|
36.
Volgens het getuigenis van de Handelingen der Apostelen zag de christelijke
verkondiging zich van meet af geconfronteerd met de toenmalige wijsgerige
stromingen. Zo bericht het boek erover, dat de H. Paulus in Athene “met enkele
epicureïsche en stoïcijnse wijsgeren” discussieerde (17,18). De
exegetische analyse van die rede die de apostel op de Areopaag had gehouden,
heeft herhaalde toespelingen op populaire overtuigingen van vooral
stoïcijnse aard, aan het licht gebracht. Dat was zeker geen toeval. Om
door de heidenen begrepen te worden konden de eerste christenen het in hun
toespraken niet laten bij een verwijzing naar “Mozes en de profeten”; ze
moesten ook wijzen op de natuurlijke Godskennis en op de stem van het morele
geweten van iedere mens (vgl. Rom 1,19-21; 2,14-15; Hand 14,14-16). Omdat deze
natuurlijke kennis echter in de heidense religie tot een afgodendienst was
verworden (vgl. Rom 1,21-32), hield de apostel het voor verstandiger, zijn rede
te vervlechten met het denken van de wijsgeren die van begin af tegen de mythen
en mysterieculten noties hadden verwoord die meer respect toonden voor de
goddelijke transcendentie.
De godsvoorstellingen van de mensen te
reinigen van mythologische vormen, dat was inderdaad een van de grootste inspanningen
die de wijsgeren van het klassieke denken zich getroost hebben. Zoals wij weten
was ook de Griekse religie, niet anders dan de meeste kosmische religies,
polytheïstisch. Daarbij ging zij zover, dat ze dingen en
natuurverschijnselen vergoddelijkte. De pogingen van de mensen, om de oorsprong
van de goden en, in hen, van het heelal te begrijpen, vonden hun eerste
uitdrukking in de dichtkunst. De theogonieën zijn tot nu toe het eerste
getuigenis van deze zoektocht van de mens. Het was de taak van de vaders der
wijsbegeerte de samenhang tussen verstand en religie zichtbaar te maken. Omdat
zij hun blik verwijdden tot algemene beginselen, stelden zij zich niet meer met
de oude mythen tevreden; ze wilden aan hun geloof in de godheid een rationele
basis geven.
Zo werd een weg ingeslagen die,
uitgaande van de verschillende oude overleveringen, uitkwam op een ontwikkeling
die overeenkwam met de eisen van de universele rede. Het doel dat deze
ontwikkeling nastreefde was het kritische bewustzijn van datgene waaraan men
geloofde. Het eerste positieve resultaat van deze weg was het concept van de
‘godheid’ (divinitas). Vormen van bijgeloof werden als zodanig herkend
en de religie werd door de kracht van de rationele analyse tenminste
gedeeltelijk gelouterd. Op deze basis begonnen de Kerkvaders een vruchtbare
dialoog met de antieke wijsgeren en baanden zo de weg voor de verkondiging en
het begrip van de God van Jezus Christus.
|