50. Het kerkelijk
leergezag kan en moet daarom in het licht van het geloof met gezag zijn taak
van kritische onderscheiding tegenover filosofieën en opvattingen
uitoefenen, die niet overeenstemmen met de christelijke leer55.
Het is vooral de opgave van het leergezag om aan te geven welke filosofische
vooronderstellingen en conclusies onverenigbaar zijn met de geopenbaarde
waarheid en tegelijkertijd de eisen te formuleren die aan de wijsbegeerte,
vanuit het aspect van het geloof opgelegd worden. In de loop van de
ontwikkeling van de wijsgerige kennis zijn bovendien verschillende denkscholen
ontstaan. Ook dit pluralisme legt het leergezag de verantwoordelijkheid op om
zijn oordeel uit te spreken over de verenigbaarheid respectievelijk de
onverenigbaarheid van de basisprincipes, waarop deze scholen steunen, met de
aanspraken van het woord van God en het theologisch onderzoek.
De Kerk heeft de plicht om te laten
zien wat in een wijsgerig systeem onverenigbaar met haar geloof kan blijken. Want
veel wijsgerige inhouden, zoals de thema’s God, mens, zijn vrijheid en zijn
morele handelen, appelleren direct aan de Kerk, omdat zij raken aan de door
haar behoede geopenbaarde waarheid. Wij bisschoppen hebben, wanneer we deze
onderscheiding toepassen, de opdracht, “getuigen van de waarheid” te zijn, bij
de uitoefening van een deemoedige maar onvermoeibare dienst, die iedere
filosoof zou moeten erkennen, tot voordeel van de recta ratio, dat wil
zeggen het verstand dat op de juiste wijze nadenkt over het ware.
|