42. In de
scholastieke wijsbegeerte wordt onder impuls van de interpretatie van de
intellectus fidei door Anselmus van Kantelberg (Canterbury) de rol van het
filosofisch geschoolde verstand nog gewichtiger. Voor de heilige aartsbisschop
van Kantelberg is de voorrang van het geloof niet in concurrentie met het
zoeken dat aan het verstand eigen is. Dit is er namelijk niet toe geroepen, een
oordeel over de geloofsinhoud te formuleren; het zou er, omdat het daarvoor ongeschikt
is, ook helemaal niet toe in staat zijn. Veeleer is het zijn taak, een zin te
vinden, redenen te ontdekken, die het allen mogelijk maken tot een zeker
begrijpen van de geloofsinhoud te komen. De H. Anselmus onderstreept het feit
dat de rede moet zoeken naar dat wat zij bemint: hoe meer ze bemint, des te
meer verlangt zij naar kennis. Wie leeft voor de waarheid, streeft naar een
vorm van kennis die steeds meer ontbrandt in liefde voor dat wat hij kent, ook
wanneer hij moet toegeven dat hij nog niet alles heeft gedaan wat in zijn
verlangen lag: “Ad te videndum factus sum; et nondum feci propter quod
factus sum” 42. Het streven naar waarheid drijft
het verstand er dus toe om steeds verder te gaan; ja, het wordt stilaan
overweldigd door het besef dat zijn vermogen steeds groter is dan wat het
daadwerkelijk bereikt. Op dit punt echter kan het verstand ontdekken, waar de
voltooiing van zijn tocht ligt: “Want ik meen, dat iemand die iets
onbegrijpelijks onderzoekt, zich ermee tevreden moet stellen als hij met behulp
van rationele overweging een heel zekere waarneming bereikt van de
werkelijkheid daarvan, ook al kan zijn intellect niet doordringen tot de
zijnswijze ervan (...) Want is er iets dat zo onbegrijpelijk en onuitsprekelijk
is als dat wat boven alles is? Als dus dat wat men tot nog toe over het hoogste
wezen heeft bediscussieerd, op grond van de nodige argumenten is vastgesteld,
ofschoon men met de rede niet zó tot dat wezen kan doordringen dat men
het ook met woorden kan verklaren, raakt daarom de grondslag van zijn zekerheid
niet in het minst aan het wankelen. Want als een eerdere rationele beschouwing
heeft geconcludeerd dat de wijze, waarop de hoogste wijsheid weet, wat zij
geschapen heeft (...) onbegrijpelijk is (rationabiliter comprehendit incomprensibile
esse), wie zal dan kunnen verklaren hoe zij zichzelf kent en zich noemt -
zij, over wie de mens niets of bijna niets kan weten?” 43
De fundamentele eenheid van wijsgerige kennis
en geloofskennis wordt nog eens bevestigd: het geloof verlangt dat zijn object
met de hulp van het verstand begrepen wordt; het verstand erkent op het
hoogtepunt van zijn zoektocht dat, wat het verstand aanbiedt, als noodzakelijk.
|