|
1. Zowel in het Oosten alsook in het
Avondland kan men een weg traceren, die in de loop van de eeuwen de mensheid in
toenemende mate tot de ontmoeting en het gesprek met de waarheid geleid heeft.
Een weg die zich - anders kon het immers niet - binnen de horizon van het
zelfbewustzijn van de menselijke persoon heeft ontvouwen; hoe meer de mens de
werkelijkheid en de wereld leert kennen, des te beter leert hij zichzelf kennen
in zijn onvergelijkelijkheid, terwijl bij hem steeds indringender de vraag naar
de betekenis van de dingen en van zijn eigen bestaan opkomt. Alles wat zich als
voorwerp van onze kennis voordoet, wordt aldus zelf een deel van ons leven. Op de architraaf van de tempel van Delphi
was de vermanende oproep uitgehouwen: “Ken jezelf!” - als getuigenis van
een fundamentele waarheid die als minste regel door iedere mens moet worden
aangenomen die zich binnen de schepping juist als “mens” wil onderscheiden,
doordat hij zichzelf kent. Overigens toont ons een eerste blik op de geschiedenis
van de oudheid duidelijk dat in verscheidene streken van de aarde met heel
verschillende culturen, op hetzelfde ogenblik dezelfde grondvragen opdoken, die
de gang van het menselijke bestaan karakteriseren: Wie ben ik? Waar kom ik
vandaan en waar ga ik heen? Waarom is er het kwade? Wat zal er na dit leven
zijn? Deze vragen bevinden zich in de heilige geschriften van Israël,
maar ze duiken ook op in de Veda’s en ook in de Avesta; we vinden ze in de
geschriften van Confucius en Lao-Tse alsook in de verkondiging van Tirthankara
en bij Boeddha. Ze verschijnen ook in de gedichten van Homerus en in de
tragedies van Euripides en Sophocles, alsook in de wijsgerige traktaten van
Plato en Aristoteles. Het zijn vragen die hun gemeenschappelijke oorsprong hebben
in de zoektocht naar zin, die de mens sedert de vroegste tijden in de ziel
beroert: van het antwoord op deze vragen hangt inderdaad de richting af die het
bestaan zal stempelen.
|