79. Door verder
uit te werken wat het leergezag vóór mij heeft geleerd, wil ik in
dit laatste deel enkele eisen aangeven die de theologie - en, nog fundamenteler,
het woord van God zelf - vandaag stellen aan het wijsgerige denken en aan
hedendaagse wijsgeren. Zoals ik al heb opgemerkt, moet de wijsbegeerte aan haar
eigen wetten gehoorzamen en gebaseerd zijn op haar eigen beginselen; de
waarheid echter kan slechts één zijn. De openbaring met haar
inhouden zal nooit de rede bij haar ontdekkingen en in haar legitieme autonomie
kunnen onderdrukken; omgekeerd zal echter het verstand in het besef dat het
zich niet kan verheffen tot absolute en exclusieve waarde, nooit het vermogen
om bevraagd te worden en vragen te stellen, mogen verliezen. Door de glans die
afstraalt van het subsistente Zijn zelf biedt de geopenbaarde waarheid de
volheid van het licht aan het zijn en zal zij dus de weg van het wijsgerig
onderzoek verlichten. Om kort te gaan, de christelijke Openbaring wordt het
ware ontmoetings- en vergelijkingspunt tussen het wijsgerige en het
theologische denken in hun wederzijdse relatie. Men mag daarom hopen dat
theologen en filosofen zich zullen laten leiden door het gezag van de waarheid
alleen, zodat er een filosofie zal oprijzen die in harmonie is met het woord
van God. Zulk een filosofie zal een plaats zijn waar het christelijk geloof en
de menselijke culturen elkaar kunnen ontmoeten, een plaats van begrip tussen
gelovigen en niet-gelovigen. Ze zal gelovigen helpen leiden tot de sterkere
overtuiging dat de diepte en de authenticiteit van het geloof toenemen wanneer
het zich met het denken verbindt en dat niet afwijst. Opnieuw zijn het de
Vaders die ons dit leren: “Geloven is niets anders dan denken met instemming
(...) Gelovigen zijn ook denkers: wie gelooft, denkt, en wie denkt,
gelooft.(...) Als het geloof niet denkt, is het niets”. 95
En verder: “Als er geen instemming is, is er geen geloof, want zonder
instemming gelooft men niet echt.” 96
|