|
45.
Met de oprichting van de eerste universiteiten zag de theologie zich
rechtstreeks geconfronteerd met andere vormen van onderzoek en
wetenschappelijke kennis. De H. Albertus Magnus en de H. Thomas waren de
eersten die, ofschoon zij vasthielden aan een organische verbinding tussen de
wijsbegeerte en de godgeleerdheid, aan de wijsbegeerte en de wetenschappen de
nodige autonomie toekenden, die ze nodig hebben om zich succesvol te wijden aan
de verschillende onderzoeksgebieden. Vanaf de late Middeleeuwen verkeerde het
legitieme onderscheid tussen de beide kennisvormen langzamerhand echter in een
onzalige scheiding. Als gevolg van een overheersende geest van overdreven
rationalisme bij enkele denkers werden de posities radicaler, tot men feitelijk
bij een gescheiden en tegenover de geloofsinhouden absoluut autonome wijsbegeerte
belandde. Tot de gevolgen van deze scheiding hoorde onder andere ook een
groeiende argwaan jegens het verstand. Sommigen begonnen zich te bekennen tot
een algemeen, sceptisch en agnostisch wantrouwen, ofwel om het geloof meer
ruimte te gunnen ofwel echter om elke van zijn maar mogelijke betrekkingen met
het verstand in diskrediet te brengen. Wat het patristische en middeleeuwse
denken had bedacht en verwerkelijkt als diepe eenheid, die een kennis
voortbracht die tot de hoogste vormen van speculatief denken in staat was, werd
tenslotte vernietigd door die systemen die stonden voor een van het geloof
gescheiden en in zijn plaats tredende verstandskennis.
|