Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Ioannes Paulus PP. II
Fides et Ratio

IntraText CT - Text

  • Hoofdstuk IV De Verhouding Van Geloof En Rede
    • Belangrijke Stappen In De Ontmoeting Van Geloof En Rede
      • 38
Previous - Next

Click here to hide the links to concordance

38. De ontmoeting van het christendom met de wijsbegeerte was daarom noch spontaan noch eenvoudig. De bezigheid van de wijsgeren en het bezoek van hun scholen scheen de eerste christenen eerder een storing dan een kans toe. Voor hen was de eerste, dringende opgave de verkondiging van de opgestane Heer in een persoonlijke ontmoeting, die de gesprekspartners zou brengen tot innerlijke omkering en tot een vraag om het doopsel. Dat wil echter niet zeggen dat zij de opgave om het geloofsbegrip en zijn motieven te verdiepen, veronachtzaamden. Integendeel: de kritiek van Celsus die de christenen ervan beticht, “onbeschaafde en lompe31 mensen te zijn, blijkt ongegrond en onwaar te zijn. De verklaring voor hun aanvankelijke onverschilligheid moeten we elders zoeken. In werkelijkheid bood de ontmoeting met het evangelie een dermate bevredigend antwoord op de tot dan toe onbeantwoorde vragen naar de zin van het leven, dat hun de omgang met de wijsgeren voorkwam als een verre en in zeker opzicht achterhaalde aangelegenheid.

Dat lijkt vandaag nog duidelijker, wanneer men denkt aan de bijdrage van het christendom aan de bevestiging van ieders recht op toegang tot de waarheid. Het christendom had na het neerhalen van de barrières van ras, maatschappelijke stand en geslacht, vanaf het begin de gelijkheid van alle mensen voor God verkondigd. De eerste consequentie van deze opvatting betrof het thema waarheid. Het elitaire karakter dat het waarheidszoeken bij de Ouden had, werd met beslistheid overwonnen: omdat de toegang tot de waarheid een goed is, dat het mogelijk maakt om bij God te komen, moeten allen in staat zijn deze weg te kunnen gaan. De wegen om de waarheid te bereiken zijn talrijk; toch kan, aangezien de christelijke waarheid heilswaarde bezit, elk van deze wegen alleen dan ingeslagen worden, als hij naar het laatste doel, dat wil zeggen naar de openbaring van Jezus Christus, leidt.

Als pionier van een positieve ontmoeting met het wijsgerige denken - zij het met voorzichtige onderscheiding - moet de H. Justinus genoemd worden: ofschoon hij zijn hoge achting voor de Griekse wijsbegeerte ook na zijn bekering bewaard had, stelde hij duidelijk en beslist, in het christendomde enige zekere en nut brengende wijsbegeertete hebben gevonden32. Op vergelijkbare wijze noemde Clemens van Alexandrië het evangeliede ware wijsbegeerte33 en interpreteerde hij de wijsbegeerte naar analogie van de wet van Mozes als voorbereidend onderwijs voor het christelijk geloof34 en een wegbereiding van het evangelie35. Wantnaar deze wijsheid gaat het verlangen van de wijsbegeerte uit; zij is een streven van de ziel, zowel naar het vermogen tot het juiste denken alsook naar de zuiverheid van het leven; ze is de wijsheid vriendelijk en liefdevol gezind en doen alles om haar deelachtig te worden. Wijsgeren noemen wij dan hen, die verlangen koesteren naar de Wijsheid die alle dingen geschapen heeft en alles leert, dat wil zeggen: naar kennis van de Zoon van God”. 36 Hoofddoel van de Griekse wijsbegeerte is voor de Alexandrijn niet de voltooiing of de versterking van de christelijke waarheid; haar opgave is veeleer de verdediging van het geloof:: “In zichzelf volmaakt en zonder behoefte aan enige afwerking is de leer van de Verlosser, omdat zij goddelijke kracht en wijsheid is. Wanneer nu de Griekse wijsheid erbij komt, maakt zij de waarheid weliswaar niet effectiever, maar omdat zij de sofistische aanvallen ontkracht en de listige aanvallen tegen de waarheid afslaat, heeft men haar terecht haag en muur van de wijnberg genoemd.” 37




31 Origenes, Contra Celsum, 3, 55: SC 136, 130.



32 Dialoog met Trypho, 8, 1: PG 6, 492.



33 Stromata I, 18, 90, 1: SC 30, 115.



34 Vgl. ibid., I,16, 80, 5: SC 30, 108.



35 Vgl. ibid., I, 5, 28, 1: SC 30, 65.



36 Ibid., VI, 7, 55, 1-2: PG 9, 277.



37 Ibid., I, 20, 100, 1: SC 30, 124.






Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License