70. Het thema van
de relatie met de culturen verdient een speciale, zij het noodgedwongen niet
uitputtende, beschouwing vanwege de daaruit voortkomende implicaties zowel op
filosofisch als op theologisch gebied. Het proces van de ontmoeting en
confrontatie met de culturen is een ervaring die de Kerk vanaf het begin van de
verkondiging van het evangelie heeft beleefd. Het gebod van Christus aan de
leerlingen om overal heen te gaan, “tot aan de grenzen der aarde” (Hand 1, 8),
om de door Hem geopenbaarde waarheid door te geven, bracht de christelijke
gemeente er reeds zeer vroeg toe om de universaliteit van de verkondiging en de
hindernissen die uit de diversiteit van de culturen ontstonden, te erkennen. Een
passage uit de brief van de heilige Paulus aan de christenen van Efeze biedt
een goede hulp om te begrijpen hoe de eerste gemeente met dit probleem is
omgegaan. De apostel schrijft: “Nu echter zijn jullie, die eens veraf waren,
door Christus Jezus, en wel door zijn bloed, dichtbij gekomen. Want Hij is onze
vrede. Hij verenigde de beide delen (joden en heidenen), en haalde door zijn
sterven de scheidingswand van de vijandschap omlaag” (2, 13-14).
Met deze tekst voor ogen breidt onze
overweging zich uit naar de verandering die bij de heidenen is opgetreden, die
eens tot het geloof zijn gekomen. In het licht van de volheid van het door
Christus volbrachte heil vallen de scheidingsmuren tussen de verschillende
culturen. De belofte van God wordt nu in Christus tot een aanbod voor allen: ze
is niet meer tot de eigen aard van een volk, zijn taal en zijn gebruiken
beperkt, maar wordt als een schat waar ieder vrij uit putten kan, tot allen
uitgebreid. Van verschillende plaatsen en tradities zijn allen er in Christus
toe geroepen, aan de eenheid van de familie van Gods kinderen deel te hebben. Christus
staat beide volkeren toe, ‘een’ te worden. Zij die ‘veraf’ waren, zijn dankzij
het nieuwe dat het passmysterie bewerkte, ‘dichtbij gekomen’. Jezus haalt de
scheidingsmuren omlaag en voltrekt de vereniging op een unieke, verheven manier
door de deelname aan zijn mysterie. Deze eenheid is zo diep, dat de Kerk met de
H. Paulus kan zeggen: “Jullie zijn dus geen vreemden meer, zonder burgerrecht,
maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God” (Ef 2,19).
In zo’n eenvoudige zin wordt een
geweldige waarheid beschreven: de ontmoeting van het geloof met de
verschillende culturen heeft inderdaad een nieuwe werkelijkheid doen ontstaan. Wanneer
de culturen hun wortels diep in de menselijke natuur hebben, getuigen zij van
de typische openheid van de mens voor het universele en het transcendente. Daarom
vormen zij verschillende wijzen van toenadering tot de waarheid; ze blijken
zonder twijfel nuttig voor de mens die ze wijzen op waarden die zijn bestaan
steeds menselijker kunnen maken. 94 Waar de culturen zich
beroepen op de waarden van de antieke overleveringen, bevatten zij - weliswaar
onuitgesproken, maar daarom niet minder reëel - een verwijzing naar Gods
zelf-openbaring in de natuur, zoals we eerder bij de bespreking van de
wijsheidsteksten en de leer van de H. Paulus hebben gezien.
|