41. De kerkvaders
van het Oosten en van het Avondland hebben dus in verschillende vormen
verbindingen gelegd met de wijsgerige scholen. Dat betekent niet dat ze de
inhoud van hun boodschap vereenzelvigd hebben met de systemen waaraan zij
refereerden. De vraag van Tertullianus: “Wat hebben Athene en Jeruzalem gemeen?
Wat de Academie en de Kerk?” 40 is een duidelijke aanwijzing
voor het kritische bewustzijn waarmee de christelijke denkers vanaf het begin
omgingen met het probleem van de verhouding van geloof en wijsbegeerte; ze
zagen het in zijn geheel, in zijn positieve aspecten evengoed als in zijn
begrenzingen. Ze waren geen naïeve denkers. Juist omdat ze de inhoud van
het geloof intensief beleefden, konden zij de diepste vormen van speculatief
denken bereiken. Daarom is het onrechtvaardig en oppervlakkig om hun werk te
vernauwen tot de loutere omzetting van de geloofsinhoud in wijsgerige
categorieën. Ze hebben heel wat meer gepresteerd. Het lukte hun namelijk
om volledig zichtbaar te laten worden wat zich nog onuitgesproken en
propaedeutisch aankondigde in het denken van de grote antieke wijsgeren.
41 Ze hadden, als gezegd, de taak te laten zien hoe het van
uitwendige boeien bevrijde verstand uit de doodlopende straat van de mythen kon
raken om zich op passender wijze open te stellen voor het transcendente. Een
gelouterd en oprecht verstand kon zich dus verheffen tot de hoogste niveaus van
reflectie, en schiep daarmee een solide basis voor de waarneming van het zijn,
het transcendente en het absolute.
Precies hierin schuilt het door de
Kerkvaders volbrachte nieuwe. Ze erkenden volledig het voor het absolute
openstaande verstand en plantten daarin de rijkdom uit de openbaring. Tot
ontmoeting kwam het niet alleen op het niveau van culturen, waarvan de ene
misschien gevallen was voor de betovering van de andere; ze vond plaats in het
hart en was ontmoeting tussen het schepsel en zijn Schepper. Het verstand kon,
doordat het uitging boven het doel dat het van nature onbewust nastreefde, in
de Persoon van het vleesgeworden Woord komen tot het hoogste goed en de hoogste
waarheid. De Kerkvaders ontzagen zich echter niet, tegenover de wijsgeren zowel
de gemeenschappelijke elementen alsook de verschillen te erkennen, die deze met
betrekking tot de openbaring lieten zien. Het besef van de overeenstemmingen
vertroebelde in hen niet de erkenning van de verschillen.
|