48. Uit dit
laatste deel van de filosofiegeschiedenis kan men dus constateren, dat er een
voortgaande scheiding is tussen geloof en wijsgerige rede. Wel is het juist,
dat bij aandachtige beschouwing ook in het wijsgerig denken van hen die
bijgedragen hebben aan een vergroting van de afstand tussen geloof en rede,
soms waardevolle aanzetten in hun denken zijn te zien die, als ze met juist
gestemde geest en hart verdiept en ontwikkeld worden, kunnen helpen om de weg
van de waarheid te ontdekken. Deze aanzetten zijn bijvoorbeeld te vinden in de
grondige analyses over waarneming en ervaring, over persoonlijkheid en
intersubjectiviteit, over vrijheid en waarden, over tijd en geschiedenis; ook
het thema dood kan voor iedere denker een ernstige oproep zijn om in zichzelf
de echte zin van zijn bestaan te zoeken. Dat neemt echter niet weg dat de
hedendaagse verhouding van geloof en rede een subtiel onderzoek vereist omdat
beide zonder de ander zijn verarmd en verzwakt. Toen het verstand zonder de
bijdrage van de openbaring bleef, sloeg het zijwegen in, die het gevaar
inhouden dat het zijn einddoel uit het oog verliest. Het geloof waaraan het
verstand ontbreekt, heeft de nadruk gelegd op gevoel en ervaring en loopt
daarmee het risico dat het geen universeel aanbod meer is. Het is een illusie
te menen dat het geloof grotere overtuigingskracht bezit tegenover een zwakke
rede: integendeel, het loopt het grote gevaar te verworden tot mythe
respectievelijk bijgeloof. In dezelfde mate zal een verstand dat geen rijp
geloof voor zich heeft, nooit aanleiding zien om de blik te richten op de
nieuwheid en de radicaliteit van het zijn. Daarom doe ik deze sterke en
indringende oproep en, naar ik vertrouw, op het juiste moment, dat het geloof
en de wijsbegeerte de diepe eenheid herstellen die hen in staat stelt om in
harmonie met hun natuur te staan, zonder hun wederzijdse autonomie afbreuk te
doen. De parrhesia (vrijmoedigheid) van het geloof moet opgewassen zijn
tegen de stoutmoedigheid van de rede.
|