|
80.
De Heilige Schrift bevat zowel in impliciete als in expliciete vorm een aantal
elementen, die ons een mensbeeld en een visie op de wereld bieden van
uitzonderlijke filosofische kracht. De christenen werden zich langzamerhand
bewust van de rijkdom die in de heilige boeken vervat lag. Uit die pagina’s
spreekt, dat de werkelijkheid die wij ervaren, niet het absolute is: ze is noch
ongeschapen, noch brengt zij zichzelf voort. Slechts God is de Absolute. Uit de
pagina’s van de bijbel spreekt bovendien een kijk op de mens als imago Dei,
beeld van God, die precieze aanwijzingen over zijn zijn, zijn vrijheid en de
onsterfelijkheid van zijn ziel bevat. Omdat de geschapen wereld zichzelf niet
voldoende is, leidt iedere illusie van autonomie, die de essentiële
afhankelijkheid uit het oog verliest, waarmee ieder schepsel, inclusief de
mens, voor God staat, tot conflicten die de rationele zoektocht naar de
harmonie en de zin van het menselijk bestaan te niet doen.
Ook het probleem van het zedelijk kwaad
- de meest tragische vorm van het kwaad - wordt in de Bijbel behandeld, hetgeen
ons leert dat dergelijk kwaad niet van een of ander gebrek in de materie
afkomstig is, maar een wonde is die is toegebracht door de ongeordende
uitoefening van de menselijke vrijheid. Tenslotte stelt het woord van God het
probleem van de zin van het leven aan de orde en onthult zijn antwoord door de
mens te wijzen op Jezus Christus, het mensgeworden Woord van God, die de
volmaakte verwerkelijking is van het menselijk bestaan. Andere aspecten zouden
door lezing van de heilige teksten verduidelijkt kunnen worden; in elk geval
blijkt daaruit de afwijzing van iedere vorm van relativisme, materialisme en
pantheïsme.
De fundamentele overtuiging van de
‘filosofie’ die in de bijbel wordt gevonden, is dat de wereld en het menselijk
leven een betekenis hebben en uitzien naar hun vervulling, die komt in Jezus
Christus. Het mysterie van de menswording zal altijd het centrale
referentiepunt blijven om het raadsel van het menselijk bestaan, de geschapen
wereld en God zelf te begrijpen. De uitdaging van dit mysterie drijft de
wijsbegeerte naar haar grenzen, omdat de rede wordt opgeroepen, zich een logica
eigen te maken die de muren neerhaalt waarachter ze zich dreigt te verschansen.
Eerst hier echter bereikt de zin van het bestaan zijn hoogtepunt. Want de
intiemste essentie van God en van de mens worden begrijpbaar: in het mysterie
van het mensgeworden Woord worden de goddelijke en de menselijke natuur ieder
in hun eigen autonomie bewaard, en tegelijk openbaart zich de unieke band, die
ze onvermengd in wederkerige betrekking zet. 97
|