atheneum “Angelicum” (17
1801 VII, 1,85 | Daarom herneem ik wat de pausen sedert generaties onophoudelijk
1802 VI, 1,74 | zoals Vladimir S.Solov’ev, Pavel A. Florensky, Petr Chaadev
1803 V, 2,57 | zowel uit praktisch als uit pedagogisch oogpunt niets aan betekenis
1804 II, 1,18 | openbaring kon het de diepten peilen van alles wat het met het
1805 Inl, 0,2 | heeft ontvangen, is zij tot pelgrim op de straten van de wereld
1806 VI, 1,71 | voort, getuigen waarvan de pelgrims waren op die Pinksterdag
1807 I, 2,13(17) | Pensées, 789 (uitg.L.Brunschvicg). ~
1808 IV, 2,43(45) | non tollat naturam, sed perficiat“. ~
1809 V, 1,51 | uit te sluiten of in te perken. Integendeel, zijn interventies
1810 III, 2,34 | waarheid vindt haar levende en personele vereenzelviging in Christus,
1811 I, 2,14 | belangrijkste scheppende persoonlijkheden van de mensengeschiedenis
1812 IV, 3,48 | waarneming en ervaring, over persoonlijkheid en intersubjectiviteit,
1813 VI, 1,74 | ev, Pavel A. Florensky, Petr Chaadev en Vladimir N. Lossky.
1814 Slot, 0,108 | overtuigd van de noodzaak om te philosophari in Maria. ~Moge Maria, de
1815 VI, 2,77 | dienaressen” van de “prima philosophia”. De term kan tegenwoordig
1816 VI, 1,71 | en de provincie Asia, van Phrygië en Pamphylië, van Egypte
1817 Slot, 0,108 | Gegeven te Rome, bij Sint Pieter, op 14 september, het feest
1818 I, 1,12 | kwesties als die van de pijn, het lijden van onschuldigen
1819 VI, 1,71 | de pelgrims waren op die Pinksterdag in Jeruzalem: “Zijn dat
1820 Slot, 0,106 | uitspreek voor deze moedige pioniers van het wetenschappelijk
1821 Slot, 0,108(132)| Hè noerá tès pisteoos tràpeza“: Pseudo-Epiphanius,
1822 VII, 1,83 | persoon een bevoorrechte plaat voor de ontmoeting met het
1823 Inl, 0,5 | stellingnames in het denken heeft plaatsgemaakt voor een indifferent pluralisme,
1824 II, 1,16 | plek waar het goed is. Hij plaatst zijn kinderen onder haar
1825 II, 2,22 | God hem in de hof van Eden plaatste, in welks midden “de boom
1826 VI, 1,71 | onveranderlijke waarheid van God. Zo plant in de loop van de eeuwen
1827 V, 1,54 | harten van de mensen te planten, deze meer of minder van
1828 IV, 1,41 | openstaande verstand en plantten daarin de rijkdom uit de
1829 Inl, 0,1 | wijsgerige traktaten van Plato en Aristoteles. Het zijn
1830 IV, 1,40 | bewijzen waren” 38. Dezelfde Platonici, aan wie hij bij voorkeur
1831 V, 1,53 | met de reeds geciteerde plechtige afkondiging: “Er bestaat
1832 VII, 2,97 | zoals men tegenwoordig pleegt te zeggen, of een ecclesiologie
1833 II, 1,16 | zijn intrek neemt op een plek waar het goed is. Hij plaatst
1834 Inl, 0,5 | verworven. Een gewettigde pluraliteit van stellingnames in het
1835 IV, 1,36 | natuurverschijnselen vergoddelijkte. De pogingen van de mensen, om de oorsprong
1836 VII, 1,86 | vals zijn of niet ‘to the point’. Een extreme vorm van eclecticisme
1837 VI, 1,73 | beweegt tussen de beide polen van Gods woord en een beter
1838 IV, 3,46 | voor doelstellingen die op politiek-maatschappelijk vlak uitgroeiden tot totalitaire
1839 IV, 1,36 | meeste kosmische religies, polytheïstisch. Daarbij ging zij zover,
1840 Slot, 0,108 | het twintigste van mijn pontificaat. ~Johannes Paulus PP II ~
1841 VI, 1,71 | Judea en Cappadocië, van Pontus en de provincie Asia, van
1842 IV, 1,36 | herhaalde toespelingen op populaire overtuigingen van vooral
1843 I, 2,14 | quiddam maius quam cogitari possit) (...) Als U niet zo was,
1844 V, 2,60(84) | AAS 71 (1979), 495-496; Post-synodale Apostolische Exhortatie
1845 VII, 1,91 | aangeduid als de tijd van de “postmoderniteit”. Vaak gebruikt in heel
1846 IV, 3,47 | instrumentele rede’ actueel of potentieel op het dienen van utilitaristische
1847 VII, 1,81 | kunnen blijken en zelfs een potentiële vernietigster van het menselijk
1848 Slot, 0,108 | pontificaat. ~Johannes Paulus PP II ~
1849 II, 2,21 | heeft geschapen. (vgl. Pr 1,13), die de opdracht heeft
1850 II, 1,16 | hitte beschut en onder haar pracht vindt hij rust.” (Sir 14,
1851 V, 1,52 | tegen de theorieën die de prae-existentie van de zielen aannamen56,
1852 VI, 2,79(95) | H. Augustinus, De Praedestione Sanctorum, 2, 5: PL 44,
1853 V, 2,61 | pastorale vorming en in de praeparatio fidei alleen maar in de
1854 IV, 1,41(40) | De Praescriptione Haereticorum, VII, 9: SC
1855 IV, 2,44(48) | Vgl. I, 1, 6: “Praeterea, haec doctrina per studium
1856 Inl, 0,5 | wordt tenslotte volgens pragmatische, ten diepste op empirische
1857 VII, 1,89 | hiervan zijn duidelijk: in de praktijk worden de grote morele beslissingen
1858 VII, 1,81 | zin heeft om over “zin” te praten. De meerderheid van de theorieën
1859 V, 2,60 | 60. Vaticanum II presenteerde van zijn kant een zeer rijke
1860 IV, 3,46 | humanisme, die het geloof presenteerden als schadelijk en vervreemdend
1861 Slot, 0,105 | vroomheid, onderzoek zonder de prikkel van de verwondering, schranderheid
1862 III, 2,32 | gezochte waarheden niet primair van empirische of wijsgerige
1863 VII, 1,91 | echter de bevestiging van het principe van de immanentie, het hart
1864 IV, 2,43 | toeliet als hun afwijzing a priori. Hij ging daarom de geschiedenis
1865 V, 1,53 | en de transcendentie en prioriteit van de eerste tegenover
1866 Inl, 0,5 | zonder zelfs nog maar te proberen om radicale vragen over
1867 Slot, 0,104 | verwachtingen, openingen en probleemstellingen van dit ogenblik in de geschiedenis
1868 VII, 2,96(112) | Document Interpretationis Problema (oktober 1989): Enchiridion
1869 VII, 2,94 | 94. Een eerste problematisch aspect vormt de verhouding
1870 V, 1,51 | is, dan kan het soms nog problematischer blijken om in de afzonderlijke
1871 VI, 1,64 | treden, in sommige van haar procedures en in de uitvoering van
1872 VII, 1,88 | waarden afdoet als louter producten van de emoties en dat kennis
1873 III, 2,30 | op evidentie of die door proefneming bevestigd worden. Daarbij
1874 III, 2,33(28) | volkeren bewijst, dat als een profetie van de mensheid steeds weer
1875 V, 2,59 | ontwikkeld van een zodanig profiel, dat zij in niets onderdeden
1876 I, 2,14(20) | Prologion, Prooemium en nr. 1, 15:
1877 Slot, 0,105(128)| Prologus, 4: Opera Omnia, Florence,
1878 I, 2,14(20) | Prologion, Prooemium en nr. 1, 15: PL 158, 223-
1879 IV, 1,41 | zich nog onuitgesproken en propaedeutisch aankondigde in het denken
1880 VII, 1,88 | sciëntistische visie te propageren die nu grenzeloos lijkt,
1881 VI, 1,66 | begripsstructuur van de proposities opneemt, waarin de leer
1882 IV, 1,42 | factus sum; et nondum feci propter quod factus sum” 42. Het
1883 VI, 1,71 | die hier zijn, joden en proselieten, Kretenzers en Arabieren,
1884 VI, 1,71 | Cappadocië, van Pontus en de provincie Asia, van Phrygië en Pamphylië,
1885 III, 1,26 | ongerijmde bij te halen, of de provocerende vragen in het boek Job,
1886 Slot, 0,104 | gevoerd en met alle nodige prudentie, sluit onzerzijds niemand
1887 II, 1,17 | dit mozaïek wordt door de Psalmist aangedragen, wanneer hij
1888 Slot, 0,108(132)| noerá tès pisteoos tràpeza“: Pseudo-Epiphanius, Homilie ter ere van de
1889 II, 2,21 | de waarheid te vervolgen, put hij uit de zekerheid dat
1890 III, 1,24(22) | Ut te semper desiderando quaererent et inveniendo quiescerent”:
1891 I, 2,14 | kan denken (quiddam maius quam cogitari possit) (...) Als
1892 IV, 3,46 | ook aan de verleiding van quasi-goddelijke macht over de natuur en
1893 I, 2,14 | alles wat men kan denken (quiddam maius quam cogitari possit) (...)
1894 III, 1,24(22) | quaererent et inveniendo quiescerent”: Missale Romanum ~
1895 I, 2,14 | kan denken (non solum es quo maius cogitari nequit),
1896 IV, 2,44 | overtuigd dat “omne verum a quocumque dicatur a Spiritu Sancto
1897 IV, 1,42 | et nondum feci propter quod factus sum” 42. Het streven
1898 Inl, 0,2 | spiegel en zien slechts raadselachtige omtrekken: dan echter zien
1899 VII, 1,81 | innemen als uiteindelijke raamwerk van de eenheid van de menselijke
1900 II, 2,23 | apostel schroomt niet om de radicaalste taal die de wijsgeren in
1901 IV, 3,46 | 46. De opvallendste radicaliseringen zijn bekend en vooral in
1902 II, 1,16 | heengaat; die door haar ramen gluurt en aan haar deuren
1903 Inl, 0,6 | voortslepen tot bijna aan de rand van de afgrond, zonder te
1904 Slot, 0,104 | of aan het samenleven van rassen en culturen - een mogelijke
1905 IV, 1,42 | onbegrijpelijk is (rationabiliter comprehendit incomprensibile
1906 VII, 1,88 | die de mens, als animal rationale, constant heeft opgeworpen
1907 VII, 1,91 | rationalistische argumentatie, een reactie uitgelokt die, met betrekking
1908 V, 1,49 | duidelijk en beslist te reageren, wanneer twijfelachtige
1909 IV, 2,44 | richtte, kon hij in zijn realisme haar objectiviteit erkennen.
1910 V, 2,57 | vriendschap: hij staat beide hun rechten toe en beschermt hun waardigheid.” 79 ~
1911 VII, 2,93 | opstanding en verheffing aan de rechterhand van Vader; vandaar zal Hij
1912 VI, 1,67 | moeten bekommeren om het rechtvaardigen en het verklaren van de
1913 VII, 2,98 | competent is: de vrede, sociale rechtvaardigheid, gezin, de verdediging van
1914 I, 1,7 | mensheid te bereiken en te redden. Als bron van liefde wil
1915 V, 1,54(67) | Pius XI, encycliek Divini Redemptoris (19 maart 1937): AAS 29 (
1916 II, 2,22 | zintuiglijke kennis; ook door het redeneren over de zintuiglijke waarnemingen
1917 III, 2,32 | een liefde, die geen lange redeneringen nodig heeft om te overtuigen,
1918 I, 2,15 | Noli foras ire, in te ipsum redi. In interiore homine habitat
1919 VII, 2,99 | volheid van de waarheid die redt, te kennen (vgl. Hand 4,
1920 VII, 2,97 | gevaar van een dergelijke reductie nauwelijks kunnen vermijden. ~
1921 VI, 1,70 | maar daarom niet minder reëel - een verwijzing naar Gods
1922 IV, 1,40 | aan wie hij bij voorkeur refereerde, maakte Augustinus het verwijt
1923 IV, 1,41 | de systemen waaraan zij refereerden. De vraag van Tertullianus: “
1924 VII, 1,83 | functioneren. Het woord van God refereert voortdurend aan wat uitstijgt
1925 II, 1,18 | Israël in staat was, met zijn reflecties voor het verstand de weg
1926 Inl, 0,3 | wetgevingen inspireren bij de regeling van het maatschappelijk
1927 IV, 1,40 | waartoe hem de door hem regelmatig bezochte wijsgeren niet
1928 III, 2,30 | zijn persoonlijk lot en regelt zijn gedrag. Hier zou hij
1929 VII, 1,82 | middel van die adaequatio rei et intellectus waarnaar
1930 III, 1,26 | is dat over de dood heen reikt; of hij mag hopen op een
1931 VII, 1,81 | de wijsbegeerte om in het reine te komen met haar eigen
1932 IV, 1,36 | godsvoorstellingen van de mensen te reinigen van mythologische vormen,
1933 Slot, 0,108 | naar de wijsheid. Moge hun reis naar de wijsheid, het veilig
1934 VII, 2,96 | een bijzondere zorg zal rekenen om het verstaan van de betrekking
1935 VI, 1,67 | discipline, welker opgave de rekenschap over het geloof is (vgl.
1936 VI, 1,66 | het spreken over God, de relaties tussen de personen binnen
1937 VII, 1,82 | radicaal fenomenalistische of relativistische filosofie zou ongeschikt
1938 I, 2,15(21) | De vera religione, XXXIX, 72: CCL 32, 234. ~
1939 V, 1,52(59) | mandato S.Cong.Episcoporum et Religiosorum subscriptae (26 april 1844),
1940 I, 2,15 | leven aan te nemen, zij respecteert ten diepste de autonomie
1941 V, 2,60 | en heerschappij over de rest van de schepping worden
1942 IV, 3,47 | zekerheid of praktisch nut. Dat resulteerde in een verduistering van
1943 V, 2,58 | Historische studies bloeiden, resulterend in een herontdekking van
1944 VII, 1,86 | eclecticisme komt ook voor in het retorische misbruik van wijsgerige
1945 VII, 1,81 | te meer nodig, omdat de reusachtige uitbreiding van de technische
1946 V, 1,55 | Kerk. Want het “hoogste richtsnoer van haar geloof” 75 ontvangt
1947 VI, 1,72 | Aetate aanzet, moet hij een rij criteria hanteren. Het eerste
1948 Slot, 0,101 | hun respectieve inzichten rijkelijk hebben bijgedragen aan de
1949 III, 2,32 | het geloof vaak menselijk rijker dan pure evidentie, omdat
1950 IV, 3,48 | zal een verstand dat geen rijp geloof voor zich heeft,
1951 IV, 2,44 | Geest speelt bij het laten rijpen van menselijke kennis tot
1952 Inl, 0,3 | vormen uit te drukken en tot rijpheid te komen. Hoezeer dat het
1953 III, 2,31 | gelooft. Persoonlijke groei en rijping maken echter, dat deze waarheden
1954 V, 2,62 | ervaring die in de middeleeuwen rijpte, toen het belang van een
1955 V, 1,56 | goed en waar is, iets te riskeren. Zo wordt het geloof tot
1956 III, 2,32 | heeft gezocht. Tenslotte roept de martelaar bij ons een
1957 I, 1,9 | de wetenschappen dwalen rond door het gebied van het
1958 Slot, 0,105 | behoefte deze encycliek af te ronden met een laatste gedachte
1959 III, 1,24 | godsdienstig bent. Toen ik rondliep en uw heiligdommen bezichtigde,
1960 II, 1,19 | dieren en de wildheid van roofdieren” te begrijpen (Wijsh 7,17.
1961 VI, 1,74 | John Henry Newman, Antonio Rosmini, Jacques Maritain, Étienne
1962 V, 1,55 | noodzaak van exegese in ruimere zin te negeren, terwijl
1963 V, 2,60(84) | Fundamentalis Institutionis Sacerdotalis (6 januari 1970), nrs. 70-
1964 V, 2,60(84) | 1970), 366-368; Decreet Sacra Theologia (20 januari 1972):
1965 I, 2,13 | zekere zin gewezen op het sacramentele karakter van de openbaring
1966 III, 1,26(26) | Paulus II, Apostolische Brief Salvifici doloris (11 februari 1984),
1967 I, 2,13 | het ons mogelijk maakt het samenhangend te vatten. Het concilie
1968 Slot, 0,104 | milieu en vrede, of aan het samenleven van rassen en culturen -
1969 V, 2,60 | spes tegelijkertijd een samenvatting van bijbelse antropologie
1970 IV, 1,40 | Griekse en Latijnse denken samenvloeiden. Ook bij hem werd de grote
1971 Slot, 0,104 | het duidelijke, eerlijke samenwerken van de christenen met de
1972 IV, 2,44(48) | inter septem dona Spiritus Sancti connumeratur“. ~
1973 IV, 2,44 | quocumque dicatur a Spiritu Sancto est“,50 hield Sint Thomas
1974 VI, 2,79(95) | Augustinus, De Praedestione Sanctorum, 2, 5: PL 44, 963. ~
1975 VII, 2,92(109) | alleen verbonden is met het scandalum Crucis, maar ook met alles
1976 V, 1,54 | rationalistische bekoring. In dit scenario horen de interventies van
1977 VII, 1,81 | uitlopen op een toestand van scepsis en onverschilligheid, of
1978 Inl, 0,5 | drijfzand van een algemeen scepticisme. In de jongste tijd hebben
1979 IV, 3,45 | bekennen tot een algemeen, sceptisch en agnostisch wantrouwen,
1980 VI, 2,75 | openbaring af te wijzen, schaadt de wijsbegeerte slechts
1981 V, 1,54 | oorsprong hebben “buiten de schaapsstal van Christus”; 68 hij voegde
1982 IV, 3,46 | geloof presenteerden als schadelijk en vervreemdend voor de
1983 Slot, 0,107 | in de waarheid door in de schaduw van de wijsheid zijn woning
1984 II, 2,23 | uitgekozen om de wijzen te schande te maken (...) En het nederige
1985 II, 1,16 | geloof laten zich daarom niet scheiden zonder dat het voor de mens
1986 VII, 2,92 | basis is het mogelijk om de scheidende onenigheden te overwinnen
1987 VI, 1,70 | haalde door zijn sterven de scheidingswand van de vijandschap omlaag” (
1988 V, 2,57 | hoort het geloof volledig scheidt van de rede, verenigt hij
1989 VII, 2,97 | ongeschikt en gereduceerd schema, dat de speculatieve helderheid
1990 VII, 2,97 | herhalen van verouderde schemata. De filosofie van het zijn
1991 Slot, 0,104 | dat het woord van God haar schenkt, kan zij een reflectie ontwikkelen
1992 II, 2,22 | dat in het oorspronkelijke scheppingsplan het vermogen van de mens
1993 II, 1,16 | werkende God. Het geloof scherpt de inwendige blik doordat
1994 Slot, 0,106 | geloof, nog zekerder en scherpzinniger wordt. ~Tenslotte zou ik
1995 IV, 2,43 | zijn geniale profetische scherpzinnigheid voor het probleem van de
1996 IV, 1,41 | niveaus van reflectie, en schiep daarmee een solide basis
1997 V, 2,59 | morele geweten; nog anderen schiepen een wijsbegeerte die, uitgaande
1998 VII, 1,90(106) | en de waarschuwing alle schijn-vrijheid te vermijden, alle oppervlakkige
1999 III, 1,24 | geven. Literatuur, muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst, architectuur
2000 II, 2,23 | Christus op de klip waarop ze schipbreuk kan lijden. Maar achter
|